Hoe de nazi’s de moslims voor hun kar spanden

Facebooktwittergoogle_plusmail

‘De islam heeft een vriend: Duitsland.’ Dat stond op een van de tienduizenden vlugschriften die de luchtmacht van nazi-Duitsland op 7 juni 1943 over grote gebieden van de Balkan liet neerdwarrelen. Het is minder bekend, maar nazi-Duitsland probeerde, met succes overigens, gedurende de hele Tweede Wereldoorlog de moslimwereld aan zijn zijde te krijgen in de strijd tegen Groot-Brittannië, de Sovjet-Unie en het jodendom. Honderdduizenden moslims vochten mee met het Duitse leger en de SS. Tal van moslimleiders (imams) collaboreerden openlijk met de nazi’s. Na de oorlog werden die moslimcollaborateurs niet alleen door de Bondsrepubliek Duitsland, maar vooral door de Verenigde Staten ingezet in de strijd tegen het communisme en de Sovjet-Unie.

David Motadel, hoogleraar internationale geschiedenis aan de London School of Economics and Political Science, werkte tien jaar aan dit boek dat de eerste allesomvattende studie is over de rol die de godsdienst speelde in de pogingen die nazi-Duitsland ondernam om de moslimwereld voor zijn zaak te winnen. Alle aspecten van dit fenomeen komen aan bod. Iedere belangrijke gebeurtenis en ontwikkeling wordt in detail beschreven. Iedere nazi-leider, minister, diplomaat, ambtenaar, officier, hoogleraar of imam die van ver of dichtbij iets met het winnen van de moslimzieltjes te maken had komt aan bod. Maar vervelen doet het boek helemaal niet. Het is integendeel ongelooflijk boeiend om te ontdekken waartoe de nazi-strategie leidde.

Helemaal nieuw was het verband tussen Duitsland en de islam niet. Reeds op het einde van de negentiende eeuw probeerden Duitse diplomaten, politici en koloniale overheden de islam te gebruiken om hun macht in de Duitse kolonies te versterken. Tijdens de Eerste Wereldoorlog waren de Duitsers erop uit het islamfanatisme in de moslimgebieden van hun vijanden aan te wakkeren. Duitsland was niet het enige land dat de islam zijn liefde verklaarde. De Italiaanse fascistische leider Mussolini werd in brede islamitische kringen als ‘de beschermer van de islam’ beschouwd. Bij het begin van de Tweede Wereldoorlog verklaarde de Duitse politoloog Hans Lindemann dat de islam de achilleshiel van de geallieerden was, terwijl Duitsland en Italië niets van de islam te vrezen hadden. Voor SS-leider en Reichsführer Heinrich Himmler was de islam een viriele en oorlogszuchtige godsdienst, wat in zijn ogen uiterst positieve kenmerken waren.

Was die belangstelling van de nazi’s voor de moslims niet in strijd met hun rassenleer? In Mein Kampf had Adolf Hitler het immers over de raciale minderwaardigheid van de niet-Europese volkeren, vooral de Arabieren en de Indiërs. Maar nadat ze aan de macht kwamen werden de nazi’s iets pragmatischer. De raciale beperkingen vervat in de wetten van 1935 golden niet voor de niet-joodse inwoners van het Midden-Oosten. Omdat Arabieren net als joden semieten zijn, verbood het Duitse ministerie van Propaganda het gebruik van de termen ‘antisemitisch’ en ‘antisemitisme’. Ze moesten worden vervangen door termen als ‘anti-joods’.

Maar men moest nu ook weer niet overdrijven. Aan de ‘Turkse volkeren’ werd gezegd dat ze tot een ‘waardevol ras’ behoorden, maar dat hun ‘bloed’ niet met dat van Duitsers mocht worden vermengd, want dat zou negatieve gevolgen hebben voor beide partijen. Duitse vrouwen die door (moslim)vrijwilligers uit het Oosten zwanger werden gemaakt, moesten abortus plegen. Af en toe leidde het rassenonderscheid tot zware vergissingen, zoals toen SS-afdelingen bij het begin van de invasie van de Sovjet-Unie in 1941 tal van moslims, vooral krijgsgevangenen, terechtstelden omdat ze besneden waren, wat voor de SS-ers betekende dat ze joden waren.

Duits-Islamitisch bondgenootschap

Het was rond 1941-1942 dat het bondgenootschap tussen nazi-Duitsland en de moslimwereld gestalte kreeg. Samen zouden ze tegen hun gemeenschappelijke vijanden strijden, vooral het Verenigd Koninkrijk, de Sovjet-Unie en de Joden. Frankrijk ontbreekt in dat lijstje, hoewel het toch ook een aantal Arabische landen koloniseerde. Maar in Frankrijk was toen het Vichy-regime aan het bewind, dat met nazi-Duitsland collaboreerde. Binnen de kortste keren slaagde Duitsland erin tienduizenden moslims aan te werven voor het Duitse leger (Wehrmacht) en de SS (Schutzstaffel). Die moslims kwamen uit delen van de Sovjet-Unie, de Balkan en het Midden-Oosten.

Hoewel de moslims in de ogen van de nazi’s tot een ‘minderwaardig ras’ behoorden, werden meer dan 420.000 moslims in het Oostlegioen ingeschakeld dat tegen de Sovjet-Unie werd ingezet. De moslimsoldaten mochten de moslimtradities (ramadam, voedingsvoorschriften, dagelijkse gebeden) respecteren. De nazi’s slaagden er ook in een aantal moslimleiders voor zich te winnen. De belangrijkste onder hen was ongetwijfeld de Groot-Moefti van Jeruzalem, Amin Al-Husseini, die de gelovigen opriep de heilige oorlog tegen de geallieerden te voeren. Hij vestigde zich in Berlijn. De nazi’s openden een aantal opleidingscentra voor imams. Imams werden als aalmoezenier in de Wehrmacht ingeschakeld en kregen een militaire graad.

Vanaf 1942 werd via vlugschriften en radioprogramma’s opgeroepen tot het smeden van een Duits-Islamitisch bondgenootschap. Een van de verantwoordelijken voor die radioprogramma’s was Kurt Georg Kiesinger, die later kanselier van de Bondsrepubliek Duitsland zou worden. In Berlijn werd een centraal islamitisch instituut opgericht. Progagandaminister Joseph Goebbels liet dag- en weekbladen al voor de oorlog weten dat iedere kritiek op de islam ‘ongewenst’ was. Overeenkomsten tussen joden en moslims (verbod op het eten van varkensvlees, besnijdenis) moesten worden verzwegen.

Anderzijds probeerde ook Sovjetleider Stalin de moslims ervan te overtuigen dat het communisme geenszins in strijd was met de Koran, hoewel de Sovjet-Unie voordien drastische maatregelen had genomen om de godsdienst, dus ook de islam, uit te roeien. De nazi-propaganda slaagde er evenwel niet in in Noord-Afrka en het Midden-Oosten een opstand tegen de geallieerden (vooral Groot-Brittannië) uit te lokken. In Egypte was de Moslimbroederschap daarentegen wel gevoeliger voor de oproep tot verzet tegen het Britse imperialisme. Daarnaast dient gezegd dat in Noord-Afrika, het Midden-Oosten en Azië duizenden moslims aan de zijde van de Britten vochten.

Geen moslimstaat

In de Caucasus en op de Krim werden de Duitse troepen verwelkomd, omdat ze een einde maakten aan het Sovjet-bewind. Toch was de Duitse bezetting van de Caucasus van korte duur. Vanwege het oprukken van de partizanen wierpen de Duitsers eind 1943-begin 1944 brandbommen op meer dan honderd dorpen op de Krim, waardoor de geestdrift van de plaatselijke bevolking voor de nazi’s vlug bekoelde. Na de terugtreking van de Duitsers, werd de moslimbevolking uit de Caucasus en de Krim door Stalin verplaatst, omdat hij ze als landverraders beschouwde.

Ook in het zogenaamde ‘Ostland’ (Polen, Litouwen, Estland en Wit-Rusland) probeerden de nazi’s de moslims voor zich te winnen. Toen de Duitse troepen in de lente van 1941 Joegoslavië binnendrongen werden ze enthousiast onthaald door de moslimbevolking die zich onderdrukt voelde door de orthodoxe Serviërs. In Bosnië en Herzegovina probeerden de nazi’s zich voor te doen als de beschermers van de islam. Dat charmeoffensief viel samen met de oprichting van een SS-moslimdivisie. De moefti van Jeruzalem werd toen naar de Balkan gestuurd voor een grote propagandatournee.

De nazi’s slaagden er evenwel niet in de moslimregio’s te pacificeren. Een verzoek om in de Balkan een moslimstaat op te richten die Kosovo, Bosnië, Herzegovina en Albanië zou omvatten, werd door de Duitsers onmiddellijk afgewezen. Toen de militaire situatie in de winter van 1943-1944 aanzienlijk verslechterde voor de Duitsers, liepen vele moslims over naar de partizanen van Tito. Dat lokte wreedaardige wraakacties vanwege de nazi’s uit. Over het algemeen bleven de moslimsoldaten tot het einde van de oorlog op alle fronten aan de zijde van de nazi’s strijden. Pas vanwege de chaos van de laatste oorlogsmaanden besloten velen te deserteren.

Nuttige collaborateurs

De Tweede Wereldoorlog kostte vele duizenden moslims het leven, maar de meeste nazi’s die verantwoordelijk waren voor de moslimpolitiek brachten het er goed van af. De architect van dit beleid, Werner von Hentig, mocht na de oorlog rustig op het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken blijven werken. De eerste naoorlogse kanselier van de Bondsrepubliek Duitsland, de christendemocraat Konrad Adenauer, zag er trouwens geen graten in dat tal van nazi’s in de administratie, het leger, het gerecht enz. actief bleven. Vele moslimcollaborateurs namen de benen. De moefti van Jeruzalem, Al-Hoesseini, kwam via Bern en Parijs uiteindelijk in Caïro terecht.

Na de oorlog vond de Duitse overheid het nodig een nieuwe moslimorganisatie op te richten. Niemand minder dan Nourredin Namangani, voormalige imam van het SS-moslimregiment voor het Oosten, werd aan het hoofd van die organisatie benoemd. In de jaren vijftig kwam er een nieuwe moslimorganisatie van Arabische studenten bij die sympathiseerde met de Moslimbroeders. Nadien werd de ‘Islamitische Gemeenschap in Duitsland’ opgericht. Haar voorzitter was ene Ali Ghaleb Himmat die na de aanslagen van 11 september 2001 door de Verenigde Naties op een lijst van verdachte leden van Al-Qaïda werd geplaatst.

Vanzelfsprekend lieten de Verenigde Staten, die onmiddellijk na de oorlog met nazi’s en nazi-collaborateurs samenwerkten, hun oog op moslimcollaborateurs vallen. Die werden onder meer medewerkers van de Amerikaanse propaganda-radiozenders Radio Liberty en Radio Free Europe. De VS zochten ook vlug contact met de Egyptenaar Saïd Ramadan, schoonzoon van de stichter van de Moslimbroederschap en een van de actieve Arabische studenten in Duitsland. In 1966 meldde de Zwitserse overheid dat Ramadan zowel met de Britten als met de Amerikanen samenwerkte, ‘omdat hij zonder enige twijfel een anti-communist is en de communistische infiltratie in de Arabische wereld bestrijdt’. Ramadan werd op 23 september 1953 zelfs door de Amerikaanse president Dwight Eisenhower in het Witte Huis ontvangen. Eisenhower pleitte in 1957 voor een jihad tegen de Sovjet-Unie.

In de hele wereld steunden de VS politieke islamitische groeperingen, zoals de Moslimbroeders, en moslimlanden zoals Pakistan. President Eisenhower deed al het mogelijke om Saoedi-Arabië te steunen in zijn strijd tegen zowel de Sovjet-invloed als tegen het ongebonden regime van de Egyptische president Nasser. Het wahabisme, de strikte interpretatie van de islam die nu zo verketterd wordt, werd door Washington gesteund. Zo droegen de VS financieel bij tot het uitbouwen van de nodige infrastructuur in Mekka om de pelgrims te ontvangen. Wie daar goed bij vaarde was de familie Ben Laden, actief in de bouwsector. De strijd tegen de Sovjet-Unie brachten de VS, onder leiding van president Carter, ertoe hun steun te verlenen aan de moedjahidin die in Afghanistan de Sovjet-Unie bestreden. Oessama Ben Laden, zoon van de Saoedische immobiliënkoning, opende een bureau voor de opleiding van buitenlandse vrijwilligers die met de moedjahidin kwamen strijden. Uit dit bureau ontstond in de jaren tachtig Al-Qaïda.

–  –  – 435 blz. – 27,15 euro – Oorspronkelijke titel:

Les musulmans et la machine de guerre nazie
David Motadel
Editions La Découverte
435
Islam and Nazi Germany's War- Harvard University Press