Lichte tred, maar eerder zware pen

Facebooktwittergoogle_plusmail

Met ‘Met lichte tred’ heeft de lezer een rijk instrument in handen dat hem via de filosofisch-antropologische adem van zijn auteur de wereld van de wandelaar binnen voert. Wie echter, zoals de titel doet vermoeden, dat hoopt met lichte tred te kunnen doen komt zeker wat bedrogen uit, want Ton Lemaire schrijft geen lichtvoetige cursiefjes, maar stevig doorwrochte stukken waarvoor je een goed leesbrilletje nodig hebt.

De antropoloog en filosoof Ton Lemaire (°1941) is, evenals zijn leeftijd- en vakgenoot Hans Achterhuis, een van de boeiendste figuren van zijn generatie. Al vanaf de jaren zestig publiceert hij met de regelmaat van een klok over vaak zeer uiteenlopende onderwerpen. Op mijn rekken zie ik ‘De tederheid’ (1968), ‘Filosofie van het landschap (1970), De indiaan in ons bewustzijn’ (1986), ‘Twijfel aan Europa’ (1990), ‘Wandelenderwijs, sporen in het landschap’ (1997), ‘De leeuwerik’ (2004) en ‘Op vleugels van de ziel’ (2007) staan. Sinds zijn verhuis naar Savignac de Miremont, zijn vaste woonplaats op het Franse platteland, schreef Lemaire, waarschijnlijk in gezelschap van zijn honden, kippen en bijen, ook ‘De val van Prometheus’ (2010), ‘Het lied van Hiawatha’ (2013), ‘Verre velden’ (2013), ‘Mettertijd’ (2015), ‘Onder dieren ( 2017) en nu verschijnt er alweer een nieuwe publicatie van hem waarin hij een boekje opendoet over ‘de wereld van de wandelaar’, tevens de ondertitel van het boek.

Wandelen in leven en tijd

Ton Lemaire is al levenslang een verstokte wandelaar. Al stappend denken over mens en natuur deed hij al eerder in ‘Wandelenderwijs’, een titel die je ook kunt lezen als wijzer worden door wandelen. Nu, meer dan twintig jaar later, herneemt hij dat thema maar, zoals hij in zijn inleiding schrijft, met een verschillend opzet en vanuit een ander perspectief. Met ‘lichte tred’ is niet alleen een hommage aan het wandelen, maar is tevens een doorlopen van zijn eigen levensloop én van zijn denken over mens en natuur. Op die manier krijgt de lezer een dubbele inhoud voorgeschoteld, met name een ‘wandeling’ door de westerse cultuurgeschiedenis en door Ton Lemaires eigen leven en denkgang die cirkelt rond de vraag wat het tegenwoordig betekent om ‘modern’ te zijn.

Romantiek en verlichting

Het opmaken van een winst- en verliesrekening van de moderne tijd, dat is het ecologisch-filosofisch thema waarmee Ton Lemaire al heel lang bezig is. Onder meer in ‘De val van Prometheus’ waarin hij het heeft ‘over de keerzijde van de vooruitgang’.

‘De erfenis van de verlichting én van de romantiek kunnen naast elkaar voortleven als kennelijk de januskop van de moderniteit.’ Dat is zijn stelling en die ontwikkelt hij nogmaals verder in ‘Met lichte tred’. ‘In onze samenleving zijn we ertoe veroordeeld te leven in een zekere gespletenheid, met zowel de erfenis van de verlichting als die van de romantiek in een onderling spanningsveld.’ (p. 225)

Volgens Lemaire zijn veel componenten van de romantiek blijvend deel gaan uitmaken van ons modern mens- en wereldbeeld. Bij de verlichting overheerst dan het universele, bij de romantiek het specifieke. Die dubbelheid en ambivalentie van de moderniteit en vooruitgang worden goed zichtbaar in de wereld van het toerisme die een ravage aanricht in steden en streken die lijden onder de toeloop van hordes toeristen. In deze passages over toerisme is Lemaire op zijn best, vooral dan als hij de eigen positie op een eerlijke manier erbij betrekt. ‘Ik behoor tot die categorie toeristen die het niet leuk vinden om andere toeristen tegen te komen. Ik ben onvermijdelijk ook een toerist maar met een schuldgevoel en ik vlei me met de gedachte dat ik behoor tot een apart slag toeristen dat ontsnapt aan allerlei negatieve kanten van het toeristendom.’ (p. 148)

 Tegen de haast

Het rustige tempo van de wandelaar is volgens Lemaire een mooi voorbeeld van ‘onthaasting’. ‘In een wereld die gedreven wordt door een algehele versnelling kan men toch openstaan voor de genoegens van de traagheid en daarmee rekening houden met de maat van ons organisme.’ (p. 15) Het meest concrete en elementaire contact met de aarde is die met de voeten. ‘Alleen met de voeten kunnen we de aarde zelf voelen en bevestigen zodoende al lopend de aarde als dragende grond’ (p. 91)

In deze passages treedt de maatschappijkritische Lemaire op de voorgrond die zich afzet tegen de grove en luidruchtige omgang met de wereld door machines, auto’s en vliegtuigen terwijl de altijd lichte tred van onze voetstappen slechts een kleine voetafdruk achterlaten. Vandaar dat volgens hem de ware wandelaar een anarchistische inslag heeft omdat hij/zij een grote reserve koestert tegenover de gevestigde samenleving met haar instellingen en conventies en er innerlijk los van staat. Ton Lemaire is ervan overtuigd dat wandelen bij uitstek kan bijdragen tot levensvreugde en daarom een component kan zijn van de levenskunst. ‘Alsof de wereld even in harmonie verkeert, alsof er geen tegenstelling meer bestaat tussen jezelf en het landschap, en de dag een zekere perfectie vertoont, zoals in het vers waarmee een gedicht van Ida Gerhardt begint: ‘Het landschap had ons opgenomen/de dag heeft helder ons behoord.’ (p. 211)

Niet lichtvoetig

‘Met lichte tred’ is opgebouwd uit een zeventigtal kleine stukjes die geclusterd werden in veertien hoofdstukjes die allemaal aspecten van die edele activiteit die ‘wandelen’ heet, behandelen. Even een korte bloemlezing. Na een stevige ‘Bij wijze van aanloop’ met als prikkelende titel ‘Lopen als doel op zich’ gaat de auteur ‘Naar buiten’ o.a. naar het woud van Fontainebleau, maar dan duikt hij al snel het ‘Realisme en romantiek’ binnen met J.J. Rousseau als hoofdfiguur. Vervolgens gaat hij op stap in Duitsland met Goethe en veel Wanderlust en andere romantische zwervers. In een volgende hoofdstukje clustert hij de fervente wandelaars Wordsworth en Thoreau en dan tekent hij ‘Het wandelen ten voeten uit’. Ook het ‘Onderweg’ zijn komt aan bod voor hij afdwaalt naar ‘Wandelen in de tuin’ en nadien gaat hij ‘Slenteren in de stad’. Ook ‘Pelgrims, toeristen, vluchtelingen’ – toch wel heel aparte categorieën van ‘wandelaars’ – komen aan bod. Lemaire duikt niet alleen de geschiedenis in, maar ook de reisliteratuur met ‘Verre voettochten’ naar de uithoeken van de wereld. Ook het lot van ‘de bedreigde voetganger’ komt aan bod en naar het einde toe zingt hij de ‘Lof van het lopen’ en ‘De kunst van  het wandelen’.

Op het einde van de rit heeft de lezer dus een meer dan behoorlijk stukje westerse geschiedenis meegekregen, met accent op verlichting en romantiek, maar zijn er ook heel wat boekenkasten met reisliteratuur/lectuur en poëzie de revue gepasseerd. Met ‘Met lichte tred’ heeft de lezer een rijk instrument in handen dat hem via de filosofisch-antropologische adem van zijn auteur de wereld van de wandelaar binnen voert. Wie echter, zoals de titel doet vermoeden, dat met lichte tred zal doen komt zeker wat bedrogen uit, want Ton Lemaire schrijft geen lichtvoetige cursiefjes, maar stevig doorwrochte stukken waarvoor je een goed leesbrilletje nodig hebt.

 

 

Met lichte tred, de wereld van de wandelaaar
Ton Lemaire
Ambo/Anthos Amsterdam
2019
252 blz.
9789026347870
Borgerhoutenaar Walter Lotens (°1942) noemt zich een glokale burger. Deze gepensioneerde leraar, mede-oprichter van de Actiegroep Kritisch Onderwijs (AKO), moraalwetenschapper, publicist en Latijns-Amerikawatcher schreef voor LA Chispa, een Nederlandstalig magazine over Latijns-Amerika en de Cariben, het Belgische De Reiskrant en voor de Surinaamse krant “De Ware Tijd” en nu voornamelijk voor de webzine voor internationale politiek uitpers.be, waarin hij niet alleen uitvoerig aandacht besteed aan Latijns-Amerika, maar ook aan het Antwerpse mobiliteitsdossier.