De bom

Edgar Sengier, Union Minière (Wikimedia Commons)
Facebooktwittergoogle_plusmail

6 augustus 1945, 74 jaar geleden, bracht de VS een uraniumbom tot ontploffing boven Hiroshima. Op 9 augustus ontplofte een plutoniumbom boven Nagasaki. Meer dan 200.000 mensen werden levend verbrand door de vuurzee die op de ontploffing volgde. Daarna vielen nog ‘s zo’n 130.000 doden door de nucleaire straling. De bommen hadden geen concreet en direct militair doelwit. Ze moesten de vernietigingskracht van het nieuwe wapen aan de hele wereld tonen, in het bijzonder aan de Sovjet-Unie. (zie Hiroshima en Nagasaki, een oorlogsmisdaad van A.U.). Het uranium dat gebruikt werd voor de ontwikkeling van de nucleaire bommen kwam hoofdzakelijk uit de Belgische kolonie Congo. Hieronder volgt een kort uittreksel uit het boek “Als de Navo de passie preekt” dat Ludo De Brabander en ikzelf 10 jaar geleden geschreven hebben.

Eind 1938 ontdekten Duitse wetenschappers dat uranium splijtbaar is. Er volgenden verdere experimenten onder meer door Otto Frisch en Rudolf Peierls, waaruit bleek dat bij de splijting van een uraniumkern een kettingreactie ontstond die gebruikt kon worden om een ontzettend destructief wapen te ontwikkelen. Tegen het einde van 1939 onderzochten wetenschappers in Amerika de mogelijkheid om een gecontroleerde kettingreactie op gang te brengen.

Op 11 oktober 1939 zette president Roosevelt een adviserend comité aan het werk voor het gebruik van uranium en kwam het atoomsplitsingsonderzoek in een stroomversnelling. Op 13 augustus 1942 richtte het Amerikaanse geniekorps een nieuwe subdivisie op: het Manhattan Engineer District (MED). Binnen de nieuwe subdivisie werd een prestigieus project opgezet het zogenaamde Manhattan Project, dat de ontwikkeling beoogde van een atoombom die gebruikt maakte van een gecontroleerde kettingreactie. Dat project leidde uiteindelijk tot de aanmaak van de twee atoombommen die in 1945 werden ingezet tegen Japan. Men beschikte in 1942 slechts over een kleine voorraad uranium in Canada. De enige direct beschikbare beschikbare grote bron uranium (1250 ton) behoorde toe aan African Metals (de Amerikaanse branche van Union Minière) op Staten Island. Kolonel Nichols van het MED nam prompt contact op met de topman van Union Minière, Edgar Sengier, met wie hij een akkoord afsloot. De VS zou al het erts kopen in de loods op Staten Island en kreeg de eerste optie op 1000 ton die nog opgeslagen lagen in Congo. Van al dat uranium dat gebruikt werd in het Manhattan Project was niet minder dan 75 procent afkomstig uit de Shinkolobwe-mijn (Union Minière) in de Belgische kolonie Congo.

In 1942 lag de nadruk bij de Amerikanen nog op het vergaren van uranium voor gebruik tijdens de oorlog. Een jaar later hadden ze de naoorlogse machtsbalans al in gedachten, en daarvoor wilden ze een zo groot mogelijk greep op de globale uraniumvoorraden. Ze drongen er bij Sengier op aan om de Shinkolobwe mijn te heropenen en de volledige opbrengst ervan te reserveren voor de VS. Wat in feite neerkwam op een contractueel voorrangsrecht op alle transacties van Union Minière met derden. Sengier weigerde de Amerikanen dit first refusal recht te geven. In een poging de druk op Sengier op te voeren en zo meer controle te krijgen op zijn uranium, schakelden de VS de Britten in. Londen had goede banden met de Belgische regering en bovendien was 30 procent van de aandeelhouders van Union Minière Brits.

Via de Belgische oorlogsminister van Financiën, Camille Gutt, die al vele jaren nauwe contacten onderhield met de Britten, hoopte men snel vooruitgang te kunnen boeken. Op 23 maart 1944 werd hij ingelicht over het belang van het atoomonderzoek, waarvan de resultaten in geen geval in verkeerde handen mochten vallen. Gutt protesteerde toen hij vernam dat de Britse en Amerikaanse overheid de volledige controle over het uranium wilden, maar hij kreeg al snel de verzekering dat beide regeringen niets zouden ondernemen wat de soevereiniteit van België zou kunnen schaden. Alvorens te beslissen, overlegde Gutt met enkele collega-ministers; zo werden eerste minister Hubert Pierlot, minister van Buitenlandse Zaken Paul Henri Spaak en minister van Koloniën Albert de Vleeschauwer in de onderhandelingen betrokken. De ministers beslisten positief te reageren op de Brits-Amerikaanse vraag maar stelden twee voorwaarden. Ten eerste moest de Belgische regering op de hoogte gehouden worden van alle ontwikkelingen die die het Brits-Amerikaanse onderzoek opleverde, uitgezonderd de ontwikkelingen die militair geheim waren, zijnde het maken van een atoombom. Ten tweede moesten de voorwaarden van de overeenkomst overeenstemmen met de eisen van Union Minière wat betreft de prijs en de levering. Die twee voorwaarden vinden we ook terug in het uiteindelijk akkoord.

Een toemaatje nog. Diverse bronnen spreken over schriftvervalsing bij het afsluiten van dit akkoord. Het zou met name geantedateerd zijn. Minister De Vleeschauwer zou bij de ondertekening op 11 oktober 1944 aan de Britten en Amerikanen gevraagd hebben om het document te dateren op 26 september 1944, één dag voor de bijeenroeping van het Belgische Parlement na de bevrijding. Op die manier wou men het akkoord en de verschillende bepalingen ervan (prijs, hoeveelheden, begunstelingen etc) geheim houden, en kon de regering het bestaan ervan blijven ontkennen tegenover het parlement.

Zie ook:
Ludo De Brabander en Georges Spriet. Als de Navo de passie preekt, EPO 2009
Jean Pierre Van Rossem. Belgisch uranium voor de eerste Amerikaanse en Russsiche atoombommen. Van Halewijck 2011
Luc Barbé. België en de bom. De rol van België in de proliferatie van kernwapens. (www.lucbarbe.be/sites/default/files/boek/files/Belgie-en-de-bom.pdf) 2012
Gilles Verbeke. Belgische betrokkenheid in de ontwikkeling van de atoombom. 2005