Hoe absurd en crimineel de arbitrage met arme landen kan zijn

Facebooktwittergoogle_plusmail

Het wordt zo vaak gevraagd. Wat is er nu zo erg aan CETA, het handelsverdrag met Canada? En waarom is die deal met Mercosur ook fout? Je kan dan antwoorden met alle punten van het akkoord die nadelig zijn voor het milieu of sociale rechten in gevaar brengen, maar je kan en moet vooral antwoorden met die beroemde ‘ISDS’ formule: de ‘Investor State Dispute Settlement’ of de geschillenregeling voor multinationale bedrijven.

Grote bedrijven kunnen Staten namelijk aanklagen en voor een privé-rechtbank brengen, een zogenaamde arbitrage, wanneer ze van oordeel zijn dat hun belangen geschaad worden. Beslist een regering een minimumloon in te voeren, bijvoorbeeld, zoals in Egypte, dan kan een internationaal bedrijf dat in Egypte werkt, de regering dagen. Of wanneer Duitsland beslist af te zien van kernenergie, dan kan een Zweeds bedrijf dat kerncentrales bouwt de regering dagvaarden voor het schenden van eerder gemaakte akkoorden.

Het wordt al lang en terecht aangeklaagd door vakbonden en andere sociale bewegingen.

Een zeer recent voorbeeld toont eens te meer aan hoe absurd en crimineel dergelijke procedures kunnen zijn.

In 1993 werd en akkoord afgesloten tussen de Ontwikkelingsautoriteit van Beloetsjistan (Pakistan) en het Noord-Amerikaanse BHP. Ze vormen een joint venture, de Chagai Hills Exploration (Chejva). Het akkoord was dat naar goud en koper zou gedolven worden in Reko Diq.

In 2000 sticht BHP Tethian Copper Company, een joint venture tussen het Chileense mijnbouwbedrijf Antofagasta en het Canadese Barrick Gold Corporation, als Pakistaans dochterbedrijf. In 2006 treedt dit toe tot Chejva.

Om een lang verhaal kort te maken, blijkt dat van Pakistaanse kant het akkoord werd ondertekend door een gepensioneerd militair die tijdelijk aan de macht was en al eerder veroordeeld werd voor corruptie. Bovendien werden de akkoorden herhaaldelijk gewijzigd, na hun ondertekening, telkens in het voordeel van het buitenlands bedrijf. En hoewel de opbrengst op basis van 25-75 % zou worden verdeeld, beslist Tethian dat de lokale regering uiteindelijk slechts 2 % zou krijgen.

De regering van Beloetsjistan wijst uiteindelijk een vraag om een vergunning van Tethian af. Daarop dient het bedrijf een claim in van 11,43 miljard US$.

In totaal werd voor 220 miljoen US$ geïnvesteerd in het project.

De regering van Beloetsjistan en later het Pakistaanse hooggerechtshof verklaarden de deal onwettelijk en in strijd met de Pakistaanse wetgeving.

De zaak kwam uiteindelijk voor de arbitragerechtbank van de Wereldbank, ICSID, die deze week besliste dat Pakistan het bedrijf een ‘schadevergoeding’ van … 5,976 miljard US$ moet uitbetalen …

Iemand verbaasd?

Sociale bewegingen in Pakistan roepen nu op om deze boete geenszins te betalen. Dit is duidelijk een politiek besluit van de Wereldbank om arme landen af te schrikken en nooit of te nimmer ‘tegen de belangen’ van multinationals op te treden.

 

Francine Mestrum is doctor in de sociale wetenschappen en doet onderzoek naar sociale rechtvaardigheid, ontwikkeling en samenwerking, armoede, ongelijkheid en mondialisering. Zij is voorzitter van het mondiale netwerk van Global Social Justice (www.globalsocialjustice.eu) en werkt momenteel aan een project voor ‘social commons’ (www.socialcommons.eu ) voor een transformatieve en universele sociale bescherming.