Een ander Europa. Hoe dan?

Facebooktwittergoogle_plusmail

In 1993, zowaar al vijfentwintig jaar geleden, organiseerde de burgerbeweging Charta 91 een ‘Europees initiatief’. België zou in dat jaar het voorzitterschap van de EU-Raad van Ministers op zich nemen en na de ‘zwarte zondag’ van 1991 lag de klemtoon op burgerschap en racisme voor de hand. We organiseerden een druk bijgewoonde conferentie in het Europees Parlement, met een eerste deel waarin diverse burgerbewegingen hun bezorgdheid uitten, en een tweede deel waarin de politieke wereld antwoorden gaf. Voor de linkse kameraden was dat echter niet voldoende. Hoewel er behoorlijk veel kritiek op het Europese beleid werd gespuid, wilden ze ook echte anti-stemmen aan het woord laten. Daarom werd, buiten de conferentie, Etienne Balibar uitgenodigd.

De energie van dat groepje ging, zoals gebruikelijk, echter vooral naar het tegenwerken van de conferentie – de vijand van links is altijd het andere links, weet je wel – en de mobilisatie voor de avondlezing van Balibar werd vergeten. De arme man sprak voor een nagenoeg lege zaal.

Het beeld blijft me, tot vandaag, achtervolgen. Het is daarom met veel plezier dat ik de Nederlandse vertaling ben gaan lezen van een aantal recente artikelen van deze Franse filosoof. En met veel plezier vaststel dat zijn standpunten op heel veel vlakken zijn geëvolueerd.

Balibars standpunten kunnen als volgt worden samengevat. De politieke constructie van Europa is onmisbaar in het belang van de bevolking, maar tegelijk is de huidige gedaante ervan onhoudbaar. Er zijn daarom nieuwe grondslagen nodig – ‘een ‘ander’ Europa – wat geenszins betekent dat er tabula rasa moet gemaakt worden om opnieuw te kunnen beginnen. Integendeel, de Europese Unie moet weer aansluiten bij haar oorspronkelijke maar in de tussentijd verwaterde motivatie (p. 19).

De politieke wortels van de EU liggen volgens Balibar in het antifascistisch verzet van de federalistische beweging en later in de soevereiniteitsoverdracht tijdens de Koude Oorlog (p. 29).

Het doel moet zijn een nieuw soort federatie uit te vinden die de nationaliteit niet afschaft en evenmin vervangt, maar de betekenis en functie ervan verandert in het kader van een gedeelde soevereiniteit (p. 25).

We hebben daarom niet zozeer een nieuwe Jean Monet, Charles de Gaulle of Willy Brandt nodig, maar een Altiero Spinelli en een nieuw Manifest van Ventotene (p. 29).

Het meest coherente plan wordt volgens hem momenteel vertolkt door de Franse President Macron, omdat dit terug gaat naar de ideeën over een ‘kerneuropa’ van Schäuble en Lamers van 1994 (zie hier). Het sluit ook aan bij wat Thomas Piketty momenteel verdedigt.

Demos, democratie en legitimiteit

De verschillende hoofdstukken van het boek behandelen een paar kernproblemen van de huidige EU.

Balibar stelt vast dat de regeringen de communautaire instellingen gebruiken wanneer ze daar belang bij hebben, om politieke keuzen die ze zelf maken als technische geboden voor te stellen. Maar van zodra er een transnationale publieke sfeer kan ontstaan die hen het monopolie afneemt, slaan ze alarm. Zij zijn het dus die het ontstaan van een Europese demos tegen houden en op termijn leidt dit onvermijdelijk tot een verlies aan legitimiteit.

Europa heeft geen andere keuze dan het uitvinden van een grondwettelijke structuur om nieuwe vormen van politieke participatie mogelijk te maken, of dat dan een federatie wordt dan wel een andere naam krijgt (p. 73). Geen enkele strategie voor een ‘ander Europa’ is mogelijk zonder verandering van de structuren, met name voor de collectieve besluitvorming (p. 184).

We moeten af van het gevecht tussen het ‘soevereinistische‘ en het ‘federalistische’ discours. Dat zijn twee even fictieve situaties (p. 84). Het Europese politieke stelsel, hoe incoherent ook, is nu al een gemengd stelsel, met verschillende verantwoordelijkheids- en gezagsniveaus. Het is veel federaler dan de meesten denken, en veel minder democratisch dan het pretendeert te zijn. De enige reële soevereiniteit is gedeelde soevereiniteit (p. 204).

Vandaar dat er enkele moeilijke vragen moeten gesteld worden over legitimiteit en democratie, want het is slechts zelden dat democratische procedures tot legitimiteit leiden, wel integendeel. Ook de natievorm heeft lang geen legitimerend vermogen meer. Noch nationaal, noch Europees is er nog enige bereidheid te vinden om een degelijk sociaal contract met de burgers af te sluiten. Vandaag wordt de democratie op alle niveaus ondermijnd en enkel het effectieve verzet daartegen kan leiden tot het ontstaan van een echte demos.

Dat betekent in de eerste plaats dat er een Europees debat moet kunnen gevoerd worden over de contradicties van het huidige Europa. Vandaag zien we echter vooral nieuwe nationalismen ontstaan die worden afgedaan als ‘populisme’. Nationalisme is op dit ogenblik het grootste gevaar voor links.

We moeten nadenken over hoe we vorm kunnen geven aan een Europese solidariteit. Zoals de afgelopen jaren herhaaldelijk werd gesteld moet de EU haar burgers kunnen beschermen, en dat kan best met een degelijke verzorgingsstaat, met economische en sociale rechten. Dat is iets anders dan ‘demondialisereing’ en protectionisme, of godbetert, militaire bescherming aan de buitengrenzen van de EU. De keuze is die tussen sociale voorzieningen voor iedereen, inclusief migranten, of nationalisme en opheffing van de Europese gedachte als zodanig (p. 119). Het jus soli moet worden geradicaliseerd en voor heel Europa gelden. Het moet leiden tot een Europees burgerschap, gekoppeld aan effectieve rechten. Sociaal burgerschap is altijd al het hoofdbestanddeel van staatsburgerschap geweest, het kan ook Europees (p. 160).

Toch zou het fout zijn de te voeren sociale strijd in Europa louter te zien als een klassenstrijd. De massa is namelijk onderdeel geworden van het financieel kapitalisme, niet enkel op de arbeidsmarkt, maar ook met de rol en het lot van pensioenfondsen. Er is geen ‘buiten’ meer in de relatie tussen de belangen van het kapitaal en die van de bevolking. Dat betekent niet dat er geen conflicten zijn, wel dat de tegenstellingen dwars door de activiteiten- en consumptiepatronen heen lopen. Het is dus niet een strijd tussen twee bestaande groepen, maar tussen mogelijke manieren om de belangen van individuen te collectiviseren (p. 45).

Solidariteit tenslotte, vereist ook fiscale harmonisatie en transfers tussen de landen. Slechts op die manier kan een Europees ‘volk’ ontstaan dat een demos kan zijn. Het vreemde is dat we denken te weten wat democratie en legitimiteit en demos zijn, maar niet weten hoe dat te organiseren op een ander vlak dan dat van de natiestaat.

Alternatieven

Wat we nodig hebben is een andersglobalistisch Europa. De leidende positie moet worden ingenomen door een ‘partij van Europa’, niet een klassieke partijvorm, maar een brede beweging die niet georganiseerde en heterogene krachten kan aanspreken.

De constructie van Europa biedt steeds weer alternatieven. Maar het vermogen die kansen te grijpen, hangt af van krachten en inzichten die zich niet altijd op het juiste moment voordoen (p. 79).

Sommige zaken zijn inderdaad onomkeerbaar. Een terugkeer naar vroeger is niet meer mogelijk. Het idee van een terugkeer naar onafhankelijke nationale staten is een gevaarlijke mythe (p. 186). Zich onttrekken aan de globalisering is niet mogelijk.

Onze toekomst speelt zich onvermijdelijk af in een Europees kader. Europa moet worden gereconstrueerd als een federatie van verschillende naties die niet zijn te herleiden tot één model, maar wel zijn bevrijd van de mythe van soevereiniteit. Het zijn naties die elkaars creativiteit en vermogen tot uitwisseling over en weer steunen. Dit is onze eigen verantwoordelijkheid en onze gezamenlijke taak. We moeten de onmacht overwinnen. Anders blijven we gevangen zitten in spookbeelden en zijn we marionetten van onze eigen denkbeeldige geschiedenis (p. 107).

Amen.

Ik wil dit boek zeer sterk aanbevelen aan iedereen die eerlijk wil nadenken over hoe het verder moet met de EU. Het is wel even doorzetten want Frans filosofisch taalgebruik kan in een Nederlandse vertaling wel wat zwaar over komen.

 

 

Voor een ander Europa. Essays, lezingen, stellingen
Etienne Balibar
Octavo / verdeeld door EPO
2019
Europe, crise et fin?
Walter van der Star, Hans Venema en Nele Ysebaert
Francine Mestrum is doctor in de sociale wetenschappen en doet onderzoek naar sociale rechtvaardigheid, ontwikkeling en samenwerking, armoede, ongelijkheid en mondialisering. Zij is voorzitter van het mondiale netwerk van Global Social Justice (www.globalsocialjustice.eu) en werkt momenteel aan een project voor ‘social commons’ (www.socialcommons.eu ) voor een transformatieve en universele sociale bescherming.