Het drama van Nicaragua en Amaya Coppens

Free Amaya Coppens SOS Nicaragua (Facebook)
Facebooktwittergoogle_plusmail

 

24 jaar is ze nu, de Nicaraguaans-Belgische studente geneeskunde die op 10 september 2018 in haar woonplaats Estelí gearresteerd werd op beschuldiging van terreurdaden tegen de Nicaraguaanse staat. Op 11 juni, negen maanden later werd zij samen met tientallen anderen vrijgelaten.

Amaya, dochter van een Belgische vader, de socioloog Federico Coppens en een Nicaraguaanse moeder, Tamara Zamora, die in Nicaragua woont en studeert, werd ervan beschuldigd dat ze een van de aanvoerders was van betogingen in de stad León. Na haar vrijlating zei ze onder meer dat ze niet de minste steun had ontvangen van de UNAN in León waar zij geneeskunde studeerde. Integendeel. ‘Al de tweede dag van de protesten verplichtte de universitaire overheid de studenten deel te nemen aan de gewelddadige tegenbetogingen die de regering organiseerde,’ aldus Coppens. ‘Wie niet deelnam aan de tegenbetogingen, moest zich uitschrijven (…) Ik zat in het vijfde jaar geneeskunde, maar ik besloot voor een belangrijkere taak te kiezen. Ik heb mijn sociaal engagement getoond. Vanaf dat moment tot vandaag blijf ik strijden voor de rechten van mijn landgenoten.’ [i]

Het revolutionaire FSLN

 Deze tragische gebeurtenissen hebben ongetwijfeld diep ingehakt in het leven van deze jonge vrouw, maar ze zijn allicht even tragisch voor wat zich in het Nicaragua van de voorbije veertig jaar heeft voorgedaan. Dat tijdsperspectief heeft Amaya natuurlijk niet – zij is geboren in 1995, op een ogenblik dat het revolutionaire sandinisme van de jaren tachtig haar regeringsmacht al vijf jaar verloren had. Vanaf 19 juli 1979 – de datum dat de zegevierende sandinisten Managua innamen en de gehate dictator Somoza naar de VS was gevlucht –  ontdekte Westers links die obscure Midden-Amerikaanse bananenrepubliek die Nicaragua heet: een klein landje met een overjaarse dictator en een dynamische, revolutionaire bewe­ging in de achtertuin van de yankees. De sandinistische guerrilleros die triomfantelijk Managua binnenreden, vormden een sympathiek en bont allegaartje van meer marxistisch-leninistisch georiënteerden en meer christelijk personalistisch geïnspireerden.  Twee comandantes, Tomás Borge en Ernesto Cardenal samen in de rood-zwarte kleur van het fsln. Dat was voor de internationale solidariteitsbeweging het symbool en de grote aantrekkingskracht van wat er toen in Midden-Amerika gebeurde. Een revolutie met een menselijk gelaat vraagt om een gelijkaardige solidariteitsbeweging. In goede en in kwade tijden. Zeker voldoende ingrediënten om politiek attractief te zijn. Dat vond ik, en vele van mijn gelijkgezinde generatiegenoten ook, en we trokken met veel overtuiging naar Nicaragua als vrijwilliger, als brigadist, als journalist of gewoon als sympathisant om de revolutie te steunen. Le fond de l’air est rouge, maar misschien toch iets meer onder een tropenhemel…

Verschillende keren stond ik samen met andere brigadisten op de Plaza de la revolución in Managua en wij begroetten telkens enthousiast de negen comandantes en dan voornamelijk de kleine, besnorde Daniel Ortega, toen de onbetwiste leider van het FSLN. Voor ons was ‘Nicaragua laat je niet los’ veel meer dan een slogan op een T-shirt. Ook in België was de solidariteit met Nicaragua groot en  breed verspreid. Het Cetri (Centre tricontinental) is lange tijd een van de studiecentra geweest van de sandinistische revolutie. Het centrum heeft in 1989 zelfs het bezoek van president Daniel Ortega mogen ontvangen en zijn stichter, François Houtart, is verscheidene keren onderscheiden door het bevriende land. Een monumentaal werk van de oud-sandinistische minister van Cultuur, de priester, dichter en beeldhouwer Ernesto Cardenal, staat nog steeds voor het kantoor van Cetri in Louvain-la-Neuve: de Zanatillo (een vogel), symbool van de emancipatie van de Derde Wereld.

Een verwaterde revolutie

 Na de cambio, de zeer nipt verloren verkiezingen van 1990, kwam er snel sleet op de internationale solidariteitsbeweging. Toen ik in 1991 en 1996 (Amaya was een jaar eerder geboren) het land opnieuw bezocht om over het post-sandinistische tijdperk een boek te schrijven, kwam ik terecht in een verwaterde revolutie. [ii] De internationale pers had Managua verlaten. Alleen mensen zoals mijn oude vriend, de journalist Jan Van Bilsen, woonde er nog. Het was voor mij een periode om zelfkritisch terug te blikken op de jaren tachtig en op de internationale solidariteitsbeweging.

Het tijdperk van de hooggespannen revolutionaire verwachtingen was ondertussen voorbij. De Grote Verhalen hadden bij heel wat militanten ook voor de Grote Kater gezorgd. Zeker dan bij die mensen die erg gevoelig waren voor het zogenaamde verlossingsparadigma waarbij wordt vertrokken van een sterk vereenvoudigd beeld van de werkelijkheid. Het heroïsche ‘Socialisme of de barbarij van het fascisme’, maar ook patria libre o morir zijn voorbeelden van het zwart-witkarakter en van de hang naar het absolute waarbinnen dit denken moet begrepen worden. Een Messiaanse eschatologie is niet vreemd aan dit paradig­ma. Volgens de Nederlandse filosoof Hans Achterhuis kon het overheersende intellectuele klimaat van de jaren zeventig en tachtig zonder meer als utopisch worden beschouwd. ‘Het kwade lag steeds in de eigen samenleving waarover apocalyptische voorstellingen over onrecht, ongelijk­heid, onderdrukking en uitsluiting ontwikkeld werden, het goede werd elders gezocht en gevonden… Omdat men geloofde dat daar het goede absoluut aanwezig was, dat daar de nieuwe mens in een groot moreel experiment gecreëerd werd, leverde men zich er veelal met huid en haar aan over.’[iii]

Een dergelijke houding leidt tot de cultus van een mogelijke mens, die een drastische negatie is van de concrete mens. De ideële mens verwarren met de bestaande en dit beeld van de ideële mens bovendien nog cultiveren, is een gevaarlijke vorm van idolatrie die aanwezig is in het verlossingsparadigma. De linkerzijde zou na de cambio waarschijnlijk veel minder teleurgesteld geweest zijn over de kleinmenselijke reacties van sommige comandantes en sandinistische leiders wanneer zij deze figuren niet zelf tot het proto­type van de Nieuwe Mens hadden gebombardeerd.

De metamor­fose van een aantal sandinisten van het eerste uur kwam het best tot uiting in het nieuwe optreden van Daniel Ortega. De militair en guerrillero – Salman Rushdie noemde Ortega ooit een boeken­wurm die een cursus bodybuilding had gevolgd – was tot mijn grote verbazing in 1996 bijna een Getuige van Jehova geworden. Een oudere man in wit over­hemd, met zalvende stem en een discours waarin God nooit ver weg was. Zijn echtgenote, ooit de combattieve feministische dichteres Rosario Murillo, was toen al een eerbiedwaardige huismoeder gewor­den. Het FSLN overleefde de cambio niet zo goed. Daniel Ortega had na de verkiezingsnederlaag van 1990 het partijapparaat van het FSLN volledig naar zijn eigen hand en belangen gezet in plaats van de partij te democratiseren. Belangrijke figuren als Sergio Ramírez, Gioconda Belli en nog zovele andere sandinisten van het eerste uur verlieten teleurgesteld de partij. Ook Sandino zou zich zeker omgekeerd hebben in zijn graf mocht hij die metamorfose van Ortega zelf meegemaakt hebben.

2006-2021

De jaren negentig waren ontegensprekelijk een dieptepunt voor het sandinisme. Drie keer probeerde Ortega ‘desde abajo’ (van onderuit) aan de macht te komen, maar zowel in 1990 (tegen Violeta Chamorro) als in 1996 (tegen Arnoldo Aleman) als in 2001 (tegen Enrique Bolaños) moest hij het onderspit delven. Vanaf de 21ste eeuw keerden zijn kansen en kon hij sinds 2006 non stop maar desde arriba (van bovenuit) Nicaragua besturen.

Maar die verkiezingen en zijn herverkiezingen waren ook verre van onbesproken. In strikt electorale termen heeft Ortega zijn overwinning van 2006 met 38 procent van de stemmen behaald, dank zij een eerste grondwettelijke hervorming (waardoor hij bij de eerste ronde met meer dan 35 procent van de stemmen tot president kon worden verkozen) die hij realiseerde via een monsterverbond met Arnoldo Alemán. Deze ultraliberaal, beticht van corruptie, was Nicaraguaans president tussen 1996 en 2001 en kreeg een milde straf van het opperste, maar sandinistisch gezinde gerechtshof. Om zich in 2011 opnieuw verkiesbaar te kunnen stellen – de Nicaraguaanse grondwet verbood dat iemand twee presidentiële mandaten opnam – heeft Ortega op een afwijking kunnen rekenen, toegestaan door hetzelfde opperste gerechtshof. Zijn overwinning in de eerste ronde met een comfortabele meerderheid van 62 procent kwam er echter in een sfeer van electorale onregelmatigheden.

De machtsconcentratie van Daniel Ortega begon vanaf toen steeds grotere vormen aan te nemen. In het vooruitzicht van de presidentiële verkiezingen van 6 november 2016 had het FSLN, dat de nationale assemblée controleerde, elke constitutionele rem opgeheven waardoor iemand ongelimiteerd kon worden verkozen met een eenvoudige meerderheid. In juni van dat jaar maakte het opperste gerechtshof de onafhankelijke liberale partij, de belangrijkste oppositionele tegenkracht, het onmogelijk dat zij een kandidaat voor de volgende verkiezingen voorstelde. Dat gebeurde onder auspiciën van een opperste gerechtshof dat meer dan ooit uit vertrouwelingen van de president bestond die, zoals de president zelf, gekant waren tegen buitenlandse observatoren. Wie werd er in 2016 verkozen tot president en zal tot 2021 zetelen? Jawel, Daniel Ortega. Nicaragua wordt in de beginnende 21ste eeuw gekenmerkt door het ‘orteguisme’.

‘Orteguisme’

 In politieke termen uitgedrukt is het ‘danielisme’ of het ‘orteguisme’, zoals de critici het noemen, geen vervolgverhaal van het oorspronkelijk sandinisme waarvan alleen maar de naam behouden is gebleven. Door allerlei diplomatische toenaderingspraktijken is Daniel Ortega erin geslaagd om zich de steun te verzekeren van sectoren in de maatschappij die hem vroeger vijandig gezind waren, zonder echter zijn populariteit bij het sandinistische volk te verliezen.  Het strafbaar stellen van elke vorm van abortus (inbegrepen bij verkrachting of bij levensgevaar), door het FSLN in 2006 gestemd, heeft de geesten getekend. Het heeft vooral conservatieve christenen aangesproken en niet in het minst de oude kardinaal Obando y Bravo die in 2018 overleed. Deze gezworen vijand van het sandinisme was een geweldige steun voor de familie Ortega, die intussen hun bewijzen van goede gelovigen nog hebben opgestapeld. Het presidentiële koppel is in 2007 voor de kerk getrouwd, nadat zij al 25 jaar samenwoonden en nadat er in die periode sprake tevens is geweest van seksueel misbruik door Daniel Ortega van zijn adoptiedochter. De slogan uit de electorale campagne van 2011 ‘Voor een christelijk, socialistisch en solidair Nicaragua’ wordt sindsdien in elke communicatie van de overheid hernomen.

Ook economisch gezien heeft Daniel Ortega een grote bocht genomen. Internationale financiële organismen, buitenlandse investeerders en het patronaat konden vrede nemen met het orthodoxe bestuur van president Ortega en zijn liberale vice-president Jaime Morales, een oud-bankier en zakenman, verbannen tijdens de revolutionaire periode, ex-leider van de contras en oud-minister onder president Alemán. Samen hebben zij beslist om de bezuinigingsprogramma’s van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbank toe te passen, en ook om de genationaliseerde bedrijven opnieuw te privatiseren. Zij hebben het vrijhandelsakkoord met de Verenigde Staten geratificeerd – de helft van Nicaragua’s handelsbetrekkingen zijn met de VS – opnieuw contacten gelegd met de opperste raad van de privébedrijven (Cosep, de patroonsorganisatie) en zij hebben ook buitenlandse investeringen gedeeltelijk vrijgesteld van belastingen.

Een ‘socialistische leider’ die een diepe gelovige is geworden zowel van de katholieke kerk als van dat andere geloof dat neoliberalisme heet. Is dat een contradictio in terminis? Niet voor Ortega. En ook niet voor een flink deel van de Nicaraguaanse sandinisten – maar wat betekent dit woord nog? – die hem blijven steunen, want Ortega had het geluk om tussen 2007 en 2016 te kunnen regeren in een economisch gunstige conjunctuur. De prijzen van de geëxporteerde grondstoffen waren hoog en Ortega stond – vooral  retorisch – achter het Bolivariaanse project van Hugo Chávez (en Venezuela vooral met veel steun achter Nicaragua), maar ook ten aanzien van het Noord-Amerikaans kapitalisme, zijn belangrijkste afzetmarkt, nam hij een zeer pragmatische houding aan. Onder het ‘orteguisme’ trok de nationale economie sterk aan, maar het land bleef toch, na Haïti, één van de armste van het continent.

Aymara en de ‘Movimiento Estudiantil 19 de Abril’

Maar al vanaf het begin van zijn derde regeringsperiode zakte de conjunctuur in, zowel economisch als politiek. Nicaragua kreeg niet alleen af te rekenen met lagere grondstofprijzen, ook de Venezuelaanse crisis met als gevolg dat de belangrijke financiële steun wegviel – tot dan toe ongeveer een kwart van het nationaal budget dat door de clan van Ortega beheerd werd – en de spanning met de VS sinds het presidentschap van Donald Trump hebben het ‘economische wonder’ en de stabiliteit van de laatste jaren zwaar verstoord.

Daniel Ortega en zijn regering werden verplicht onpopulaire maatregelen door te voeren. In 2018 werd een plan gelanceerd om de sociale zekerheid en het pensioenstelsel te hervormen; een plan dat dadelijk op protest stuitte van een flink deel van de bevolking. In Managua en andere grote steden van het land ontstonden grote betogingen waarbij ook de studentenbeweging zich aansloot.

Zo kwamen Amaya Coppens en haar medestudenten van de Movimiento Estudiantil 19 de Abril’ die de protestbeweging kwamen versterken, in beeld. Tijdens die bewuste aprilmaand van vorig jaar kwam het tot een nooit geziene repressie door een autoritair geworden regime – wat was nog het verschil met de Somozaperiode? – dat alle middelen aanwendde om de weerstand van haar bevolking te breken. De nieuwe generatie Nicaraguanen die de revolutie niet hadden meegemaakt, werden nu geconfronteerd met de verwording ervan. Misschien zijn zij wel de ware sandinisten en is het optreden van de Nicaraguaans-Belgische Amaya Coppens wel een biologische voortzetting van het internationaal ondersteund sandinisme van de jaren tachtig. Zij eisten niet alleen het intrekken van die maatregel, maar ook het aftreden van Daniel Ortega zelf. De gewelddadigheden, uitgelokt door het regime, die daarop volgden hebben niet alleen 325 doden gevraagd, maar ook nog eens een 2000 gewonden. Vreselijke cijfers en dat dan nog voor een piepklein land als Nicaragua. Volgens oppositiebewegingen werden er tussen de 600 en 800 tegenstanders van Ortega gevangengenomen. Daar was ook Amaya Coppens bij.

De overheid beschuldigde haar van terroristische activiteiten, onder meer dat zij een universiteitsgebouw in brand zou hebben gestoken. Na heel veel druk, zowel vanuit het binnenland als vanuit het buitenland – voor België dan voornamelijk het geval-Amaya Coppens – moest de overheid het geweer van schouder veranderen. Op 11 juni 2019 werd er een amnestiewet uitgevaardigd door de Asamblea Nacional, waarin het FSLN een meerderheid heeft, om de gemoederen te bedaren. Amaya Coppens en een vijftigtal andere gevangenen, waaronder ook een aantal journalisten, werden collectief vrijgelaten.

Wat zit daarachter en – vooral – zouden daardoor nu ook de grieven van de burgerrevolte van 2018 verdwijnen? Dat zijn de vragen die Cetri-directeur Bernard Leterme zich stelt in Le Soir van 11 juni 2019. ‘Van de kant van de regering hoopt men dat alles nu blauw-blauw zal worden gelaten. In zekere zin kunnen de politieke gevangenen als pasmunt beschouwd worden in de onderhandelingen met de oppositie.’[iv] Niet met heel de oppositie echter, nuanceert Leterme in dat artikel. Alleen met de patronale vereniging die uit bezorgdheid voor verdere economische schade bereid is geweest om met het regime Ortega-Murillo een dialoog aan te gaan, want uiteindelijk blijven de oorzaken voor de revolte ongewijzigd. De tandem Ortega-Murillo wil in de eerste plaats toegevingen doen om het eigen hachje redden. Zijn de vrijgelaten gevangenen nu ineens geen putchisten meer zoals zij door het regime genoemd werden? Een en ander lijkt meer op een auto-amnestie maatregel van een in het nauw gedreven regering die de sporen van het geweld dat ze zelf heeft uitgelokt met de mantel der liefde wil bedekken. De zeer gelovig geworden tandem Ortega-Murillo zal van die mantel zeker dankbaar gebruik maken, maar intussen blijft Nicaragua dansen op een vulkaan. Dat is al jaren het drama van dit land en nu ook van Amaya Coppens, die echter van plan is om te blijven manifesteren tegen de regering van president Ortega.

Amaya na haar vrijlating: ‘Ik heb heel gelukkig. Het is niet gemakkelijk geweest om van mijn vrijheid beroofd te zijn, maar de berichten die de mensen ons de hele tijd zijn blijven sturen, vanuit Nicaragua en vanuit België, hebben me de kracht gegeven.’ Aldus haar reactie in een Skype-gesprek met RTBF. Ze zegt na haar gevangenschap ‘nog zekerder te zijn van de strijd die we voeren. We staan aan de juiste kant van de geschiedenis, we blijven op straat komen.’ [v]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 
[i] Amaya Coppens: ‘Ik ben niet gearresteerd, ik ben gekidnapt’. In: De Morgen van 11 juni 2019
[ii] Walter Lotens, Deuken in Sandino’s hoed, over internationale solidariteit, Libertas, Mol, 1998
[iii] Hans Achterhuis, De erfenis van de utopie, Amsterdam,  1998, p. 15
[iv] Lees ook: Bernard Leterme, El poder Ortega-Murillo; www.cetri.be
[v] Studente Amaya Coppens vrijgelaten in Nicaragua: ‘We blijven op straat komen’In: Knack van 11 juni 2019

 

 

 

 

 

 

 


        
Borgerhoutenaar Walter Lotens (°1942) noemt zich een glokale burger. Deze gepensioneerde leraar, mede-oprichter van de Actiegroep Kritisch Onderwijs (AKO), moraalwetenschapper, publicist en Latijns-Amerikawatcher schreef voor LA Chispa, een Nederlandstalig magazine over Latijns-Amerika en de Cariben, het Belgische De Reiskrant en voor de Surinaamse krant “De Ware Tijd” en nu voornamelijk voor de webzine voor internationale politiek uitpers.be, waarin hij niet alleen uitvoerig aandacht besteed aan Latijns-Amerika, maar ook aan het Antwerpse mobiliteitsdossier.