De dromen van Brussel

Facebooktwittergoogle_plusmail

 

‘Brutopia’ is niet zomaar het zoveelste Brussel-boek. Het is een pareltje in zijn genre. Voor fijnproevers dus. Wie genoten heeft van ‘Arm Brussel’ van Geert Van Istendael of van ‘In Brussel’ en ‘In Molenbeek’ van Hans Vandecandelaere zal zeker ook dit boek weten te smaken.

 ‘En toch was dit zo verwenste hellegat ( Trumps hellhole) vaak een broedplaats van utopieën in het domein van politiek, maatschappij, kunsten, stadsontwikkeling en religie. Alsof hier een raadselachtige energie in de lucht hangt die het licht feller maakt en de geesten doet gisten. Sommige grote plannen hebben Brussel en zelfs de wereld veranderd, andere zag ik jammerlijk stukslaan op de straatstenen. Telkens was ik vanop de eerste rij getuige van hun vlucht en niet zelden van hun val.’ (p. 15)

De dromen van Brussel

De ‘ik’ die dat vertelt is de beschermengel van Brussel, de bladgouden Sint-Michaël, die al meer dan vijfhonderd jaar op het stadhuis torent en van daaruit volgt wat er aan zijn voeten met de stad en haar bewoners gebeurd is. Zo begint de Vlaamse journalist Pascal Verbeken die een voorliefde heeft voor het Franstalig landsgedeelte van dit land – hij schreef onder meer het onvolprezen ‘Arm Wallonië’ en ‘Grand Central Belge’ – zijn ‘Brutopia’. Daarmee is de toon gezet, zowel qua de stijl – het is niet toevallig dat het boek opent met een citaat van Louis Paul Boon – als qua inhoud. Het boek gaat inderdaad over ‘De dromen van Brussel’ zoals torenwachter Sint-Michaël ze heeft opgevangen. ‘Tal van Europese bannelingen begonnen in Brussel een nieuw leven; anarchisten, utopische socialisten, revolutionairen, communards en verloren kunstenaarszielen. De stad was hun vrijplaats, tot en met vandaag.’ (p. 15)

Van dromenspoor naar nieuwe wereld

In tien hoofdstukken volgt Pascal Verbeken het oude dromenspoor van de stad dat leidt naar de nieuwe wereld. Om een stad te leren kennen moet je bereid zijn om veel te wandelen. Dat weet de stapper Pascal Verbeken als geen ander. Hij kijkt niet alleen goed rond, maar bevraagt ook toevallige passanten en beschrijft wat hij ziet en ook wat er niet meer is, maar dat toch verder leeft in boeken en oude documenten. De auteur kijkt ook zeer gericht rond met de voorkennis die hij in zijn achterhoofd heeft opgestapeld en dat stelt hem in staat om voortdurend van het heden naar het verleden en terug te stappen.

Daarvan is het eerste hoofdstuk ‘Een spook waart door Europa’ een mooi voorbeeld. Zo gaat hij in Sint-Joost-ten-Node, vandaag volgens hem de armste gemeente van België, naar sporen zoeken van Karl Marx’ verblijf die in Brussel het ‘Communistisch Manifest’ schreef. Hij besnuffelt het gebouw in de Verbondsstraat waar het gezin-Marx ooit verbleef en waar nu het Belgische Fonds voor Beroepsziekten huist. Hij trekt naar herberg Le Cygne aan de Grote Markt, de stamkroeg van Marx en Engels, en loopt ook even langs de Koninklijke Sint-Hubertusgalerij die toen de meest praalzuchtige winkelpromenade was van Europa. De twee laatste gebouwen bestaan nog, maar wat er niet meer is, brengt Verbeken opnieuw tot leven. Daarvoor gaat hij onder meer te rade bij goed geïnformeerde tijdgenoten. Econoom en filosoof Philippe Van Parijs die op een paar honderd van de Verbondsstraat woont, is er zo een. Samen met Van Parijs koppelt Verbeken verleden en heden aan elkaar. Zo springt de filosoof in zijn uiteenzetting van Marx naar de vergeten Brusselaar Joseph Charlier die al in de negentiende eeuw opkwam voor een onvoorwaardelijk basisinkomen.

Dat springerig procedé volgt de auteur ook in de negen daaropvolgende hoofdstukken. Hij verplaatst zijn wandelradius telkens naar een andere Brusselse locatie waar dromenjagers hebben gewoond en zoekt er naar interessante gesprekpartners. Zeer boeiend ook is hoofdstuk twee ‘Vooruitgang in dienst van Levensblijheid’ waarin hij de sfeer van de ambitieuze Expo ‘58 in beeld brengt. Hij heeft het uitdrukkelijk niet alleen over de groten der aarde, maar ook en vooral over de stille wroeters zoals de Kempense aannemer Cools en zijn werklui die het atomium bouwden, maar onbekend bleven. Frans Cools schreef zijn naam en die van zijn vrouw en kinderen op een draagbalk, onder de voerplaat van de bovenste bol. ‘Bezoekers die de lift uit stappen om te genieten van het vue panoramique stappen over het gezin Cools.’ (p. 60) De prachtige cover van het boek is een hommage aan deze onzichtbare helden.

In hoofdstuk drie ‘De bastaard van Europa’ trekt hij de EU-wijk in ‘waar de straten roomblank zijn, een reservaat van een etnische monocultuuur’ en waar ‘het raciale evenwicht na de kantooruren hersteld wordt door allochtone poetsers’. En zo wandelt Pascal Verbeken maar verder, van wijk tot wijk, bruggen slaand tussen 19de en 21ste eeuw. Zo roept hij het beeld op van de Brussel-hater Charles Baudelaire, le poète maudit,  die hij over de Adolphe Max-laan ziet schrijden, met langzame passen en wiegende, vrouwelijke tred. ‘Een vleermuis op lakschoenen in de Brussels nacht.’

En verder doet hij ook het niet zo fraaie boekje over de Brusselse Noordwijk open. Voor hem is dat ‘verhaal van charlatanerie, ritselarij, geschipper en zelfoverschatting die flirt met zelfverachting’ een voorbeeld dat Brussel bij uitstek de verhevigde versie is van België. Verbeken brengt ook het mooie verhaal van de utopische bibliograaf Paul Otlet, ‘de man die de wereld in een kaartenbak wilde stoppen’ en ook dat van de al even utopische sociale tuinwijken, twintig cités jardins die na de Eerste Wereldoorlog gebouwd werden om de woningnood te lenigen. Utopische figuren waren natuurlijk ook Jean-Baptiste Godin die in navolging van het Franse Guise ook in Laken een familistère, een industrieel complex met goed uitgeruste arbeidersappartementen, uitbouwde. Deze utopische constructie is intussen verdwenen, zoals ook het volkshuis van de progressieve art-nouveau architect Victor Horta waarvan brokstukken in Antwerpen zijn terechtgekomen.

In ‘Brutopia’, een mooie samentrekking om de kern van dit boek weer te geven, staan nog veel meer voorbeelden van urbanistische en humanistische experimenten met een hoog utopisch en soms ook dystopisch gehalte die Pascal Verbeken al wandelend tussen heden en verleden benadert.

Des lieux de mémoire

 ‘Brutopia’ is echter geen geschiedenisboek, maar vertoont toch de trekken van wat in de literatuur doorgaans als mentalistische geschiedschrijving wordt genoemd. Het boek is inderdaad een eigenzinnige zoektocht geworden naar de mentaliteit van een stad en haar bewoners en daarvoor zoekt de auteur des lieux de mémoire op zoals de Franse historicus Paul Nora die plekken noemt. In zijn standaardwerk Les Lieux de Mémoire betoogt de Franse historicus uitvoerig en met heel veel voorbeelden uit de Franse geschiedenis dat er plekken van herinnering bestaan en – vooral ook – dat de versnelling van de geschiedenis ons confronteert met het verschil tussen echte herinnering en geschiedenis. [i] De dynamiek van de herinnering is dan het proces van voortdurende verandering in interpretatie en betekenisgeving, waarbij telkens andere aspecten en gebeurtenissen naar voren worden gehaald.

Het is trouwens niet alleen de skyline die bepalend is voor het uitzicht en het leven van een stad, maar ook de herinneringen van haar inwoners, die ambigue gevoelens koesteren over ‘hier’ en ‘daar’. ‘Een stad,’ schrijft de Jordaanse auteur Abd ar-Rahmaan Moenief, ‘wordt ook gevormd door de dromen en teleurstellingen die in de harten van haar bevolking leven, die ontstaan, vervagen en weer verdwijnen, met alle sporen en wonden die ze achterlaten van dien.’[ii]

‘Brutopia’ is niet zomaar het zoveelste Brussel-boek. Het is een pareltje in zijn genre. Voor fijnproevers dus. Wie genoten heeft van ‘Arm Brussel’ van Geert Van Istendael of van ‘In Brussel’ en ‘In Molenbeek’ van Hans Vandecandelaere zal zeker ook dit boek weten te smaken.

 

[i] Pierre Nora (1984, 1986, 1992). Les lieux de mémoire, Paris : Gallimard

[ii] Abd ar-Rahmaan Moenief, Verhaal van een stad, De Geus, Amsterdam, 1996, p. 5

Brutopia, de dromen van Brussel
Pascal Verbeken
De Bezige Bij Amsterdam
2019
336 blz.
9789403144306
Borgerhoutenaar Walter Lotens (°1942) noemt zich een glokale burger. Deze gepensioneerde leraar, mede-oprichter van de Actiegroep Kritisch Onderwijs (AKO), moraalwetenschapper, publicist en Latijns-Amerikawatcher schreef voor LA Chispa, een Nederlandstalig magazine over Latijns-Amerika en de Cariben, het Belgische De Reiskrant en voor de Surinaamse krant “De Ware Tijd” en nu voornamelijk voor de webzine voor internationale politiek uitpers.be, waarin hij niet alleen uitvoerig aandacht besteed aan Latijns-Amerika, maar ook aan het Antwerpse mobiliteitsdossier.