Schoonheid van leven en overleven

Facebooktwittergoogle_plusmail

 

 

Dat Johan de Vos een uitstekend fotograaf en criticus is, wisten we al langer, maar sinds zijn pensionering is de schrijver in hem helemaal opgestaan. ‘Charleroi’ is het boek van een fotograaf die voor mij definitief schrijver is geworden.

Wie haalt het nu in zijn hoofd om een boek te schrijven over Charleroi, dat in het Trumpiaans taalgebruik thuishoort in dezelfde zak als de hellhole van Molenbeek?  Sinds de De Wevers van deze aarde raaskallen over de twee democratieën die er in dit land zouden bestaan, is het  not done voor een Vlaming om de taalgrens over te steken. Johan de Vos, voormalig directeur van de Academie voor Schone Kunsten in Sint-Niklaas en fotografierecensent, lapt deze ingebeelde grens aan zijn laars en ging in Charleroi twee jaar lang op zoek naar schoonheid.

De gepensioneerde De Vos spoort met de trein een veertigtal keren van zijn woonplaats Sint-Niklaas naar Charleroi en komt met rijke en mooie verhalen over de stad met de slechte naam terug. Johan de Vos is als stadsbiograaf niet aan zijn proefstuk toe. Al eerder schreef hij met ‘Het boek van Sint-Niklaas’ een wijze, stijlvolle stadsbiografie. Mijn aandacht op deze nieuwe publicatie van hem was dus getrokken en werd niet beschaamd. Integendeel.

Pardon? Schoonheid?

Hoe zou de man het er nu vanaf brengen om met pen en fototoestel Charleroi of all places in beeld te brengen? En ja hoor, De Vos doet het weer op zijn zeer eigenzinnige manier. Zeg nu zelf: wie zou in deze zogenaamd lelijke stad op zoek willen gaan naar schoonheid? En juist dat wordt het thema van zijn veelvuldige bezoeken. Hij doet echter niet aan ‘lelijkheidstoerisme’ – een van de vele plastische Johan De Vos’ uitdrukkingen – maar in zijn beste Frans vraagt hij een aantal Karolingers naar een of andere schoonheidservaring. Uitgerekend daar! Hij kiest dus niet voor Brugge, Maastricht, Sint-Martens-Latem of Hasselt als werkterrein voor de gesprekken. ‘Ik vermijd dat iemand me de tweede cellosuite van Bach aanbeveelt als het allermooist op aard of alweer, het Lam Gods.’

Schoonheid van een stad

De Vos leerde heel veel in Charleroi: over de bewoners, over de stad, maar ook over de stad in het algemeen. Hij leerde er onder meer dat een stad niet aantrekt of afstoot, maar dat het mogelijk is dat ze tegelijk aantrekt én afstoot. ‘Wat aantrekt en afstoot is te complex om onder woorden te brengen. Het heeft te maken met duizenden dingen tegelijk, met de lente die er pittiger ruikt of en buschauffeur die op een andere manier het geld in van de reiziger.’ (p. 35) De Vos doet geen wetenschappelijke bevraging bij de 200.000 Carolo’s. Met een rugzakje met eenvoudige inhoud (brooddoos, pen, papier en fototoestel) trekt hij op de bonnefooi de hoge en de lage stad in en klampt er de man of de vrouw in de straat aan. Al wandelend een stad verkennen en stilaan in de poriën ervan doordringen. Dat vraagt tijd en heel veel inleefvermogen. Dat weet ook de Amerikaanse planoloog en filosoof Richard Sennett die in zijn laatste boek ‘Stadsleven’,  zoals in het Frans, een relevant onderscheid maakt tussen ville en cité, tussen de bebouwde omgeving en hoe de mensen daarin leven. Richard Sennet laat zich in zijn werk sterk inspireren door Jane Jacobs, de Amerikaans/Canadese activiste en publiciste met haar eigenzinnige opvattingen over stedenbouw en stadsplanning. Ook volgens haar moet je rondwandelen om een stad ‘nabij’ te kunnen komen. Het is de beste manier om contact te leggen met een buurt en haar bewoners. Dat heeft ook Johan de Vos zeer goed begrepen, maar hij doet er nog een heel bijzonder schepje bovenop.

‘Vertel eens iets over schoonheid a.u.b.’ Dat vraagt hij aan iedereen die hij aanklampt en dus ook aan de mevrouw van het toilet in het station Charleroi-Sud. ‘Ik heb 45 jaar gewerkt bij Caterpillar en gedurende die 45 jaar bleef men vertrouwen hebben in mij. Mijnheer, dat is schoonheid,’ antwoordde de dame prompt die haar naam niet gaf en ook geen foto wilde laten maken.

De Vos zoekt zijn gesprekspartners niet alleen op straat, hij bezoekt ook het stadhuis en musea waarmee hij als ex-directeur van een Academie voor Schone Kunsten al jarenlang goede contacten onderhield. Zo belandt hij ook bij burgemeester Paul Magnette, bij de baas van Spirou, Julien Papelier, bij Georges Vercheval van het Musée de la Photographie, bij televisieanker François de Brigode, bij Maxime Longrée van de Académie des Beaux-Arts, maar ook bij de Vlaamse dokter Sofie Merckx van de geneeskunde voor het volk en bij nog zovele anderen van diverse origine die met de jaren de Karolingische smeltkroes zijn komen vergroten.

Schoonheid van kwetsuren

Bij hen peilt hij niet alleen naar een omschrijving van schoonheid, maar leert hij ook verschillende facetten van Charleroi kennen, want een stad, elke stad, spreekt met duizend monden. Ook over schoonheid. Zoals de journalist Didier Albin bijvoorbeeld, ook auteur van het boek ‘Charleroi, le séisme’ die samen met Johan de Vos naar de saaie Ring van Charleroi kijkt en dan ineens zegt: ‘Voor mij is de schoonheid ook die van de kwetsuren. Als die er niet zijn, ontstaat perfectie en dat interesseert me niet. Er zijn dingen die men mooi vindt, maar waarvan men niet weet waarom.’ (p. 62) Of neem nu de flamboyante jazz-muzikante Melanie de Biasio. Wanneer zij over schoonheid spreekt, komt bij haar een ander begrip boven: bonté of goedheid. ‘Goedheid is een geopende deur, anders dan liefde. Ik zie het in de mensen, in hun gestes.’ ( p. 162). De jonge actrice Natasha Timmermans ziet ook schoonheid in de terrils die Charleroi overheersen. Voor haar zijn de terrils waarop zij als kind gespeeld heeft als de heupen van een vrouw.

Door al die, op het eerste gezicht, vreemde benaderingen vanuit telkens andere perspectieven krijgen Charleroi en haar bewoners een diepere gelaagdheid. Zo benadert de auteur waarschijnlijk ongewild het ‘perspectivisme’ dat door de filosoof Nietzsche gemunt werd en dat steeds genoemd wordt in verband met het postmodernisme. De plaats waar we ons bevinden bepaalt voor een belangrijk deel wat we goed of slecht, mooi of lelijk vinden en wat we als werkelijk en waar definiëren.

Perspectivisme

Johan de Vos is geen filosoof, maar de manier waarop hij zijn fototoestel en pen gebruikt, tilt dit boek op tot een universeel niveau waarop de geïnterviewden uitgedaagd worden om na te denken over de schoonheid van een zogenaamd lelijke stad. Dat denken in contradicties en ambiguïteiten leidt tot een meta niveau dat au delà de Charleroi reikt. Dat denken komt ook zeer goed tot uiting in de schrijfstijl van Johan de Vos. Het is bij momenten een praktisch voorbeeld van de philosophie de l’ambiguïté. Neem nu zijn beschrijving van café ‘Le Templier’ op de Place du Manège: ‘De gezelligheid is niet die van een burgerlijke woning, maar van een rumoerig  café met foute tafels, zware stoelen, reclame voor bier, een geruststellende standaardlelijkheid.’ (p. 172).  En voegt de auteur eraan toe: ‘Dat sluit aan bij ons gesprek (met psychologe Véronique Desqueuve die haar studenten wil aanzetten om contact op te nemen met mensen die het moeilijk hebben).

Fotograaf-schrijver

En dan zijn er natuurlijk ook al die foto’s van Carolo’s en van al die hoekjes en kanten van een stad die weinig fotografen wild maken, tenzij ze dan Johan De Vos heten of Stephan Vanfleeteren, nog zo iemand die weinig kleur nodig heeft om heel veel te vertellen. Dat Johan de Vos een uitstekend fotograaf en criticus is, wisten we al langer, maar sinds zijn pensionering is de schrijver in hem helemaal opgestaan. ‘Charleroi’ is het boek van een fotograaf die voor mij definitief schrijver is geworden.

 

Charleroi, het is altijd iets
Johan de Vos
EPO
2019
203
9789462671638
Borgerhoutenaar Walter Lotens (°1942) noemt zich een glokale burger. Deze gepensioneerde leraar, mede-oprichter van de Actiegroep Kritisch Onderwijs (AKO), moraalwetenschapper, publicist en Latijns-Amerikawatcher schreef voor LA Chispa, een Nederlandstalig magazine over Latijns-Amerika en de Cariben, het Belgische De Reiskrant en voor de Surinaamse krant “De Ware Tijd” en nu voornamelijk voor de webzine voor internationale politiek uitpers.be, waarin hij niet alleen uitvoerig aandacht besteed aan Latijns-Amerika, maar ook aan het Antwerpse mobiliteitsdossier.