40 jaar hervormingen vanuit marxistisch perspectief

Facebooktwittergoogle_plusmail

We lazen voor u het boek “From Accelerated Accumulation to Socialist Market Economy in China: Economic Discourse and Development from 1953 to the Present” van de Deense professor K.E. Brodsgaard en Dr. Koen Rutten. Het geeft de ideologische geschiedenis van de Chinese hervormingen weer vanuit marxistisch oogpunt.

Van 1978 tot 2012 groeide het Chinese bnp meer dan twintig maal. Tijdens dezelfde periode steeg het bnp/hoofd in constante eenheden van 381 yuan tor 38.420 yuan waarmee China in de groep geraakte van de landen met middelhoge inkomens. Sinds 2009 is China de grootste uitvoerder en wordt het ’s werelds grootste economie.

Het boek onderzoekt de interne redenen en de wisselende gevolgde politieke koers die deze renaissance mogelijk maakten. De auteurs benadrukken vooral de verhouding tussen investeren en verbruiken en ook de samenstelling van de verschillende sectoren in de economie. Ze onderscheiden drie duidelijk verschillende periodes in de economische politiek: van 1953 tot 1978 is er een versnelde industrialisering onder centrale planning; van 1978 tot 1992 komt er een snelle ontwikkeling van de rurale nijverheid en dit onder gedeeltelijke marktrelaties en decentralisering; van 1994 tot 2012 wordt de centrale controle over investeringen hersteld door de toepassing van ‘economische hefbomen’ maar binnen een socialistische markteconomie.

Het eerste hoofdstuk behandelt de periode van 1953 tot 1978: dus de Mao-periode van voor de hervormingen. Het boek argumenteert dat China toen de strategie van versnelde accumulatie toepaste volgens de Sovjeteconomisten Fel’dman en Preobrazhensky waarbij de opbrengsten uit de landbouw aangewend werden voor de geplande uitbreiding van de industrie. Volgens Stalin veronderstelde dit een geplande ontwikkeling met vooral een juiste verhouding tussen de productiemiddelen en de vervaardiging van de verbruiksgoederen. Zelfs volgens Stalin speelde tijdens de socialistische periode de waardewet een zekere ondergeschikte rol en daarvan zijn de prijzen een uitdrukking.

Het eerste Chinese vijfjarenplan dat door Chen Yun in nauw contact met Moskou werd opgemaakt, weerspiegelt de Sovjettheorie om de industrie op te bouwen met de financies uit de verkoop van graan. De landbouw die gecollectiviseerd werd, moest daarbij helpen. Er deed zich echter een conflict voor tussen Chen Yun die meer speelruimte wou voor de landbouw en de lichte industrie en Bo Yibo die alles zette op zware industrie. Mao koos met de Grote Sprong Voorwaarts voor deze laatste strategie en dit tot op het ogenblik dat hij er terug Chen Yun ging bijhalen om de gemaakte fouten te herstellen.

Chen Yun zou na 1960 wel een rectificatiepolitiek uitdokteren die zich inspireerde op de Boekharin-politiek in de Sovjet-Unie, het tegenovergestelde van het Fel’dman / Preobrazhensky-model . Zo werden onder meer middelen binnen de commune voor consumptie voorzien en mochten de boeren terug een privéperceel bewerken en hun producten verkopen op markten. Deze politiek wierp weliswaar vruchten af, maar Mao die op de achtergrond geraakt was, vond deze politiek aanstootgevend kapitalistisch. De culturele revolutie met de onderliggende strategie van industrialisering naar Derde lijn (in het ver af gelegen binnenland) greep terug naar een accumulatie-politiek op de kap van de landbouw. Gevolg was dat de productie per boer gedurende de Mao-periode nauwelijks toenam, maar dat het aandeel van de nijverheid van 18 % van het bnp in 1952 toenam tot 45 %. De jaarlijkse gemiddelde groeivoet bedroeg 6,7 %.

1978-1992

Na het overlijden van Mao werden in het voorjaar van 1978 onder leiding van Hua Guofeng de vier moderniseringen op het programma geplaatst. Dit tienjarenplan voorzag in de laatste 8 jaar een zelfde bedrag aan investeringen als gedurende geheel de voorbije 28 jaar. Chen Yun die gerehabiliteerd was, leverde opnieuw kritiek op de te onevenwichtige politiek en pleitte voor een heraanpassingspolitiek met eerst aandacht voor de landbouw, daarna de lichte nijverheid en ten derde pas de zware industrie.

In december 1978 wordt voor het eerst gebroken met het model van vooral nadruk op zware industrie. De boeren kregen 22 % hogere prijzen voor hun producten en hun productiegoederen werden 15% goedkoper. Vele grootschalige projecten uit het tienjarenplan werden geschrapt ten voordele van meer investeringen in bouw, transport en energie. In Anhui ontstond een systeem van gezinsexploitatie in de landbouw dat eigenlijk zonder politieke steun vanuit Beijing zich over het land verspreidde als een lopend vuur. Ook niet echt gepland was het succes van de rurale bedrijven. In de kustgebieden werden speciale zones geopend, later gevolgd door 14 open kuststeden.

Terug hervormen

In 1982 waren de politieke leiders gesteund door goede economische resultaten het eens dat China er naar moest streven om de planning te combineren met marktmechanismen. Dit werd beeldrijk uitgedrukt door de vogelkooi-theorie van Chen Yun. Het zesde vijfjarenplan voorzag eerst een periode van her aanpassing, hervorming en consolidatie als belangrijkste politieke lijn. Tijdens deze periode werd ook begonnen met de hervorming van de (staats)ondernemingen en lag ook een nadruk op de centraal-lokale betrekkingen. Dit is om voldoende inkomsten te verzekeren voor de sleutelprojecten in energie, transport en infrastructuur. De economie zou gereguleerd worden door een drievoudig prijzensysteem: verplichte prijzen (bv uitrustingsgoederen), verbruiksgoederen volgens de marktprijs en het merendeel van de waren zouden vallen onder richtplanning op basis van overeen te komen prijzen. Na deze periode zou de klemtoon volgens het plan komen te liggen op technologische omvorming. In oktober 1984 werd een eerste blauwdruk van de hervormingen uitgevaardigd. Bedoeling was om op 5 jaar tijd een omwenteling in bedrijfsbestuur, het loon en arbeidssysteem te veroorzaken zodat de basiseenheden als onafhankelijke entiteiten verantwoordelijk zouden zijn voor eigen producten en verliezen.

De hervorming van de prijzen stond centraal in dit geheel. Het losser laten van de basiseenheden doet echter al vanaf 1985 onevenwichten ontstaan die almaar zouden groter worden. Ondernemingen gebruikten krediet voor onbezonnen productie en voor loonsverhogingen. Het dubbel prijzensysteem zorgde voor corruptie en zwarte handel. Ook het zevende vijfjarenplan voorzag twee periodes met verschillende taken: tijdens de eerste twee jaar zouden alle ondernemingen verantwoordelijk worden voor winst en verlies. Tijdens de laatste 3 jaar zou gefocust worden op markthervormingen door verdere indirecte controles. Hierbij zijn onrechtstreekse economische hefbomen als prijzen en intrestvoeten erg belangrijk.

In 1987 trokken oudere leiders als Chen Yun en Deng Xiaoping zich terug. Op het 13° partijcongres pleitte partijleider Zhao Ziyang voor de uitbouw van een socialistisch marktsysteem met een macro-economische regulering hoofdzakelijk gebaseerd op indirecte middelen. Li Peng werd premier en Yao Yilin ging de Plancommissie leiden. Dramatisch dat jaar was vooral dat de aangekondigde liberalisering van de prijzen een rush op de grootwarenhuizen veroorzaakte. Yao Yilin zag zich verplicht om de geplande prijsliberalisering over een lagere periode uit te smeren. De regering ging een soberheidsbeleid voeren tegen de galopperende inflatie en tegen het feit dat steeds meer projecten buiten het plancircuit gingen plaats vinden. De verhouding tussen planprojecten tegenover buitenplanprojecten die in 1980 3 tegen 1 was, bedroeg in 1988 al één tegen vier.

De overheid was nauwelijks in staat de prijzen van de steeds groeiende groep goederen die buiten het plan om verhandeld werden, te controleren. Financiële recentralisatie was aan de orde van de dag. Er kwam een prijscontrole, de kredieten werden selectiever, er werd een lijst van goederen opgesteld die onderworpen waren aan import-of exportbeperkingen en de rurale bedrijven die grondstoffen van de staatsondernemingen afsnoepten, waren een ander doelwit van de soberheidspolitiek. De soberheidspolitiek zou voor ontevredenheid zorgen die culmineerde in de Tiananmen gebeurtenissen. Zhao Ziyang moest de plaats ruimen voor Jiang Zemin.

Periode Jiang Zemin

Na 4 juni ’89 werd de soberheidspolitiek gewoon voortgezet met meer klemtoon op basisnijverheden, verkeerswezen en transport..De nieuwe premier Li Peng stond als ex-minister van energie symbool voor deze politiek. Tijdens de soberheidsperiode daalde de economische groei echter tot 3,8 % in 1989 en tot 4,1% in 1990. Wanneer de in 1988-89 op hol geslagen inflatie terug onder controle gekomen was, vond Deng Xiaoping het tijd om terug de hervormingen aan te wakkeren. Hij maakte in de lente van ’92 een reis naar Zuid-China waar hij zijn ideologisch testament afleverde en stelde dat het verschil tussen socialisme en kapitalisme niet ligt in het al of niet gebruiken van plan of markt.

Onder zijn inspiratie legde het 14de congres in oktober ’92 de lijn van de socialistische markteconomie vast. Verdere precisering en invulling zou volgen op de derde voltallige zitting in oktober het jaar nadien. Dit plenum leverde een alomvattende blauwdruk af van de doelstellingen en methodes voor de hervormingen. Kernstuk was een modern bedrijfssysteem. Dit introduceerde onder meer het opsplitsen van eigendom en bestuur. De staat zou weliswaar de eigendom behouden van de grote ondernemingen, maar deze zouden zelfstandig worden met een Raad van Bestuur. Kleinere staatsondernemingen konden omgevormd worden tot coöperatieven en de moeilijke gevallen zelfs geprivatiseerd. Tweede kenmerk van de blauwdruk betreft de toewijzing van de hulpbronnen die voortaan door de markt zou gebeuren zowel qua kapitaal, grond als arbeid. Dit vereiste een herdenking van het financieel systeem. Zhu Rongji was daarvoor benoemd als het hoofd van de Nationale Bank. Derde verandering uit de blauwdruk was de rol van de regering die zich vooral zou concentreren op de macro-economie met voornamelijk de bouw van cruciale infrastructuur, sociale herverdeling, marktregulering en supervisie van de staatsactiva.

Eind 1993 werd nog de Bedrijfswet uitgevaardigd die grote en middelgrote bedrijven oplegt zich om te vormen tot vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid. Gelijk volgde eveneens een nieuw belastingssysteem waarbij de staat een groter deel van de fiscale ontvangsten kreeg dan voordien en dit dus ten nadele van de provincies. Ook de Nationale Bank van Zhu Rongji werd gereorganiseerd in 6 regio’s om de invloed van de provincies te verminderen. In het bankwezen werd een opsplitsing gemaakt tussen politieke banken en de commerciële banken. De nieuwe arbeidswet volgde in juli.

Algemeen wordt aangenomen dat het nieuw belastingssysteem zijn doel bereikte, maar dat het vormen van vennootschappen lang niet alle problemen oploste. Een aantal provincies hadden kleine staatsondernemingen verkocht en dit zorgde voor een verhit politiek debat. Als resultaat hiervan werd de politieke richtlijn ‘Zich concentreren op de grote, de kleine loslaten’ uitgevaardigd. In 1992 vertegenwoordigden de grote staatsbedrijven maar 4,7 % van de bedrijven, maar die hadden wel 62% van de staatsactiva en brachten 66% van winsten en belastingen op. Li Peng steunde het idee omdat hij streefde naar het vormen van een reeks grote concerns zoals in Japan of Zuid-Korea. Ook partijvoorzitter Jiang Zemin vond iets minder staatpondernemingen niet erg, zolang de publieke eigendom maar dominant bleef. Resultaat van was echter dat op één jaar tijd het aantal staatsondernemingen verminderde met één derde. In de praktijk werden veel kleine staatsondernemingen verkocht, ook om de mindere ontvangsten te compenseren. Nochtans waren in 2002 nog maar 30% van de grotere staatsondernemingen hervormd als vennootschappen. De facto werd een zowat één derde van het personeel in de staatsondernemingen afgedankt, zij het dat ze nog gedurende drie jaar op steun en begeleiding konden rekenen van een tewerkstelling cel.

De hoge spaarquote van de Chinezen gekoppeld aan de lage interesten zorgden er voor dat de staatondernemingen naar hartenlust over kredieten konden beschikken. Het geld voor de investeringen kwam van de bankkredieten aangevuld door geld van op de beurs waar de staatsondernemingen dominant waren. In 2001 trad China toe tot de Wereldhandelsorganisatie en dit zou een steile opgang van de buitenlandse handel in de hand werken..

Periode Hu Jintao-Wen Jiabao

Jiang Zemins opvolger Hu Jintao kondigde in mei 2004 zijn concept van wetenschappelijke ontwikkeling af waarbij hij vooral de noodzakelijke duurzaamheid benadrukte van de ontwikkeling. Hij pleitte voor een meer evenwichtige ontwikkeling tussen de regio’s, tussen stad en platteland en ook meer aandacht voor de landbouw. Het concept houdt ook minder nadruk op kapitaalopbouw in zware nijverheid in en meer aandacht voor het verbruik. Al vanaf 1999 was onder Jiang Zemin begonnen met een programma om ook het westelijk deel van het land meer te ontwikkelen vooral door de aanleg van infrastructuur. Daar werd onder Hu Jintao en Wen Jiaobao op doorgegaan maar met meer nadruk op het milieu en ontwikkeling van de privé sector. Ook een plan voor de ‘roestgordel’ uit het Noord-Oosten zou volgen.

Tussen 1993 en 2003 steeg het aantal stedelingen van 30 tot 40%. Onder Hu Jintao ging de regering meer middelen vrijmaken voor sociale politiek en progressief de landbouwtaks afschaffen. Lokale besturen kregen meer middelen. Van 2003 tot 2010 groeide het aandeel van investeringen in de landbouw van 4,6% tot 9,4% van de staatsuitgaven. Dit kaderde in het concept van ‘het nieuwe socialistisch platteland’. Hoewel de inkomenskloof tussen stedelingen en ruralen wat afzwakte, verdiende een plattelander in 2012 nog altijd maar één derde van een stedeling.

Het tiende vijfjarenplan wilde ook minder investeren in traditionele sectoren en meer in technologie intensieve zoals ICT, automatisering, schone energie…. Er werd een plan voor de ontwikkeling van wetenschap en technologie op middellange en lange termijn opgesteld. Onder het elfde vijfjarenplan 2006–2010 werd hierin 617 miljard geïnvesteerd. Tussen 2003 en 2012 groeide het bnp met 10% jaarlijks. De financiële crisis van 2008 werd opgevangen door een grootschalig investeringsprogramma waarbij de lokale besturen ook gingen volgen met de bouw van infrastructuur die hen met hoge schulden ging opzadelen. Tijdens die periode lag de investeringsvoet in kapitaal zelfs hoger dan onder de ‘Grote Sprong voorwaarts’.

Xi Jinping & Li Keqiang

De nieuwe CPC secretaris generaal Xi Jinping en eerste minister Li Keqiang erfden een economie met overmatige investeringen en laag verbruik. China vervaardigde meer dan de helft van ’s werelds staal, aluminium, cement en steenkool en zag ook een explosieve groei in sectoren als de glas-en papier nijverheid. Het belangrijkste eerste initiatief van de nieuwe machthebbers was het lanceren van een grote campagne tegen de corruptie. In het kielzog hiervan volgde een andere tegen verkwisting die bedoeld was om de publieke uitgaven aan banketten, dienstwagens en reisjes te verminderen.

Gedurende 2013 werd veel tijd en energie gestoken in het opstellen van een nieuwe blauwdruk voor de hervormingen die in november 2013 werd aanvaard en 340 voorstellen bevatte. De rol die de markt in de economie speelt, wordt voortaan ‘beslissend’ genoemd. Ook bij de hulpbronnen en de energie moet de markt de prijzen gaan bepalen. De SASAC gaat de grootste staatsondernemingen besturen, maar ook de privésector kan participeren in de staatsbedrijven. Binnen deze nog geen 200 grote bedrijven vonden megafusies plaats. Ook in de banksector zouden meer privébanken toegelaten worden en de intrestvoeten worden geliberaliseerd.

In oktober 2015 werd een hervorming van de aanbodzijde in de economie gepland. Deze was gericht op het elimineren van overproductie, op kostenvermindering voor bedrijven, een vermindering van het aantal leegstaande huizen en ook op de beheersing van financiële risico’s. Bij de overcapaciteit was vooral staal en steenkool aan de orde. Qua bedrijven vormden vooral de zgn. ‘zombie’ ondernemingen het mikpunt omdat ze grondstoffen verspillen. In januari 2016 werd duidelijk dat 3 van de 10 banen in steenkool, staal, aluminium cement en glas zouden geschrapt worden op drie jaar tijd. Daartegenover stond 100 miljard yuan steun voor de reconversie van de werknemers. Deze hervorming langs de aanbodzijde gaat deel uitmaken van de ‘nieuwe normaal’-politiek die een groei van 6,5% voorziet tussen 2016 en 2020. Deze kwantitatief iets lagere groei wil echter meer de kwaliteit benadrukken en focust op een groene- en op innovatie gedreven ontwikkeling met meer de nadruk op het verbruik en minder op investeringen.

Een ander belangrijke politiek onder Xi Jinping is het concept van de nieuwe zijderoutes of het ‘Belt & Road Initiative’. China wil door de aanleg van betere infrastructuur de verbindingen tussen Azië en Europa verbeteren zodat er economische corridors ontstaan die de lokale ontwikkeling ten goede komen. Diverse bancaire initiatieven trekken hiervoor tientallen miljarden dollar uit. Technologisch wil China tegen 2025 vooraan staan in moderne hightech als 5G, artificiele intelligentie en robotica. Het doel om tegen 2020 het bnp uit 2010 te verdubbelen en een maatschappij met gematigde welvaart te worden, wordt gehaald als dit jaar de bnp-groei 6,2% bedraagt.

Tot zover een korte en vereenvoudigde weergave van de analyse die het westers boek verschaft, vertrekkende vanuit het Chinees marxistisch standpunt. In een volgende boekbespreking hebben we het over een Chinees boek dat de evolutie van de voorbije 40 jaar hervormingen bekijkt vanuit de evolutie naar meer markt.

Voor meer details over de beginperiode, lees ook ons artikel over 20 jaar hervormingen uit 1998 . Voorts ook het artikel over 50 jaar VRC-economie.

From Accelerated Accumulation to Socialist Market Economy in China: Economic Discourse and Development from 1953 to the Present
K.E. Brodsgaard en Koen Rutten
Brill, Leiden
2017
978-90-04-33009-2