Soedan, de opstand waar niemand interesse voor heeft

Facebooktwittergoogle_plusmail

Soedan begint aan zijn zevende week opstand tegen een militair bewind dat er al dertig jaar de plak zwaait. Het is niet de eerste keer dat er in het land protesten en demonstraties plaats vinden. Dit keer lijkt het echter anders dan anders. De manifestaties zijn niet meer beperkt tot de hoofdstad Khartoem of andere grote steden. Ze gaan door in het hele land, zelfs op het platteland en in de kleine steden. Volgens sommigen zou je de Soedanese protestbeweging misschien een late uitloper kunnen noemen van de ‘revoluties’ die de Arabische wereld in de winter van 2010-2011 door elkaar schudden.

President Omar al-Bashir is al dertig jaar aan de macht. De leider van de National Congress Party (NCP), kwam in 1989 aan de macht na een militaire coup tegen de laatste democratisch verkozen regering in de geschiedenis van het land. Internationaal zou Omar al-Bashir te mijden moeten zijn sinds het Internationaal Strafhof (ICC) in Den Haag in 2009 een arrestatiebevel tegen hem uitvaardigde op beschuldiging van genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden in Darfoer.

Het verhindert Omar al-Bashir niet om onbekommerd buitenlandse reizen te ondernemen om politieke en economische overeenkomsten af te sluiten. Sinds de aanklacht reisde hij al naar een twintigtal landen, ook landen die lid zijn van het ICC zonder dat hij gearresteerd werd.

Een ecomomisch bankroet land

In 2011 incasseert Soedan een grote economische klap. Wat tot dan het grootste Afrikaanse land is, word opgesplitst in twee landen, Soedan en Zuid-Soedan. Driekwart van de oliebronnen bevinden zich in het nieuwe land dat dan ook driekwart van de olieopbrengsten meeneemt.

In oktober 2017 heffen de Verenigde Staten, na 20 jaar, de meeste van hun economosche sancies tegen Soedan op. De door Khartoem langverwachte opheffing brengt echter niet de verwachte resultaten met zich mee. Het enthousiasme dooft al snel uit eenmaal Khartoem beseft dat de opheffing onvoldoende is om een echte economisch heropleving te kennen. Het land blijft samen met Iran, Syrië en Noord-Korea op de VS-lijst van de staatssponsors van het terrorisme staan. Daarnaast blijft het onmogelijk om valutatransacties uit te voeren en de hulp van de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds blijft beperkt. In combinatie met een reeks slechte economische beslissingen, vermomd als hervormingen, leidt dit tot een nijpende economische situatie.

Omar al-Bashirs bilan van drie decennia mag desastreus genoemd worden: een sociaal, politiek en economisch faillissement. Daarnaast woeden er in het land aanhoudende, moorddadige conflicten tussen Omar al-Bashir’s regering en gewapende bewegingen in de deelstaten van Darfoer, Janub-Kordofan (Zuid-Kordofan) en An-Nil-al-Azraq (Blauwe Nijl). Dit alles wordt overgoten door een immense nationale en lokale corruptie en een harde interne strijd binnen de diverse fracties van het bewind.

De protesten kennen hun oorsprong wanneer in januari vorig jaar de begroting voor 2018 wordt bekendgemaakt. 75 procent van de middelen worden toegewezen aan het leger, het veiligheidsapparaat en de vele milities die het bewind heeft opgezet. In augustus 2018 lopen de politieke spanningen nog verder op wanneer Omar al-Bashir besluit dat de grondwet moest gewijzigd worden zodat hij een derde termijn als president kan aanblijven.

Wanneer de regering dan ook nog het besluit neemt om de subsidies op essentiële basisproducten te verminderen of af te schaffen is de maat vol. Op een paar maanden tijd stijgt de prijs van een brood van een half naar drie Soedanese ponden. De prijzen van andere essentiële producten, voedsel en medicijnen, volgen dezelfde trend en zijn steeds moeilijker te vinden. Ook de brandstofprijzen stijgen. Brandstof waarvoor aan de pomp aangeschoven moet worden. Als ze al al niet droog staan, want ze worden slechts mondjesmaat bevoorraad. De impact laat zich voelen op de prijzen van het openbaar en collectief vervoer. Voor mensen die in de voorsteden en op het platteland wonen is dat vaak de enige manier om zich naar de steden of andere gebieden te verplaatsen.

Als er al bankautomaten zijn staan die leeg terwijl aan het loket slechts beperkt geld kan worden afgehaald. Tenminste als de bank zelf nog iets in de kluis heeft liggen. Met een inflatie die gestegen is tot 70% wil iedereen die nog wat Soedanese ponden heeft die graag zo snel mogelijk omzetten in dollars. De officiële koers is op een jaar tijd gestegen van 17 pond per dollar naar 47 pond per dollar. Alleen, dollars zijn officieel haast niet te krijgen en op de zwarte markt betaal je er gemakkelijk tot 80 pond voor.

Van broodrellen naar opstand

De huidige protestgolf begint op 19 december in Atbra, een stad in het noorden van het land. Nog dezelfde dag volgen er andere manifestaties in Qadaref, Nuhod en Port Sudan. Een dag later zijn Dongla, Barbar, Sennar, Elobaid en de hoofdstad Khartoum aan de beurt. De demonstranten zijn de moeilijke levensomstandigheden en de economische crisis echt zat.

Wat aanvankelijk als ‘broodrellen’ wordt ervaren groeit al snel uit tot een ongekende opstand. De eisen zijn niet meer enkel economisch. Het wordt een beweging tegen het systeem en een onderdrukkend dictatoriaal bewind dat duizenden Soedanezen ertoe gedwongen heeft hun land te ontvluchten.

Elke dag opnieuw is het voor de bevolking steeds duidelijker dat de pagina Omar al-Bashir omgedraaid moet en kan worden. De president heeft niet langer die enorme ruimte waarin hij al drie decennia beweegt. De populaire opstand tegen de regering verenigt de meerderheid van de bevolking met een duidelijke boodschap aan Omar al-Bashit: ‘ga weg… vertrek’. Met het succes verdwijnt ook de angst. De slogans die het vaakst geroepen worden zijn duidelijk politiek: ‘Vrijheid, vrede en gerechtigheid’, ‘De revolutie is de keuze van het volk’ en, gericht tot Omar al-Bashir zelf: ‘Je val! Niets anders!’ en ‘Ga weg! Ga weg!’

Op de ochtend van 25 december wordt in de Soedanese hoofdstad de grootste en meest indrukwekkende demonstratie gehouden die het land sinds 1989 ooit heeft gekend. De hele oppositie is aanwezig.

De oppositie, divers en verenigd

De protestbeweging heeft veel verschillende categorieën van de bevolking samengebracht. De oproep tot mobilisatie door de ‘Vereniging van de Professionelen’ waarbinnen de grote beroepsbonden van artsen, ingenieurs en advocaten actief zijn, heeft brede weerklank gevonden bij de ganse bevolking en de politieke oppositie. Aanvankelijk is het de bedoeling van de ‘Professionelen’ de regering een protestnota te presenteren waarbij economische veranderingen worden geëist. Maar de politieke escalatie zorgt ervoor dat de lat hoger wordt gelegd. Uiteindelijk wordt het een brief waarin openlijk opgeroepen wordt tot het aftreden van Omar Hassan Al-Bashir.

Verschillende groeperingen van de oppositie, de Nida’a Al-Sudan coalitie (waaronder de Umma-partij, een islamitische centrumpartij die zelf uit verschillende stromingen is samengesteld), het Sudanese Revolutionary Front (SRF – een alliantie van rebellengroepen uit Darfoer, Zuid-Kordofan en de Blauwe Nijl) en de National Consensus Forces (NCF – een derde coalitie van 20 politieke oppositiepartijen uit alle regio’s van het land), beslissen op 25 december, net voor de door de ‘Professionelen’ georganiseerd mars, tijdens een vergadering hun geschillen te vergeten en de krachten te bundelen in de Ij’maa (Concensus) die de val van het regime moet mogelijk maken. In de plaats moet een overgangsraad samengesteld worden die de presidentsverkiezingen voorbereid terwijl een regering van technocraten een nieuw politiek kader zal uittekenen waarin het pluralisme centraal staat.

Die plannen zijn niet alleen een uitdaging voor de regering maar ook voor de organisatoren van de protesten zelf. Het is immers de eerste keer sinds de staatsgreep van 1989, dat zo’n verscheidenheid aan bewegingen, organisaties en politieke oppositiepartijen hun krachten bundelen.

Maar in tegenstelling tot vroegere opstanden, is de jeugd vandaag de echte motor van de volksopstand. Een generatie jongeren die opgegroeid is in de schaduw van de islamitische macht van de Moslimbroeders en geen banden heeft met het verleden van de politieke partijen van voor de periode Omar Al-Bashir. De jongeren hebben geen boodschap aan de oude politieke gebruiken tussen partijen en willen graag dat het vandaag verder gaat dan de courante compromissen die er steeds op uitdraaien dat het huidige religieuze regime vervangen wordt door een ander religieus regime. Zij willen naast een verandering van regime, ook fundamentele veranderingen waarbij de religie geen greep meer heeft op de politiek. De Soedanese crisis kan volgens hen alleen opgelost worden binnen een rechtsstaat waar respect bestaat voor etnische, tribale en andere culturele verschillen.

De jongeren zijn een actieve, beslissende factor geworden binnen het politieke landschap. Ze zijn op de hoogte van wat er in de wereld gebeurt en communiceren via de sociale media. Zij willen breken met de oude gebruiken om een moderne staat te creëren die gebouwd is op vrede, gelijkheid en rechtvaardigheid. ‘Vrijheid, vrede, gerechtigheid’ is trouwens de centrale slogan die overal in het land gescandeerd wordt.

De politieke leiders van de oppositie zijn meestal oud, het zijn vaak nog dezelfde mensen met dezelfde waarden en ingesteldheid van voor de staatsgreep van 30 jaar geleden. De vraag is of zij mee zullen willen en kunnen stappen in de eisen van de jeugd die een echte verandering wil.

Brutale, dodelijke repressie

Omar al-Bashir is (voorlopig) niet onder de indruk. Terwijl hij wordt geconfronteerd met de grootste protesten van zijn 30-jarig bewind toert de Soedanese president door enkele buurlanden en de regio. Eind januari brengt hij een bezoek aan de emir van Qatar en president Abdel Fattah al-Sisi van Egypte. Daar verklaart hij dat de onrust in zijn land een poging is om de zogenaamde Arabische lente in Soedan te kopiëren. Een dag later laat hij optekenen: “een verandering van regering gebeurt niet via WhatsApp en Facebook, maar via verkiezingen”.

De traditionele media wordt nauwlettend in de gaten gehouden en gecensureerd. Soedan staat in 2018 op de 174ste plaats op 180 in de “World Press Freedom Index” van Reporters Zonder Grenzen. El Jareeda (letterlijk vertaald ‘De Krant’) wordt al drie opeenvolgende weken verhinderd om van de persen te rollen. Andere kranten zien hun hele oplages in beslag genomen en vernietigd worden. Het internet is dan ook een belangrijk informatiekanaal geworden. Van de 40 miljoen inwoners van Soedan hebben er zo’n 13 miljoen een internetaansluiting en meer dan 28 miljoen een mobiele telefoon. Het internet is (voorlopig) niet helemaal geblokkeerd. De sociale media daarentegen wel. Maar ook in Soedan weten ze wat een virtueel particulier netwerk (VPN) is en wordt de blokkering omzeild waarna de informatie via tekstberichten op de de mobiele telefoontoch kan doorstromen.

De sociale media hebben een grote impact, en helpen bij het vormen van de publieke opinie en het overbrengen van wat er in het land gebeurt naar het buitenland. In het bijzonder naar de grote Soedanese diaspora die zich ook niet onbetuigd laat, de informatie verder doet doorstromen, demonstraties aan ambassades en consulatren organisert, enz. De pers heeft echter geen belangstelling.

Onder al-Bashir is de politieke oppositie altijd al stelselmatig gebrutaliseerd en monddood gemaakt. Feit is dat het leger en de paramilitaire milities nooit aarzelen om geweld te gebruiken tegen demonstranten. In december 2016, na een aantal demonstraties, zei Omar al-Bashir: “Als je het regime wilt omverwerpen, waarom ga je dan niet de straat op? Ik zal je vertellen waarom je het niet doet. We weten dat je niet zult komen omdat je je heel goed herinnert wat er in het verleden is gebeurd.”. Daarbij verwees hij naar september 2013, toen meer dan honderd mensen tijdens protesten door de veiligheidsdiensten werden doodgeschoten. Politieke tegenstanders en activisten worden in Soedan traditioneel opgepakt, gevangen gezet, gefolterd en te vaak vermoord. Dit keer is het niet anders.

Voor de coördinatie van de repressie zorgt de machtige Nationale Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (NISS). De Soedanese president kan rekenen op de steun van het leger en paramilitaire troepen zoals de gewapende vleugel van de veiligheidsdienst (NISS) en de Rapid Support Forces (RSF). Dat is de opvolger van de beruchte Janjaweed-milities die door de Soedanese regering wordt gebruikt in de oorlog in Darfoer.

Er wordt traangas afgevuurd, wapenstokken en stukken plastieken kabels gebruikt om demonstraties uiteen te slaan en het gebruik van vuurwapens is niet uitzonderlijk. Er vallen honderden gewonden en tientallen doden. Meer dan duizend demonstranten, oppositieleiders, activisten, artsen en journalisten worden opgepakt, vastgehouden, gefolterd, vrijgelaten en als in een carrousel even later opnieuw opgepakt. Scholen en universiteiten moeten hun deuren sluiten. De noodtoestand wordt afgekondigd en her en der wordt ook een avondklok ingevoerd.

De Soedanese artsenvereniging laat weten dat het in protest tegen het doodschieten en folteren van vreedzame manifestanten alle artsen oproept om de ziekenhuizen die gecontroleerd worden door de militairen, de politie, de veiligheidsdiensten en leden van de regerende Nationale Congrespartij te boycotten. De onderwijsbond roept op tot staking.

De krachtmeting blijft doorgaan. Iedere dag opnieuw trekken grote delen van de bevolking weer de straat op in hun protestmarsen en iedere dag opnieuw graaft al-Bashir zich verder in en wordt de repressie brutaler.

Internationale reactie

Buiten wat verklaringen en (later misschien) wat dreigementen hoeft al-Bashir zich niet te veel zorgen te maken over het buitenland. De ‘internationale gemeenschap’ in Soedan heeft, zoals het past, unaniem zijn bezorgdheid over het willekeurige gebruik van geweld tegen betogers bekend gemaakt. De EU “dringt er bij de Soedanese regering op aan om het recht van mensen te respecteren om hun onvrede te uiten.” De Verenigde Staten, Noorwegen, het Verenigd Koninkrijk en Canada vragen de Soedanese regering om “adequaat te reageren op de protesten in overeenstemming met internationale wetten op de bescherming van de mensenrechten”. Ook de secretaris-generaal van de Verenigde Naties laat zich niet onbetuigd en vraagt Soedan licht te werpen op de omstandigheden van de dood van manifestanten en het geweld.

De African Union Peace and Security Council (AU PSC) heeft tot op vandaag nog met geen woord gerept over de opstand in Soedan. Dat moet niet verwonderen gezien de makke houding van de AU PSC tegenover het optreden van Soedan in Darfoer, Zuid-Kordofan en de Blauwe Nijl. De AU PSC is eigenlijk een reïncarnatie van het dictatorsclubje dat bestond onder het vroegere Organisation of African Unity (OAU). Corrupt en incompetent. Het hoofd van de falende UN/African Mission in Darfur (UNAMID), Jeremiah Mamsbolo is daar een goed voorbeeld van.

De Arabische Liga heeft Soedan altijd als een ‘Arabische’ staat beschouwd en gruwelt van een multi-etnisch land met democratische aspiraties. De hartelijke ontvangst van Al-Bashir door collega dictatr al-Sisi bij zijn recent bezoek aan Egypte is duidelijk genoeg. Om Soedan binnen de Arabische schapenstal te houden hebben Saoedi-Arabië, de Emiraten en andere Arabische landen er alles aan gedaan om het land uit de invloedssfeer van Iran los te weken. De Soedanese troepen in Jemen vechten nu tegen de Houthi’s terwijl ze eerder aan hun kant stonden. De Arabische Liga heeft trouwens ook vroeger nooit haar mond open gedaan om een onvertogen woord te uiten over de misdaden van al-Bashir in Darfoer.

Het commentaar over de opstanden van Secretaris-Generaal Guterres van de UNO is nutteloos. Hij is een tamme voorzitter van een geparalyseerde organisatie. Het summum daarvan is de Veiligheidsraad waar de vijf overwinnaars van WO II, oorlog die tussen haakjes bijna 75 jaar geleden eindigde, kwistig gebruik maken van hun vetorecht. Dit voor zover de protesten in Soedan al op de agenda gezet worden.

Het kan misschien verwonderen maar terwijl de Verenigde Staten Soedan op de lijst van landen die het terrorisme sponsoren behouden, beschouwen ze al-Bashir als een dam tegen het terrorisme. Dat dateert niet van gisteren. In 2011, onder Obama, zei de speciale gezant van de VS voor Soedan, Princeton Lyman: “Wij willen de val van het regime niet, noch een verandering ervan. Wij willen het regime veranderingen zien doorvoeren via grondwettelijke en democratische maatregelen”. Lyman weet dan zeer goed dat ‘veranderingen via grondwettelijke en democratische maatregelen’ onder al-Bashir een illusie zijn. Die houding van de VS is onder Trump nog niet gewijzigd. Integendeeln het is onder Trump dat de economische sancties uiteindelijk opgeheven worden.

De EU tenslotte. Voor de Eu is het belangrijkste dat Afrikaanse migranten niet tot in Europa geraken. De EU is daarvoor bereid om de smerigste akkoorden met al-Bashir af te sluiten. Zo worden de Rapid Support Forces (RSF – de vroegere Janjaweed-milities) ook ingezet om aan de grens met Libië, Eritrea en Ethiopië te patrouilleren en vluchtelingen en migranten tegen te houden voor ze de Middellandse Zee-kusten bereiken. Dat kadert in het Khartoem-proces, een, zoals dat dan heet, ‘platform voor politieke samenwerking tussen de landen langs de migratieroute tussen de Hoorn van Afrika en Europa’.

De steun voor de Soedanese opstandelingen komt eigenlijk alleen uit de Soedanese diaaspora. Die informeert zoveel mogelijk en organiseert vreedzame demonstraties bij de Sudanese ambassades en consulaten in Toronto, Washington, Londen, Parijs… Demonstraties waar ook al niemand aandacht aan schenkt.

Opties voor de toekomst

Volgens Omar al-Bashir gaat het eigenlijk om sabotage door “agenten, huurlingen en verraders”. Hij belooft “echte hervormingen die een goede levenskwaliteit voor de burger garandeert”. Meer specifiek is hij niet maar dat is ook niet nodig, van zijn geloofwaardigheid blijft niets over bij het merendeel van de bevolking. Er zijn dan ook maar drie mogelijke opties.

De eerste bestaat eruit dat de Islamistische beweging iedereen probeert te verrassen door een paleisrevolutie. Die zal ongetwijfeld uitmonden in een misschien nog grotere volksopstand waar het ‘vernieuwde’ regime, ook ongetwijfeld, nog brutaler zal tegen optreden dan dat het nu doet.

De tweede optie is een compromis tussen de islamisten aan de macht met invloedrijke politieke krachten van de oppositie. Zoals Sadek Al-Mahdi, de 83-jarige oud-premier die in 1989 door Omar al-Bashir uit het zadel werd gelicht. Hij lijkt meer geneigd te zijn compromissen te sluiten om tot een zachte landing te komen. Daarbij zou dan een eind komen aan de macht van de regerende National Congress Party (NCP) waarna, in een overgangsfase, alle politieke partijen, inclusief de NCP, gaan debatteren over het hoe en wat van de komende macht. Ook deze oplossing zal de bevolking, vooral de jongere generatie, niet pikken. Net zomin zal de National Concensus Forces dit niet kunnen aanvaarden. Het is immers een voortzetting van de al decennia gevoerde oude politiek.

De derde optie is die van de radicale verandering waarbij de islamisten van de macht worden uitgesloten en er een echte breuk met het politieke verleden ontstaat. Dat is het project dat de National Concensus Forces voorstaat: Omar al-Bashir afzetten en een overgangsraad opzetten. Die moet nieuwe verkiezingen organiseren terwijl een regering van technocraten een politiek landschap voorbereid waarin een echt pluralisme bestaat met een regering die een totaal nieuw beleid gaat voeren.

Hoewel die uitkomst dichter aansluit bij wat de manifestanten willen zal het zeer waarschijnlijk juist die optie zijn die met alle macht zal worden bestreden door de traditionele politieke krachten en de Islamitische beweging. Een ander gevaar loert trouwens om de hoek. Soedan is een land van diepe etnische verdeeldheid. Vandaag zijn ze verenigd tegen een gemeenschappelijke vijand maar ze dienen een reden en een manier te vinden om te blijven samenwerken.

Elk ontslag – al dan niet vrijwillig – van president al-Bashir kan chaos doen ontstaan. De demonstranten willen een nieuw Soedan. Het zal aan hen zijn om ervoor te zorgen dat een van de oudste Afrikaanse dictaturen geen heropstanding kent in een nieuwe dictatuur.

Francis Jorissen woont in het midden van nergens ergens in Frankrijk, nieuwsgierig, schrijver en free-lance journalist, activist, would-be wereldreiziger en geïnteresseerd in Rusland, de landen die ooit behoorden tot wat men toen 'Het Oostblok' noemde en het Midden-Oosten