Meer ongelijkheid leidt tot andere leiders

Facebooktwittergoogle_plusmail

De mate van ongelijkheid in een maatschappij heeft een invloed op de leiders die ze krijgt en hoe die op hun beurt de maatschappij veranderen. Grotere ongelijkheid leidt met name tot dominantere leiders die vaker neigen tot agressie en die hun macht proberen te vergroten door angst in te boezemen.

Binnen steeds meer landen neemt de ongelijkheid toe. Er wordt eveneens meer onderzoek gevoerd naar de gevolgen daarvan. Zo publiceerden drie topacademici in 2018 een opmerkelijk artikel over dit onderwerp in het wetenschappelijk magazine ‘The Leadership Quarterly’. De hoofdauteur is dr. Richard Ronay, assistent-professor aan de Amsterdam Business School die deel uitmaakt van de Universiteit van Amsterdam.

De drie auteurs focussen zich in hun onderzoek onder meer op de Verenigde Staten en geven ons een idee van hoe het komt dat leiders zoals Donald Trump steeds meer opgang lijken te maken.

Dominant versus prestigieus

De auteurs onderscheiden twee types van leiders. Sommige figuren worden leiders via dominantiestrategieën, anderen door het prestige dat ze genieten bij de groep.

In meer gelijke omgevingen kunnen leiders niet of nauwelijks rekenen op meer hulpbronnen, zoals voedsel of geld, dan hun groepsleden. Personen die neigen tot dominant leiderschap zijn in deze omstandigheden minder geneigd in competitie te treden met anderen om leider te worden, omdat ze er minder bij te winnen hebben. In zo’n context beslist de groep welk groepslid ze als leider wil. De leider wordt gekozen op basis van diens vaardigheden, successen of kennis, dus op basis van prestige.

Prestige-gebaseerde leiders blijken opvallend vrijgevig en schatten de belangen van hun groep minstens even hoog in als die van henzelf. Ze zijn vriendelijk en hebben zelden een slecht humeur. Leden van groepen met dergelijke leiders volgen hen niet omdat ze er angst voor hebben, maar omdat ze vinden dat ze ermee gebaat zijn hen te volgen. Potentiële leiders in zulke groepen aanvaarden het leiderschap omdat ze in ruil lof van hun volgelingen krijgen, gunsten van allerlei aard, kleine geschenken en hulp bij allerhande projecten.

Dominantie-gebaseerde leiders stimuleren angst in hun groep. Groepsleden vrezen dat deze leiders hen zullen schaden als ze niet volgen. Dit soort van leiders neemt vaak beslissingen die goed zijn voor henzelf, maar slecht voor hun groep. In groepen waar veel ongelijkheid heerst, zijn er vaker dergelijke leiders terug te vinden omdat ze bij een plaats aan de top van de hiërarchie kunnen rekenen op meer waardevolle hulpbronnen, zoals voedsel of geld.

Dat is de theorie. In de praktijk, verduidelijken de drie academici, baseren de meeste leiders hun gezag op een mengeling van dominantie en prestige. Er zouden dus bijvoorbeeld mensen kunnen zijn die hun leiderschap voor 80% op dominantie en voor 20% op prestige baseren. Ook gebeurt het wel eens dat een groep met vrij veel ongelijkheid toch een eerder prestige-baseerde leider heeft.

Bavianen en olifanten

Om de logica van leiderschap bij de mens te begrijpen, is het nuttig eens te kijken hoe het er aan toe gaat bij de dieren. De auteurs stellen dat belangrijke hulpbronnen in het dierenrijk bestaan uit voedsel en toegang tot vrouwelijke dieren.

Ze geven het voorbeeld van leiderschap bij bavianen. Beknopt gesteld, vinden die moeilijk toegang tot voedsel met hoge caloriewaarde zoals zaden, bessen en vlees. Sommige bavianen hebben toegang tot meer voedsel, bijvoorbeeld door hun fysieke kracht, wat ervoor zorgt dat ze ook meer voedsel kunnen schenken aan anderen in de groep. Op die manier kunnen ze andere groepsleden aan zich binden in hun strijd om de macht. Verder is het duidelijk zichtbaar wanneer vrouwelijke bavianen bronstig zijn en dominante mannetjes proberen hen dan af te schermen van anderen. Door deze factoren zijn de leiders bij de bavianen de sterkste en meest agressieve exemplaren: de alfamannetjes.

Heel anders is het bij de olifanten. Zij eten plantaardig materiaal dat makkelijk te vinden is. Een volger heeft bijgevolg even vlot toegang tot voedsel als een leider. Volgers kunnen ook makkelijker met bronstige vrouwtjes paren. De typische leider van een groep olifanten is een van de oudste vrouwelijke olifanten, de matriarch.

Chimps en bonobos

Een ander voorbeeld dat aangehaald wordt in het artikel is het verschil tussen chimpansees en bonobo’s. Ze zijn nauw aan elkaar verwant maar vertonen een totaal verschillend sociaal gedrag. Bij chimpansees gaat het er in belangrijke mate aan toe zoals bij bavianen: dominante mannetjes knokken zich een weg naar een zo groot mogelijk monopolie over voedsel en toegang tot vrouwelijke soortgenoten. Bonobo’s zijn echter minder hiërarchisch georganiseerd. De vrouwelijke dieren smeden er allianties met elkaar. Bondgenootschappen dwingen bonobo’s niet af door agressie, maar worden gecreëerd via seks.

De oorzaak van de verschillende wijze waarop bonobo’s en chimpansees geëvolueerd zijn, zou liggen bij de totaal verschillende plaatsen waar ze zich ontwikkelden: bonobo’s evolueerden in gebieden waar ze vlotter aan voedsel kunnen geraken.

Hadza

De drie auteurs kijken vervolgens naar de groepsmechanismen in traditionele samenlevingen, zoals bij de Hadza die in Tanzania leven. Net als bij de meeste andere jager-verzamelaars die consumeren wat ze dagelijks vinden, is delen een belangrijke waarde bij de Hadza. Als je lid bent van een dergelijke groep is het ook in je eigen voordeel om te delen, want zelfs de beste jagers komen wel eens met lege handen thuis of worden soms ziek. Als er dan niemand met je wil delen omdat je dat zelf ook nooit deed, heb je natuurlijk een probleem. Goede jagers delen ook hun kunde met andere jagers. Gevolg: het leiderschap bij de Hadza is prestige-gebaseerd. Als er toch een individu opstaat dat zich dominant probeert op te stellen om te heersen over de groep, vormen zich snel coalities van groepsgenoten om die verwaande kwast uit te sluiten.

Yanomamö

De Yanomamö-indianen leven van jacht en tuinbouw in het Amazonegebied. Ze hebben, net als de Hadza, weinig bezittingen. Maar doordat ze aan tuinbouw doen en een vrij sedentaire leefwijze hebben, beschikken ze over meer mogelijkheden om beslag te leggen op hulpbronnen. Dat zorgt ervoor dat een man meerdere vrouwen kan onderhouden. Polygamie komt er vaak voor. Enerzijds worden vrouwen vaak veroverd via geweld en anderzijds doordat mannen, gezien hun ruimere toegang tot hulpbronnen, bondgenootschappen kunnen sluiten die hen extra vrouwen opleveren. Het gevolg is dat de leiders van de Yanomamö vaker dominant zijn.

Bedrijven

Volgens het artikel in The Leadership Quarterly zijn bedrijven vandaag van die aard dat ze vooral leiders opleveren die hun positie verwerven door dominantie. Ondernemingen bieden namelijk mooie kansen om hulpbronnen, in dit geval dus inkomens zoals salarissen en bonussen, te monopoliseren. “Zij die worden geselecteerd voor leiderschap genieten aanzienlijke voordelen, zodat er een felle concurrentie is voor dergelijke functies”, schrijft het drietal. “Zo verdiende de CEO van één van de S&P 500 [de 500 grootste Amerikaanse bedrijven] 25 jaar geleden ongeveer 30 keer meer dan de gemiddelde werknemer, in 2014 is deze verhouding al opgelopen tot 373 keer.”

Ronay en zijn medeauteurs wijzen in dat verband onder meer op de Amerikaanse beurswaakhond SEC die in 1992 verklaarde dat bedrijven de salarissen van hun CEO’s op duidelijke wijze openbaar moesten maken. De hoop was dat dit zou leiden tot gevoelens van schaamte, waarna de vergoedingen zouden dalen. Het tegenovergestelde deed zich voor: dankzij de vrijgegeven cijfers konden CEO’s hun inkomsten vlot vergelijken met die van andere CEO’s, waarna ze alles in het werk stelden om nog meer te verdienen. Dat gedrag is mede te verklaren doordat bedrijfsleiders toen al vooral dominante types waren.

Een element dat volgens de drie auteurs bijdraagt tot de huidige situatie, is dat CEO’s in de moderne zakenwereld ook enorme financiële beloningen kunnen krijgen als hun prestaties niét goed zijn. Ze verwijzen naar een omvangrijke studie die duizenden CEO’s in 1400 beursgenoteerde ondernemingen gedurende 5 decennia onder de loep nam. Daaruit zou blijken dat de vergoedingen die een CEO ontvangt weinig te maken hebben met de prestaties van de onderneming.

Merk op dat het type leider zelf ook een invloed heeft op de cultuur van zijn of haar groep. Daar werd onderzoek naar gedaan in de bankensector. De manier waarop dominante leiders daar omgaan met conflicten, bepaalt de cultuur van hun organisatie-eenheid. In de bankensector leidde dat ertoe dat mensen minder vertrouwen hadden in elkaar, dat er meer onderlinge competitie was en dat ze zich minder betrokken voelden bij de bank waarvoor ze werkten.

Eigenbelang en concurrentie

Een ongelijke verdeling van hulpbronnen verandert de psychologie van zowel leiders als hun volgers: “De norm van het eigenbelang heeft een zeer hoge status gekregen in westerse, op de markt gebaseerde culturen. Zelfs als iemand van nature niet geneigd is om te gaan voor het eigenbelang ten koste van anderen, zorgt de verwachting dat anderen zich wel op zo’n manier zullen gedragen ervoor dat ze toch steeds meer geneigd zijn op die manier te handelen. Dat houdt een cultuur van ‘ik eerst’ en ongelijkheid in stand.”

Andere factoren

In hoeverre ongelijkheid aanleiding geeft tot een cultuur van welig tierende concurrentie, wordt volgens de auteurs bepaald door de interactie tussen twee factoren. Ten eerste de factor of er in een groep al dan niet personen aanwezig zijn die een afkeer voelen voor ongelijkheid. Ten tweede de factor of er binnen een groep meer of minder kansen zijn om de situatie te reguleren, bijvoorbeeld door personen te straffen die proberen om zich zoveel mogelijk hulpmiddelen toebehorend aan de groep toe te eigenen, zonder op evenredige wijze bij te dragen. Als er geen mogelijkheden zijn om te sanctioneren, kan één enkel egoïstisch groepslid ervoor zorgen dat een groot aantal anderen, die tegen ongelijkheid zijn, toch met elkaar in concurrentie treden. Maar als het wel mogelijk is vrijbuiters te straffen, kan een klein aantal personen dat tegen ongelijkheid is, ervoor zorgen dat egoïstische types beginnen samen te werken en zelfs bijdragen aan het welzijn van de groep.

Wantrouwen

Wanneer eigenbelang en dominantie de overhand krijgen, vermindert het vertrouwen van de groepsleden. Zeker bij diegenen die de minste macht hebben, want zij worden als eersten uitgebuit. Uit onderzoek blijkt dat mensen in landen die meer egalitair zijn, meer vertrouwen hebben.

In de Verenigde Staten is het vertrouwen van de burgers de afgelopen jaren sterk verminderd. Zo’n verlies van vertrouwen heeft in regel als gevolg dat mensen zich steeds minder engageren voor hun gemeenschap. Ze voelen zich steeds minder verantwoordelijk voor hun groep en gedragen zich steeds minder als ‘goede burgers’. Tenslotte delen ze steeds minder informatie met elkaar. Als ze weinig vertrouwen hebben, proberen mensen vooral zichzelf te redden.

Populaire dominantie

Als dominantie-gebaseerde leiders zich bedreigd voelen in hun leiderschapspositie, zorgen ze er onder andere voor dat informatie moeilijker doorstroomt. Ze sluiten getalenteerde leden uit, wat natuurlijk ten koste gaat van de groepsprestaties. Door de communicatie binnen de groep te beperken, vooral tussen getalenteerde groepsleden, proberen ze te voorkomen dat er banden ontstaan tussen deze leden. Ze leveren veel inspanningen om de meest getalenteerde personen te isoleren.

Opmerkelijk is dat dit gedrag verdwijnt wanneer deze leiders merken dat hun groep in concurrentie geraakt met andere groepen. Dan nemen zelfs dominante leiders maatregelen die in het belang zijn van hun groep. In zo’n situatie vallen de doelstellingen van de groep en leider namelijk meer samen: als de groep het onderspit delft tegen een andere groep, gaat de leider immers mee ten onder.

Dan is er nog de reactie van mensen als hun groep meer concurrentie te verduren krijgt van een andere groep. Als ze het gevoel krijgen dat dit gebeurt, aanvaarden ze sneller een dominante leider. De auteurs verwijzen in dat verband naar drie studies over een periode van twee decennia, waaraan meer dan 140.000 deelnemers in 69 landen deelnamen. Als er economische onzekerheid heerste, gekenmerkt door meer armoede, leegstaande woningen en werkloosheid, bleken mensen meer te verlangen naar dominante leiders. Misschien zijn er wel lezers die daarbij denken aan de populariteit van mensen zoals Victor Orbán, Donald Trump, Vladimir Poetin, Rodrigo Duterte en Jair Bolsonaro. De grote vraag is welke leiders we zullen krijgen als de ongelijkheid nog verder toeneemt? De toekomst zal het uitwijzen.

Bron:

Ronay R., Maddox W. W., VonHippel W., ‘Inequality rules: Resource distribution and the evolution of dominance- and prestige-based leadership’, The Leadership Quarterly (2018), https://doi.org/10.1016/j.leaqua.2018.04.004