Geen belastingen, geen sociale bijdragen … geen loon?

Facebooktwittergoogle_plusmail

Waarom de sociale bescherming in gevaar is.

Hoeveel decennia zijn de ‘besparingen’ op de sociale zekerheid, de openbare diensten, de ambtenaren … al bezig? We kennen de problemen, maar telkens wordt er op deze of gene maatregel gereageerd, slechts zelden neemt iemand de moeite de achterliggende filosofie te bekijken. Het is ‘neoliberalisme’, of het is ‘de mondialisering’ en zeer zeker is het ‘de rechterzijde’ en ja, ook de schuld van de Europese Unie. Dat is allemaal waar, maar het begin van een ernstige reflectie over hoe we ons 1) beter kunnen organiseren om die pletwals tegen te gaan, en 2) welke sociale bescherming we dan wel willen in de toekomst, heb ik nog niet gezien.

Nu vandaag de ‘gele hesjes’ zowat overal in Europe de kop opsteken en uiting geven aan de terechte woede bij zeer veel mensen, wil ik proberen nog een keer duidelijk te maken wat er aan het gebeuren is, welke sociale toekomst er in de pijplijn zit en hoe we daarop kunnen reageren. De ‘gele hesjes’ zijn niet meer dan een symptoon, de invloed van extreem-rechts kan niet worden geloochend, en de vakbonden blijven broodnodig om een alternatief uit te stippelen.

Ik begin met een klein stapje terug in de geschiedenis om daarna het jongste verslag van de Wereldbank te bespreken.

Armoede! Armoede!

Tot vandaag kijken veel mensen verbaasd op als je hen zegt dat de klemtoon op armoede misplaatst is. Armoede is wel degelijk een ernstig en onaanvaardbaar probleem, en arme mensen moeten geholpen worden, zo veel staat vast. Maar ondanks de schijn die de blijvende armoede wekt, is het in feite een eenvoudig op te lossen probleem. Armoede is een geldtekort, geef mensen een degelijk loon of een decente uitkering, en het probleem is van de baan. Het is een miniem percentage van de mensen die vandaag in armoede leven, die meer dan geld zullen nodig hebben. Voor hen hebben we een heel legertje uitstekende sociale werkers.

Wat moet stoppen, is de ‘armoedefabriek’. De grote meerderheid van mensen in armoede schommelt met een inkomen rond de armoedegrens, en een even groot deel leeft met een inkomen net boven de armoedegrens. Dat is de groep die nu door denktank Minerva werd ‘ontdekt’: de lagere middenklasse die met armoede wordt bedreigd. Indien we willen vermijden dat deze groep ook effectief uit de boot valt, hebben we een degelijke sociale bescherming nodig met goede werkgelegenheid, voldoende uitkeringen van werkloosheid tot pensioenen, en openbare diensten. Indien we de armoede effectief willen bestrijden, is het deze groep die alle aandacht verdient, net zoals de middenklassen in het algemeen. Het is de enige manier om ook een eind te maken aan de armoede, want het gaat niet op het economisch systeem armoede te laten produceren, om die dan aan het eind van de rit met een gebrekkig sociaal systeem te proberen oplossen.

Laat het nu net dat proces zijn dat in feite werd ingeleid door de Wereldbank zo’n goede dertig jaar geleden. Toen werd de armoede mondiaal ‘ontdekt’, de prioriteit van de ontwikkelingssamenwerking moest naar armoedebestrijding gaan. De NGO’s jubelden, want de Wereldbank had een ‘sociaal hart’ gekregen. Wie alle teksten nauwkeurig analyseerde, ontdekte echter ook iets anders: wat de Wereldbank voorstelde was een vorm van sociale bijstand voor extreem arme mensen en een afschaffing van alle vormen van sociale zekerheid voor alle anderen. Wie meer wilde kon zich een verzekering kopen op de markt. De overheid had in die logica enkel een verantwoordelijkheid voor de armen, niet voor de anderen.

Wie de details van deze analyse wil lezen, verwijs ik naar mijn boek ‘Globalisering’ en armoede’.[1] De prioriteit die naar armoedebestrijding ging was niet meer dan een rookgordijn waarachter de sociale zekerheid verdween.

Het spreekt voor zich dat het niet de Wereldbank is die bepaalt hoe onze sociale zekerheid/bescherming wordt georganiseerd. Wat de Wereldbank vertelt is een mondiaal discours dat ze samenstelt met bewuste en onbewuste bijdragen van tal van mondiale, regionale en nationale actoren. Op die manier bouwt ze kennis op die als mondiale consensus kan verspreid worden. De formele en informele bijeenkomsten type Bilderberg en Davos spelen er een grote rol in, net zoals de OESO en de Europese Unie. Feit is dat dit sociaal paradigma wereldwijd geaccepteerd en geleidelijk aan uitgevoerd werd. Het sloot wonderwel aan bij de ‘structurele aanpassingen’, later Washington Consensus’ genoemd en vandaag gewoon ‘neoliberaal beleid’. Van de ‘derde wereld’ kwam het met enkele decennia vertraging ook Europa binnen. Er werd naadloos aangeknoopt met alle groepen die al lang een eind wilden maken aan onze verzorgingsstaten. Lees hierover het interessante boek van Daniël Zamora.[2]

Van armoedebestrijding naar sociale bescherming

Toch is er ook altijd verzet geweest tegen deze zeer beperkte visie op sociaal beleid, bij diverse VN-instellingen zelf en vooral bij de ILO, de Internationale Arbeidsorganisatie. Zij drongen erop aan ook te kijken naar de groeiende ongelijkheid en te streven naar een universele sociale bescherming.

Ik wil hier het hele verhaal van hoe de Wereldbank er uiteindelijk toe kwam eveneens een ‘universele sociale bescherming’ te verdedigen, niet herhalen.[3] Wel wil ik aangeven waar we vandaag staan en hoe dit in een Belgische context wordt vertaald.

Twee feiten moeten vermeld worden: in 2012 neemt de ILO en ‘Aanbeveling’ aan over ‘sokkels voor sociale bescherming’, een goed maar minimaal programma om alle mensen, overal ter wereld, een minimum aan inkomenszekerheid en sociale diensten te bieden.

En waar de Wereldbank én het IMF (Internationaal Muntfonds, haar zusterorganisatie) halsstarrig bleven pleiten voor een doelgerichte aanpak voor de armen (‘targeting’) gaf de Voorzitter van diezelfde Wereldbank, samen met de Directeur-Generaal van de ILO in 2015 een gezamenlijke verklaring uit voor een ‘universele sociale bescherming’.

Wat was er gebeurd en hoe echt was deze bocht? In de praktijk was er van verandering niet veel te merken. Wel had de Wereldbank in 2013 een nieuwe strategie goedgekeurd om tegen 2030 de extreme armoede uit te roeien en om de ongelijkheid als probleem te erkennen. Voortaan wil men de 40 % laagste inkomens sneller laten groeien dan de rest van de wereldbevolking. Het zijn deze twee punten die ook in de ‘Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen’ van de VN in 2015 zijn opgenomen.

Er is meer: samen met die nieuwe strategie ging de Wereldbank ook meer aandacht besteden aan arbeid. In het document over de nieuwe strategie[4], in het ontwikkelingsrapport van 2013 en in het jongste ontwikkelingsrapport van 2019[5] werden telkens een paar moedige doch al bij al vage verklaringen opgenomen. De fundamentele normen van het arbeidsrecht zijn nodig, zo wordt nu gezegd, maar er moet een goed evenwicht zijn tussen bescherming en concurrentievermogen. Collectieve onderhandelingen kunnen, maar er wordt getwijfeld aan de invloed ervan, net zoals aan die van de vakbonden. En enige consensus over een werkgelegenheidsbeleid is er niet.

Een paar zinnetjes in het jongste ontwikkelingsrapport geven echter perfect aan waar men naar toe wil. Hier wordt duidelijk dat de Wereldbank niet is veranderd en nog steeds achter haar ideeën van 1990 staat, dit is een overheid die zorg draagt voor de armen en al de rest aan de privé-sector overlaat. Alleen noemt ze haar ‘armoedebeleid’ nu ‘universele sociale bescherming’…

Een meer universele benadering is nodig, zo zegt ze, maar dat vergt wel veel geld. En het ‘Bismarck-model’ is aan het afsterven. Een model gebaseerd op sociale bijdragen is niet iets waar landen moeten naar streven, zo gaat ze verder, want er zijn nauwelijks nog stabiele jobs. We moeten dringend nadenken over een nieuw model. Alleen voor sociale bijstand wil de Wereldbank wel denken aan een ‘geleidelijk universalisme’.

Daar staan we dan. Een paar zinnen, maar de hele filosofie wordt duidelijk.

De Wereldbank is voor een universele sociale bescherming voor zover dit beperkt blijft tot een absoluut minimum en volledig wordt betaald door de overheid, uit belastingen. Dit kan dus inderdaad aansluiten bij wat de ILO ook voorstaat in haar ‘sokkels’.

De Wereldbank is net zoals dertig jaar geleden, tégen sociale verzekeringen. Ze kan de aanwezigheid van vakbonden verdragen, hoewel een volledige steun aan de fundamentele normen van het arbeidsrecht toch nog een brug te ver is.

Universele sociale bescherming dus, aangeboden door de Staat. De cirkel is bijna rond.

Geen belasting, geen sociale bijdragen, geen loon?

De voorstellen van de Wereldbank betekenen geenszins dat dit het model is dat onvermijdelijk op ons af komt. Het voordeel van discoursanalyse is wel dat je de continuïteit kan aantonen van op het eerste gezicht tegenstrijdige verhalen. En dat sociale bewegingen kunnen zien wat er in de pijplijn zit en dus het verzet kunnen voorbereiden, nog vóór de triomfalistische kreten over het nieuwe universalisme de media halen.

Het is tegen deze achtergrond dat men kan begrijpen wat CD&V twee jaar geleden op haar congres besprak: een minimale sociale bescherming voor iedereen en daarboven op een door de onderneming aangeboden ‘extra’ verzekering, in samenwerking met de privé-sector, uiteraard (zie artikel hier).

Want dit is waar grote ondernemingen naar streven: produceren om winst te maken en alle winst op zak steken. Of m.a.w., in eerste instantie zo goed als geen belastingen betalen. Dit is al bijna bereikt, dankzij alle legale achterpoortjes die de neoliberale regeringen hebben gecreëerd.

In tweede instantie de arbeidskosten zo sterk als mogelijk beperken. Basis sociale bescherming afwentelen op de overheid, en enkel in sommige gevallen een extraatje bieden aan de werknemers. Dit zal uiteraard makkelijker zijn voor grote ondernemingen dan voor de kleintjes. De vakbonden worden in de hoek geduwd.

En uiteindelijk, waarom niet, ook de lonen zoveel mogelijk afwentelen op de overheid. Zo kan je de voorstellen voor een basisinkomen, of de 100 Euro van Voka begrijpen. Wij, ondernemingen, moeten toch competitief blijven!

Wie denkt dat het in Europa of in België niet zo’n vaart zal lopen, kan zich vergissen. De arbeidsmarkt is hoe dan ook sterk aan het veranderen. En ook aan progressieve kant wordt alsmaar meer kritiek op de ‘paternalistische’ verzorgingsstaat gehoord. De rechterzijde doet er alles aan om de verzorgingsstaat definitief te doen verdwijnen. Tot en met het sociaal werk wordt geprivatiseerd.

De sociale bescherming vernieuwen

Het kan niet voldoende herhaald worden. De sociale zekerheid die we in België hebben opgebouwd is nog steeds één van de sterkste systemen in Europa, ook al wordt er voortdurend aan geknabbeld. Maar het systeem kan in de 21ste eeuw niet overleven als we niet voldoende rekening houden met alle grote veranderingen op de arbeidsmarkt én met de plannen van de rechterzijde. Dat grote debat is, voor zover ik weet, nog steeds niet begonnen. De verdediging van een status quo kan niet voldoende zijn.

Maar we weten wel wat werkgevers en internationale instellingen, inclusief de Europese Unie, aan het voorbereiden zijn. Vandaag wordt een discours opgebouwd, wordt kennis geproduceerd die morgen als evidente waarheid zal worden verspreid.

Hoe kunnen we ervoor zorgen dat in alle nieuwe sectoren van de economie zowel de productie als de reproductie door werkgevers worden betaald? Hoe kunnen we het vennootschapsrecht omvormen om bedrijven een bredere verantwoordelijkheid, voor mens en milieu, mee te geven? Hoe kunnen we ondernemingen verplichten voldoende belastingen te betalen? Hoe kunnen we de sociale bijdragen zo hervormen dat ook intermittent werk voldoende verloond wordt?

De deeloplossingen die nu en dan uit de bus komen zijn lang niet voldoende. We hebben een algehele visie nodig van hoe we de sociale bescherming, met sociale verzekeringen, arbeidsrecht, bijstand én openbare diensten kunnen organiseren. Dit gaat over véél meer dan enkel herverdeling en het gaat over iets geheel anders dan correctiemechanismen op een gefaald economisch systeem.

‘Jobs, jobs, jobs’ roept de Eerste Minister, maar als ondernemingen steeds minder belastingen, sociale bijdragen en lonen betalen, zijn we daarmee niet op de goede weg. Wat we nodig hebben is een economisch systeem dat zorg draagt voor mens en milieu en een sociaal systeem dat daar mee vorm kan aan geven. Sociale bescherming, gericht op sociale rechtvaardigheid, kan een insteek zijn voor een beter milieubeleid waarmee mensen niet langer met de moraliserende vinger worden gewezen, maar waarmee hen positieve materiële vooruitgang wordt geboden. Géén ‘geluk’ maar inderdaad meer koopkracht en zekerheid. Dat is wat de gele hesjes vragen.

Ik zie alleen een progressieve linkerzijde die hieraan kan werken. Wanneer beginnen we eraan?

Francine Mestrum

(Voor wier meer wil lezen over een nieuwe sociale bescherming, zie www.socialcommons.eu en www.globalsocialprotectioncharter.eu )

[1] Mestrum, F., Globalisering en armoede, Berchem, EPO, 2002.

[2] Zamora, D., De l’égalité à la pauvreté, Bruxelles, Ed. ULB, 2018.

[3] Voor een korte samenvatting en een uitgebreidere analyse van wat in dit artikel wordt uitgelegd, zie ***

[4] World Bank, Resilience, Equity and Opportunity, Washington, The World Bank, 2012.

[5] World Bank, World Development Report, 2013 en 2019.

Francine Mestrum is doctor in de sociale wetenschappen en doet onderzoek naar sociale rechtvaardigheid, ontwikkeling en samenwerking, armoede, ongelijkheid en mondialisering. Zij is voorzitter van het mondiale netwerk van Global Social Justice (www.globalsocialjustice.eu) en werkt momenteel aan een project voor ‘social commons’ (www.socialcommons.eu ) voor een transformatieve en universele sociale bescherming.