De fabel van het liberalisme dat de wereld redt

Facebooktwittergoogle_plusmail

There is no alternative, TINA. In het Westen wordt het liberalisme beschouwd als een onoverwinnelijke doctrine. Een product van het Europese genie, het zou de oorsprong zijn van de belangrijkste economische prestaties ooit,  waarover de ontwikkelde Westelijke samenleving trots kan zijn.

Maar de dominante ideologie is niet tevreden met alleen het toekennen van alle deugden aan dit systeem. Het gaat erom het marktenthousiasme te verspreiden, en de wereld op te zadelen met liberale recepten.

China

Een Franse redacteur kon in een televisiedebat zomaar zeggen, zonder tegengesproken te worden, dat het liberalisme de armoede in China heeft uitgeroeid. In het licht van dergelijke stelligheid faalt rede. Neoliberalen zijn fanatiek doctrinair en elke vooruitgang kan niet anders dan te danken zijn aan hun neoliberalisme. Ze zien niet dat China een sterke overheid heeft die uiteraard afhankelijk is van een bloeiende particuliere sector, maar ook van een krachtige publieke sector die 80% van de activa in de belangrijke sectoren bezit. Voor wie het nog niet zou hebben opgemerkt,  de Chinese staat controleert de nationale valuta, het bankensysteem en de financiële markten.

Het is duidelijk dat de internationale openheid die door de communistische markt vanaf de jaren tachtig is doorgevoerd, de waarde van alle hulpbronnen en technologieoverdracht heeft beïnvloed. Maar we kunnen geen verband zien tussen het gedurfde handelsbeleid en de liberale dogma’s, of het nu gaat om zelfregulering van de markt of om zuivere concurrentie. Liberalisme heeft de handel niet uitgevonden, die bestond al lang voordat een liberaal idee ontstond.

Armoede zou zijn overwonnen dankzij liberale recepten, in de verbeelding van de liberalen? In feite is het economisch succes van China meer te danken aan het beleid van de Chinese staat dan aan de onzichtbare hand van de markt.  In dertig jaar tijd is het bbp met 17 vermenigvuldigd en werden 700 miljoen mensen uit de armoede getrokken. Dat de armoede in de wereld in dezelfde periode daalde, is vooral te danken aan het economisch beleid van de Chinese regering, niet aan het neoliberalisme.

vergelijking

Vanuit het perspectief van de relatie tussen liberalisme en ontwikkeling is de vergelijking tussen de twee Aziatische reuzen, China en India, bijzonder illustratief. In 1950 waren China en India in een extreme staat van verval en ellende. China was ook in een slechtere positie dan de buurman met een bbp per capita zoals dat van sud-Sahara Afrika en een levensverwachting van 42 jaar. Tegenwoordig is China de leidende economische macht van de wereld en het bbp is 4,5 keer zo groot als dat van India. Niet dat deze laatste geen vooruitgang heeft gekend. Integendeel na de Indische onafhankelijkheid in 1947 heeft het land een grondige versnelde economische ontwikkeling tot stand gebracht.

Ondanks de recordgroei is de sociale situatie van het land niet rooskleurig. Het is beter om in China geboren te worden dan in India waar de kindersterfte vier keer hoger is. De levensverwachting van de Indiërs (67 jaar) is veel lager dan die van de Chinezen (76 jaar). Een derde van de Indiërs heeft geen elektriciteit of sanitaire voorzieningen en 30% van de bevolking leeft met ondervoeding. Hoe is een dergelijke verschuiving te verklaren?

Voor Jean Drèze en Amartya Sen in hun boek ’Pracht van India Development – Democraty and Inequality’ is India het enige BRICS-land dat geen grote expansie van overheidssteun of economische herverdeling heeft meegemaakt. China boekte al vroeg een enorme vooruitgang op het gebied van universele toegang tot basisonderwijs, gezondheidszorgen sociale bescherming voordat het begon met marktgerichte economische hervormingen in 1979. Voor Amartya Sen,  Nobelprijs economie 1998, had India hetzelfde als China moeten doen. Nu heeft het de openbare investeringen in onderwijs en gezondheid gemist.

onderwijs

Maar waarom? De uitleg van de twee economen over het onderwijsbeleid is bijzonder interessant. De Indische planners deden het tegengestelde van hun communistische tegenhangers in Moskou, Peking en Havana. Deze landen maakten echt werk van het universeel recht op schoolonderwijs als een socialistische vereiste. India daarentegen heeft ter bescherming van de hogere kaste, de opvoeding van de massa en de aanwezigheid van de kastelozen in het lager onderwijs vertraagd. Het verschil in niveaus van onderwijsontwikkeling tussen de twee landen, China en India, is frappant. De heersende elite van het nieuwe India na 1947 had mooi zich te beroepen op progressieve idealen, maar ze heeft de discriminaties niet weggewerkt: niet in de hiërarchische samenleving, niet tussen mannen en vrouwen.

Als China in staat is geweest om problemen op te lossen waar India nog steeds mee worstelt, dan is het zeker niet omdat het meer liberaal is, in feite is het precies het tegengestelde. Door het land een solide openbare infrastructuur te geven heeft het Chinese socialisme, ondanks zijn fouten, de voorwaarden gecreëerd voor een langetermijnontwikkeling van het land. De leiders van China, mogen de vrijhandel prijzen, maar ze weten dat de samenhang van de Chinese samenleving niet gebaseerd is op internationale handel. Voordat het zijn economie opende, heeft China zijn onderwijs en zijn gezondheidszorgsysteem voorrang gegeven. Het is duidelijk dat ze vandaag de vruchten plukt van haar inspanningen om de wereldwijde economische concurrentie het hoofd te bieden.

Algemeen belang

Het is natuurlijk niet meer het liberalisme van Deng Xiau Ping met zijn éénkindbeleid. Door deze inbreuk op de privésfeer heeft Peking echter wel de uitdaging aangekund van anticonceptie die essentieel was voor ontwikkeling. Iedereen is het er vandaag over eens om toe te geven dat dit beleid nodig was. Maar het is moeilijk om het liberalisme er de pluim voor te geven. Algemeen belang voorrang geven aan particuliere belangen is absoluut geen neoliberaal kenmerk. In India zijn de pogingen van Indira Gandhi niet even succesvol geweest en de demografische hypotheek blijft intussen zwaar op de ontwikkeling van het land wegen.

De Indische deelstaten die het goed doen, zeggen Jean Drèze en Amertya Sen, zijn deze die eerder een solide basis hadden gelegd voor participatieve ontwikkeling, sociale bijstand, onderwijs en gezondheid. De staat Kerala (Zuidwest India) is dan ook met een index voor menselijke ontwikkeling die veruit de hoogste van het land is, de sociale etalage van het subcontinent. Het is ook de staat waar de demografische transitie het meest voltooid is, wat bijdraagt tot de positieve evolutie. De daling van het geboortecijfer houdt rechtstreeks verband met het beleid om het opleidingsniveau van elkeen te verbeteren. Kerala was erg arm op het moment van de Indische onafhankelijkheid (1947) en is toen begonnen aan een ambitieus programma van onderwijs, gezondheidsontwikkeling, het scheppen van de voorwaarden voor economische ontwikkeling, waarvan het nu de voordelen plukt. Het inkomen per hoofd van de bevolking is nu het hoogste in de Indische Unie, 70% meer dan het Indische gemiddelde. Kerala telt een inschrijvingspercentage van 98%, een kindersterfte die vijf keer lager is dan het gemiddelde van de Indiase deelstaten. Deze staat van 34 miljoen inwoners, waarover de westerse pers nauwelijks of nooit spreekt, bevordert de politieke en sociale rol van de vrouwen. Daar heeft het neoliberalisme niet toe bijgedragen..

Het liberalisme heeft niets te bieden voor de meest bevolkte staten op onze planeet. China is verantwoordelijk voor het grootste deel van de inspanningen om de armoede op de wereld uit te roeien. Dat dit feit onopgemerkt voor de westerse opinie is gebleven, spreekt boekdelen over de blindheid van de heersende westerse ideologie.

Cuba

Deze analyse kan verder worden geïllustreerd door erop te wijzen dat een kleine Caribische staat, onder illegale blokkade, erin geslaagd is om een ongeëvenaard onderwijs en gezondheidssysteem uit te bouwen. Met een scholing en gezondheidsniveau dat door de Wereldgezondheidsorganisatie hoog wordt geprezen. Cuba weet een betere levensverwachting van de bevolking te bereiken dan de VS. Het kindersterftecijfer is vergelijkbaar met de ontwikkelde landen. Het ging van 79 per duizend in 1953 naar 4,3 per duizend in 2016. Het Cubaans socialisme is de garantie dat duizenden kinderen zekerheid hebben qua hun levensverwachting.
Om de wonderbaarlijke effecten van het liberalisme te overdenken hoef je alleen te kijken naar het buurland Haïti. In dit Amerikaans protectoraat is de levensduur gemiddeld 63 jaar tegenover 80 in Cuba. Of kijk naar de Dominicaanse Republiek met een levensverwachting van 73 jaar maar waar de kindersterfte vijf keer die van Cuba is.

fabel

Dergelijke kleinigheden interesseren de aanhangers van het liberalisme niet. Ze zien hun doctrine als een witte ridder. Ze zweren bij de markt. Marktwetten zijn natuurwetten.  Elke openbare interventie zou schadelijk zijn, omdat de markt die spontaan vrede en harmonie genereert dan verstoort wordt. De kracht van het liberalisme is het geloof dat het de wet van de sterkste legitimeert en de privé toe-eigening van het algemeen welzijn heiligt.
Zoals de titel van dit stuk zegt: de maatschappelijk deugden van het neoliberalisme betreffen een fabel.