Leven we echt boven onze stand?

Facebooktwittergoogle_plusmail

‘Het begrotingstekort is te groot, de overheidsschuld is te hoog. Bijgevolg moet er bespaard en ingeleverd worden, want we leven boven onze stand.’ Het is verbazingwekkend hoe de bedrijfswereld, de regeringen, de universiteiten en de media erin geslaagd zijn die leugen door vele mensen als waarheid te doen aanvaarden. Want, leven we boven onze stand en moeten begrotingstekorten en overheidsschulden uitsluitend vanuit de vastgelegde Europese criteria bekeken worden? De Franse econoom Jacques Rigaudiat beantwoordt die twee vragen met een resoluut neen. Voor hem is het officiële discours over begrotingstekorten en overheidsschulden vooral bedoeld om een sociale achteruitgang af te dwingen.

Jacques Rigaudiat is econoom, ereraadsheer bij het Franse Rekenhof, voormalig kabinetschef van de Franse minister van Openbaar Ambt, ex-directeur studies en statistiek bij het Franse ANPE (Agence nationale pour l’emploi) en sociaal raadgever van twee voormalige Franse eerste ministers Michel Rocard en Lionel Jospin.

Rigaudiat beschrijft de toestand in Frankrijk, maar zijn analyse gaat evenzeer op voor België. Ook in België lanceert het establishment het dogma dat de begroting in evenwicht moet zijn en liefst een overschot moet vertonen om de schuldenlast te verlichten en om onze kinderen en kleinkinderen niet met die lasten op te zadelen. Sinds jaren worden kinderen en kleinkinderen erbij gesleurd om anti-sociale maatregelen goed te praten: verlaging van de vennootschapsbelasting, van de sociale bijdragen, van de uitgaven voor de Sociale Zekerheid, de indexsprongen enz. Al die anti-sociale maatregelen worden onder het mom van ‘noodzakelijke hervormingen’ doorgevoerd.

Daarbij wordt de grond van de zaak verzwegen: overheidstekorten worden niet zo maar door een overdaad aan overheidsuitgaven veroorzaakt, maar in eerste instantie door een afname van de inkomsten (door verlagingen van de belastingen, van de sociale bijdragen, door fiscale fraude enz.) Maar als het over overheidsschulden gaat wordt uitsluitend over de uitgaven, maar nooit over de inkomsten gesproken. Toch is de afname van de belastinginkomsten een van de belangrijkste oorzaken van de schuldvorming door de staat. Als de staat armer wordt heeft hij maar twee mogelijkheden: meer lenen, maar dat mag niet van de Europese Unie, en dus blijft alleen de beperking van de uitgaven over. Die toestand wordt nog erger door de fiscale concurrentie die de lidstaten van de Europese Unie onder en tegen elkaar organiseren en die tot een neerwaartse spiraal leidt.

Uiteraard zal men hiertegen inbrengen dat schulden maken niet verstandig is. Maar daar gaat het volgens Jacques Rigaudiat niet om, wel om de fabeltjes en leugens die men ons in verband met de schulden vertelt. Overheidsbegrotingen en -schulden staan sinds het Verdrag van Maastricht (1992) in het centrum van de belangstelling. Dat verdrag legde de grondslag voor de uitbouw van de Europese Unie en dus van de Europese muntunie en van de Europese eenheidsmunt, de euro. Volgens dit verdrag mag het begrotingstekort van de lidstaten niet meer dan 3 procent van het bruto binnenlands product (BBP) belopen en de overheidsschuld niet meer dan 60 procent. Tussen haakjes: zowel de Franse als de Belgische overheidsschuld schommelt momenteel rond de 100 procent van het BBP.

Alle macht aan de banken

Jacques Rigaudiat merkt hierbij allereerst op dat het Verdrag van Maastricht een radicaal nieuw financieel stelsel heeft opgericht, waarbij de banken het voor het zeggen hebben ten nadele van de staten. Maastricht maakt de staten afhankelijk van de banken, want juridisch gesproken mogen alleen de banken de staten leningen toestaan. De staten mogen geen munt meer slaan en geen geld meer creëren. De auteur wijst erop dat het Verdrag van Maastricht in Frankrijk slechts met een nipte meerderheid werd goedgekeurd (51 procent tegen 49 procent). Het daarop volgend Verdrag over de Europese Grondwet werd zowel in Frankrijk als in Nederland bij referendum verworpen. Toen vond men er niets beter op dan dat verdrag een andere naam te geven, het Verdrag van Lissabon, dat niet langer aan een referendum zou worden onderworpen en klaar was kees. Binnen de Europese Unie wordt de kloof tussen de burgers en hun verkozenen daardoor steeds groter, terwijl de verdragen de lidstaten steeds meer in financiële ademnood brengen.

Maar over schulden gesproken. Als het Verdrag van Maastricht het over overheidsschuld heeft, wordt daarmee de bruto-schuld bedoeld. De bezittingen van de staat worden niet in aanmerking genomen. Dat zijn er nochtans heel wat: financiële middelen in de staatskas of op bankrekeningen, commerciële schuldvorderingen op klanten en allerlei activa (bedrijfsaandelen, staatsbonnen, vastgoed, vergunningen, octrooien enz.) Trekt men die bezittingen van de bruto-schuld af, houdt men de netto-schuld over. Die geeft een correcter beeld van de schuldpositie weer. De Franse netto-schuld zou daardoor ongeveer 79 procent van het BBP belopen, tegen 99,2 procent voor de bruto-schuld. Maar Maastricht houdt alleen maar rekening met de bruto-schuld. Voor Rigaudiat maakt dit duidelijk dat het begrip bruto-schuld een louter politiek criterium is dat de openbare opinie met de nodige schuldgevoelens moet opzadelen: ‘We leven boven onze stand’.

Door het Verdrag van Maastricht en nadien het Verdrag van Lissabon mogen de nationale banken de staat geen kredieten meer toekennen. Bovendien mocht de Europese Centrale Bank (ECB) die taak niet overnemen. Wat wel mag is dat de ECB en de nationale banken geld lenen aan de banken, die dat eventueel verder doorlenen aan de staten, zoals ze dat voor gelijk welk bedrijf kunnen doen. Op die manier wordt de staat een bedrijf zoals een ander, dat voor de banken winst of verlies kan opleveren.

Staat werd privé-bedrijf

De staten en hun schulden worden bijgevolg volledig door ‘de markten’ gecontroleerd. Die kunnen ieder ogenblik hun wantrouwen in een staat en zijn overheidsinstellingen laten blijken door hogere rentevoeten te eisen. De staat is op die manier volledig overgeleverd aan de willekeur van de financiële markten en de ratingbureaus. De staat is zo een privé-bedrijf geworden als een ander. Die hele omwenteling heeft zogezegd tot doel te voorkomen dat de EU-lidstaten ‘boven hun stand leven’. Bovendien is het de Europese Commissie die eigenmachtig, sommigen zullen zeggen willekeurig, beslist tegen welk ritme de lidstaten hun schulden moeten verminderen. Over willekeur gesproken: de auteur merkt op dat de normen van Maastricht (maximum 3 procent van het BBP voor het begrotingstekort en 60 procent voor de overheidsschuld) louter willekeurig zijn vastgelegd. Die normen hebben nooit enige economische of financiële betekenis gehad.

Opvallend is dat de OESO, de club der rijke industrielanden, sinds enige tijd geen statistieken meer publiceert over de overheidsschuld van haar lidstaten. Wellicht gebeurt dat omdat de overheidsschuld van tal van die landen vrolijk de hoogte ingaat (boven de Maastrichtnorm en boven het BBP), zonder dat zich catastrofes voordoen. Kijken we maar naar Japan en de Verenigde Staten. Maar zo iets duidelijk aantonen strookt natuurlijk niet met de officiële beleidslijn.

Sociale Zekerheid als melkkoe

Als er bespaard moet worden, wordt de jongste jaren door bedrijfswereld en regeringen onmiddellijk naar de Sociale Zekerheid gekeken. Daar kan nog heel wat geld worden gehaald! Zo zal de Franse Sociale Zekerheid tussen 2019 en 2022 een overschot vertonen dankzij een afname van uitgaven voor bejaarden en gezinnen en een beheersing van de uitgaven voor de ziekteverzekering. Erger nog, in een ontwerp-programmawet liet de Franse regering weten dat de Sociale Zekerheid vanaf 2019 geld zal moeten afstaan om het begrotingstekort te verkleinen. Op die manier, aldus het ontwerp, zal de belastingdruk op bedrijven en gezinnen kunnen worden verminderd. De Sociale Zekerheid wordt op die manier de melkkoe die, aldus het ontwerp, ‘de concurrentiekracht van de bedrijven en de aantrekkelijkheid van onze economie moet financieren’. Ziedaar een opdracht voor de Sociale Zekerheid waaraan de oprichters van dit stelsel in 1945 zeker niet zullen hebben gedacht, zo merkt Jacques Rigaudiat schamper op.

In België is het idem dito. Bij de vorming van de huidige regering Michel riep de minister van Volksgezondheid en Sociale Zekerheid, Maggie De Block (Open VLD), dat men bij haar niet moest aankloppen om te besparen. ‘Mijn zakken zijn dichtgenaaid’, zo luidde het stoer. Nauwelijks enkele weken later legde diezelfde liberale minister niet minder dan 1 miljard euro op tafel om het begrotingsgat te dempen. De regering zocht daartoe 3 miljard euro en, aldus Maggie De Block, ‘omdat mijn departement een derde van de begroting opslokt, is het logisch dat ik voor een derde van de gevraagde besparing zorg’.

ECB verandert geweer van schouder

Enkele jaren geleden heeft de Europese Centrale Bank dan toch het geweer van schouder veranderd. Ze besloot de rente te verlagen en staatsobligaties van de eurolanden aan te kopen. Op die manier werd de schuldenlast van de lidstaten een pak dragelijker. Dankzij de soms negatieve rente kunnen staten zelfs geld verdienen door te lenen. Zo kon de Franse reële schuldenlast in de loop van tien jaar (2006-2016) met twintig procent worden verlaagd. Maar de rente zal vanzelfsprekend niet altijd even laag blijven. Als de rente bijvoorbeeld met 1 procent zou stijgen, zou dit de Franse staat tussen 2017 en 2027 19,1 miljard euro kosten. De schuldenlast zou in 2027 iets onder het niveau van 2006 liggen en 2 procent van het BBP belopen. Geen ramp. Bovendien zal een eventuele renteverhoging geleidelijk gebeuren en zal de weerslag ervan op de schuldenlast in de tijd worden gespreid.

De Europese regels blijven evenwel onverbiddelijk. Als de overheidsschuld van een land meer dan 60 procent van het BBP beloopt, moet die staat de schuld gemiddeld met een twintigste per jaar verminderen. De Franse staat zou daar twintig jaar voor nodig hebben. Bovendien zou de Franse staat een positief ‘primair saldo’ (het begrotingsoverschot zonder rentelasten) moeten ontwikkelen ten belope van 2 tot 2,5 procent van het BBP. Dat zou zo maar eventjes met bedragen tussen 45 en 65 miljard euro overeenkomen. Op die manier zou jaarlijks gemiddeld iets meer dan de Franse begroting voor Onderwijs in het niets verdwijnen. De auteur merkt op dat landen als België en Portugal er nog slechter voorstaan.

Toch noteert het Franse Insituut voor de Economische Conjunctuur (OFCE) dat de overheidsuitgaven in ruime mate de ongelijkheid wegwerken en de economische activiteit stabiliseren. Het huidige soberheidsbeleid voortzetten zal op de koop toe de economische groei gedurende vele jaren fnuiken. Wie zou denken dat dit alles wat overdreven is, kan even naar het Griekse voorbeeld kijken. De crisismaatregelen die dit land opgelegd kreeg deed het BBP tussen 2008 en 2017 met 30 procent dalen. Waar de Griekse overheidsschuld in 2007 103,1 procent van het BBP beliep, klom dit percentage tot 180,8 procent in 2016 en beliep het 175 procent tijdens het tweede kwartaal van 2017. De auteur wijst erop dat indien de overheid niet meer kan zorgen voor gezondheids- en bejaardenzorg, die diensten steeds meer met privé-bijdragen zullen moeten worden gefinancierd. Dat zal de minst begoeden van die diensten uitsluiten, tenzij ze zich in de schulden steken.

Neo-keynesianisme

Als antwoord op het neoliberalisme stelt Jacques Rigaudiat een vernieuwd keynesianisme voor. De Britse econoom J.M. Keynes pleitte in de jaren dertig voor overheidsinvesteringen in de economie. Heden ten dage zou de overheid haar steentje kunnen bijdragen tot de ontwikkeling van duurzame energievormen en van nieuwe infrastructuurwerken, bijvoorbeeld in de transportsector, om de levenskwaliteit te verbeteren en de uitstoot van schadelijke gassen te beperken. Van de Europese Unie valt op dit vlak niets te verwachten. Ze heeft een te beperkt budget (maximum 1,2 procent van het bruto nationaal inkomen van de lidstaten) om afdoende acties voor groei en werkgelegenheid te ondernemen. Maar als de lidstaten die investeringen moeten financieren, zullen ze dan weer niet te veel schulden opstapelen?

De auteur verwijst hierbij naar de akkoorden van Bretton Woods. Die legden in 1944 een nieuwe internationale monetaire wereldorde vast. J.M. Keynes was een van de onderhandelaars van Bretton Woods. Die akkoorden lieten toe dat de maximumschuld van de ontwikkelde landen in normale omstandigheden tot meer dan 200 procent van het BBP mag belopen, tegen 60 procent volgens het Verdrag van Maastricht. De auteur meent dat de ECB een inflatie van meer dan 2 procent zou kunnen toestaan om de verhouding tussen overheidsschuld en BBP te doen afnemen. Sommige economen, zoals Olivier Blanchard, voormalig hoofdeconoom van het Internationaal Muntfonds, stellen een inflatie van 4 procent als doelstelling voor. Onderzoekers van France Stratégie (het vroegere Franse Planbureau) stellen een bijzondere belasting op residentieel vastgoed voor om de terugbetaling van de schuld iets minder pijnlijk te maken. Maar dit voorstel bezorgde de onderzoekers de banbliksems van de Franse eerste minister.

Tot slot herhaalt Jacques Rigaudiat nog maar eens dat pogingen om de overheidsfinanciën via een soberheidsbeleid in evenwicht te brengen, de toestand alleen maar kan verergeren en verlengen. Als men doorgaat met het uithollen van de belastinginkomsten en bijgevolg met het drastisch verminderen van de overheidsuitgaven om de overheidsschuld volgens de regels van Maastricht in de loop van twee decennia tot 60 procent van het BBP te herleiden, wacht de Europese burgers volgens de auteur een lange en strenge winter en kunnen we het bestaande (Franse of Belgische) sociale model vergeten.

 

La dette, arme de dissuasion sociale massive
Jacques Rigaudiat - - - 211 blz. - 13,50 euro
Éditions du croquant
2018
211, 13,50 euro