Irak 15 jaar later: een nieuw begin?

Facebooktwittergoogle_plusmail

In 2003 vallen de Verenigde Staten van George W. Bush Irak binnen. De ‘massavernietigingswapens’ van Saddam Hoessein zijn volgens de Amerikaanse retoriek een gevaar voor de wereldvrede. Dit blijkt achteraf enkel een voorwendsel om een oorlog te beginnen, er wordt immers niets gevonden dat ook maar van ver of van dichtbij op een massavernietigingswapen lijkt. Het resultaat is echter desastreus, haast de complete Iraakse infrastructuur wordt vernield en er vallen honderdduizenden doden.

Maar goed, ze leven nu wel in een democratie. Of toch iets wat erop lijkt.

In mei 2018 kozen de Irakezen voor de vierde keer een nieuw parlement. De opkomst was echter bedroevend laag, minder dan de helft, 44.5%, doet de moeite om te gaan stemmen. In Basra, de tweede grootste stad van Irak, trekt zelfs maar 14,4% naar de stembus. Het lijkt er dan ook op dat een meerderheid van de Irakezen er niet echt van overtuigd zijn dat hun stem er iets toe doet.

Als grote winnaar komt een revolutionaire buitenstaander, Muqtada al-Sadr, uit de bus. Zijn partij kaapt het grootste aantal zetels weg. Zijn kiezers zijn vooral sjiieten uit de arbeidersklasse van Bagdad en het zuiden. Het feit echter dat hij zich niet sectair opstelt, levert hem echter ook stemmen op bij de soennitische Arabische minderheid.

Zes maanden lang ruziën en palaveren de politici over wie in de regering moet zitten en op welke post. Het is dan ook belangrijk. Irak bezit enorme rijkdommen en de corruptie tiert er welig. Een uitgelezen kans voor vrijbuiters. Dat er nu eindelijk licht aan het einde van de tunnel schijnt, is het resultaat van vele wendingen. De tijd dringt immers.

De al lang bestaande kloof tussen de bevolking en de politieke leiders wordt steeds groter. In Irak is corruptie niet iets wat ergens op individueel vlak gebeurt. Het is er een echt systeem dat de partijen gebruiken om hun eigen activiteiten te financieren of partijleden te belonen. Het dient tevens om aan intens dienstbetoon te doen door omkoping, meestal in de vorm van jobs.

In Irak bestaat er een chronische werkloosheid. Vierenhalf miljoen Irakezen, meer dan 10% van de bevolking, heeft een overheidsjob. Die jobs stellen vaak niets voor, het werk wordt niet uitgevoerd, er bestaat een enorm absenteïsme en velen zogenaamde ambtenaren dagen zelfs nooit op. Zij en hun families stemmen wel allemaal altijd voor de juiste partij op het moment van de verkiezingen. En vermits ze zelf corrupt zijn maken ze er geen punt van wanneer de politici van hun partij miljoenen (of in sommige gevallen zelfs miljarden) uit de staatskas stelen.

Dit systeem heeft vijftien jaar stand gehouden. Tijdens al die jaren van oorlog was de eerste prioriteit van de bevolking ervoor te zorgen dat ze overleefden. Nu de gevechten min of meer achter de rug zijn, worden de protesten luider en veelvuldiger. De beproefde tactieken van coöpteren (manifestanten afkopen met beloftes op jobs) en dwang kunnen nog een adempauze opleveren maar het zijn geen opties meer op lange termijn.

De Sadristen hebben tot nu toe de woede van de demonstranten grotendeels kunnen vermijden. Muqtada al-Sadr is de enige politicus die de demonstraties de bredere politieke organisatie kon geven die ze misten maar hij is voorzichtig gebleven. Dat Bagdad niet dezelfde explosieve demonstraties heeft gekend als in het zuiden is grotendeels toe te schrijven aan Muqtada al-Sadr’s aarzeling om zijn gewicht achter de protesten te zetten.

Op 2 oktober verkiest het Iraakse parlement dan eindelijk een prominente Koerdische politicus, Barham Saleh, tot president. Een grotendeels ceremoniële positie maar het is wel hij die de premier aanduidt. Normaal gezien heeft de president veertien dagen voor die nominatie maar de 58-jarige politieke veteraan Barham Saleh heeft er slechts enkele uren voor nodig. De nieuwe premier, de 76-jarige sjiitische econoom Adel Abdul Mahdi is een compromisfiguur die nu 30 dagen heeft om een regering te vormen. Een moeilijke taak want de posten moeten verdeeld worden in de traditie van confessionele en etnische quota’s die na 2003 werd ingevoerd. De laatste horde is dan het vertrouwen van het parlement krijgen.

Abdoel Mahdi is geen revolutionair. Hij is al eens minister geweest, o.a. van Financiën en van Olie en duikt, net als Barham Saleh trouwens, sinds de invasie van 2003, regelmatig op in de Iraakse politiek Een Iraakse grap beweert dat het land de meest milieuvriendelijke regeringen ter wereld heeft. De oude politici worden er immers permanent gerecycleerd.

Abdul Mahdi is wel het boegbeeld van een coalitie waarin Muqtada al-Sadr, de plak zal zwaaien. Zijn partij gaat door als de minst corrupte op het politieke toneel en als nationalist is hij gekant tegen zowel Amerikaanse als Iraanse bemoeienissen in de Iraakse politiek. Hij ontbond de militie van zijn eigen partij en spoort anderen aan hetzelfde te doen. Daarnaast beloofde hij dat als zijn partij de macht veroverde hij niet-politieke technocraten zou benoemen in plaats van de gebruikelijke partijgenoten.

Of hij die belofte zal kunnen waarmaken valt echter nog af te wachten. Het politieke landschap is in Irak enorm gefragmenteerd wat betekent dat een regering sowieso altijd bestaat uit grote coalities. Al-Sadr zelf wil geen regeringspost maar de coalitie die hij leidt, bestaat uit de Iraakse Communistische Partij, die min of meer zijn doelen deelt, en de groep geleid door de voormalige premier Nouri al-Maliki, die dit dan weer helemaal niet doet.

Nouri al-Maliki bewees tijdens zijn twee ambtstermijnen als premier tussen 2006 tot 2014 dat hij een corrupte, zelfgenoegzame anti-soenniet is die vooral de Iraanse belangen behartigde. De nieuwe premier zal het dan ook heel moeilijk hebben om zijn coalitie bij elkaar te houden, laat staan dat hij al-Sadrs programma van sektarische verzoening met de ondersteuning van een technocratische regering uit zal kunnen voeren.

Belangrijk is wel dat zowel president Barham Saleh als premier Adel Abdoel Mahdi door Iran én door de Verenigde Staten als compromisfiguren aanvaard worden. Deze consensus is belangrijk nu Irak dreigt te worden gedestabiliseerd door de steeds openlijkere oorlogstaal van de twee landen.

Na vier jaar oorlog tegen de Islamitische Staat moet premier Adel Abdoel Mahdi de sjiieten, soennieten en Koerden laten samenwerken. Gezien deze bevolkingsgroepen zelf ook nog eens verdeeld zijn in concurrerende politieke fracties lijkt het titanenwerk. Zeker als je de Verenigde Staten en Iran op afstand wenst te houden en tegelijkertijd hervormingen wil opleggen aan partijen die hun slechte praktijken niet zonder tegenstand zullen opgeven.

Francis Jorissen woont in het midden van nergens ergens in Frankrijk, nieuwsgierig, schrijver en free-lance journalist, activist, would-be wereldreiziger en geïnteresseerd in Rusland, de landen die ooit behoorden tot wat men toen 'Het Oostblok' noemde en het Midden-Oosten