De verandering werkt in Portugal

Antonio Costa (Foto Fraliss, Wikimedia CC)
Facebooktwittergoogle_plusmail

Komt dat zien. In Portugal staat socialist António Costa aan het hoofd van een minderheidsregering, gesteund door linkse partijen in het parlement, die het economisch uitstekend doet én uitermate populair is. Relaas van een links experiment aan de Atlantische Oceaan. De verandering werkt.

Als auteur heb ik één keer het voorrecht gehad om ‘trending’ te zijn op sociale media. Dat was iets meer dan een jaar geleden met – vreemd genoeg – een stuk over… Portugal. Op DeRedactie.be schreef ik toen het stuk getiteld ‘4 lessen uit Portugal die goed zijn voor je portemonnee’; een titel die door de eindredacteur boven mijn stuk werd gezet.

De titel die ikzelf in gedachte had – ‘COSTA vermoordt TINA’ – had misschien voor nog meer click bait gezorgd en gaf meteen ook de inhoud van het stuk weer: namelijk hoe premier António Costa op één jaar tijd komaf had gemaakt met de leugen dat er ‘geen alternatief’ (‘There Is No Alternative’ – TINA) is voor een besparingsbeleid om een land uit de crisis te halen. Ik beschreef hoe Portugal van het Europese strafbankje was geraakt door te investeren en niet door te besparen.

Het stuk werd – tot mijn verbazing – duizenden keren gedeeld op Facebook en Twitter. Blijkbaar moet er een zekere vraag geweest zijn naar deze boodschap over Portugal waar we, in tegenstelling tot Griekenland, nooit over horen in de media. Daarom dit vervolgstuk; op algemeen verzoek zou ik bijna durven zeggen.

Hoe gaat het vandaag met Portugal, voor sommigen het nieuwe gidsland voor links? (Spoiler: nog een pak beter dan 1 jaar geleden)

Het ontstaan van een ‘krakkemikkig voertuig’

Eerst terug in de tijd. Toen Portugal in 2008 hard werd geraakt door de financiële crisis volgden er – zoals dat hoorde – stevige besparingsmaatregelen van de toenmalige centrumrechtse regering van Passos Coelho (2011-2015). Het land was net onder curatele van Europa geplaatst en om te ‘genezen van de spilzucht’ gingen de budgetten voor onderwijs en gezondheidszorg fel omlaag, werd gesnoeid in ambtenarenlonen, pensioenen en uitkeringen, en werden elektriciteits-, post- en luchtvaartmaatschappijen geprivatiseerd.

Premier Coelho was er trots op dat het land ‘verder ging’ dan de gevraagde maatregelen door de Trojka, maar voor de inwoners waren de Trojka-jaren een sociaal en economisch bloedbad: een half miljoen Portugezen emigreerden, een kwart miljoen banen gingen verloren en de kinderarmoede steeg zienderogen. Ook de macro-economische cijfers kleurden dieprood. Zowel de begrotingstekorten, de werkloosheidscijfers als de staatsschuld piekten als nooit tevoren. De broeksriem kneep alles kapot.

Het was in deze setting dat de Portugezen in 2015 naar de stembus trokken en de socialisten, onder leiding van António Costa, 32% van de stemmen haalden. Daarmee waren ze niet de grootste partij, dat bleef nog steeds de partij van uittredend premier Coelho, maar niettemin een uitstekend resultaat. Iedereen verwachtte een brede coalitie tussen centrumlinks en centrumrechts, zoals die al zo vaak gevormd was, maar plots gebeurde iets bijzonder: António Costa maakte handig gebruik van een impasse die was ontstaan om een minderheidsregering op poten te zetten, vanuit het parlement gesteund door de Communistische Partij en het Links Blok die ook goed hadden gescoord bij de verkiezingen.

Uit het niets zagen we de bijzondere wedergeboorte van Portugees links, dat sinds de Anjerrevolutie in 1974 op gespannen voet leefde. Een donderslag bij heldere hemel omdat linkse samenwerking op geen enkel moment was aangekondigd in de campagne. António Costa sprak over ‘het neerhalen van de laatste resten van de Berlijnse Muur’. Politieke tegenstanders en vijandige media waren minder positief. Ze labelden de nieuwe regering als ‘geringonça’ – vrij vertaald: ‘een krakkemikkig voertuig’ – dat het maar een paar maanden zou volhouden.

De drie partijen vonden elkaar over de basis van het programma – het terugdraaien van het besparingsbeleid – maar lieten elkaar verder relatief vrij. Dit stelde de twee linkse partijen in staat hun outsiderstatuut te behouden en António Costa had zijn regering. Het verkiezingsakkoord was een statement van jewelste. Een U-turn in de ware zin van het woord: de minimumlonen werden verhoogd, de ingevoerde regressieve belastingen teruggedraaid, de ambtenarenlonen en pensioenen terug op het niveau van voor de crisis gebracht, de 4 geschrapte feestdagen geherintroduceerd, de sociale zekerheid voor de armste gezinnen uitgebreid, een luxetaks op huizen van meer dan 600.000 euro ingevoerd, enzovoort. Voodoo economie, noemde de oppositie het; een recept voor een nieuwe bailout, recessie en dus verdere besparingen.

Niets bleek minder waar. Vandaag doet Portugal het uitstekend. De verandering werkt. In mei van vorig jaar mocht het land van het Europese strafbankje en begin maart van dit jaar haalde de Europese Commissie het van de lijst van landen met macro-economische onevenwichtigheden. De regering-Costa creëerde jobs, jobs, jobs: zo’n 270.000 de voorbije twee jaar. Het werkloosheidscijfer viel in december 2017 voor de eerste keer in 13 jaar onder de 8% (daar waar dat in 2013 nog 17% bedroeg) en het bbp kende het vorige tremester een groei van 2,7%. Dat is hoger dan het eurozonegemiddelde van 2,5%; de eerste keer overigens in deze eeuw dat dit gebeurde. Het overheidstekort viel in 2016 terug tot 2,1%; het laagste percentage sinds Portugal in 1974 een democratie werd en ver onder de gevraagde 3% door Europa. In 2015, toen de regering-Costa er aan begon, bedroeg het overheidstekort nog 4,4%.

Het gaat Portugal, met andere woorden, ook macro-economisch voor de wind. De investeringen zwengelden het vertrouwen. Maar António Costa werd ook wat geholpen door het geluk; sommige analisten noemen hem zelfs ‘the luckiest man in the world’. Hij kwam aan de macht toen de internationale economie opnieuw begon aan te trekken, met positief gevolg voor de export (70% van de Portugese export wordt afgenomen door de Europese markten). En ook het toerisme boomt als nooit te voren. Portugal is definitief uit de schaduw gekomen van zijn grote broer Spanje; de toeristische sector creëerde volgens de Confederatie van Portugees Toerisme in 2017 zo’n 53.000 arbeidsplaatsen.

António Costa: enigma uit Goa

Drie jaar na haar plotse opstart heeft deze ‘krakkemikkige’ constructie dus wonderwel gewerkt. Het is onmogelijk dit succes te verklaren zonder te kijken naar de figuur van de premier, António Costa. Zoon van een communistische vader uit de voormalige Indische kolonie Goa, volgde hij eerder de minder radicale voetsporen van zijn socialistische moeder. Costa is een veteraan binnen de Portugese socialistische beweging. Hij was eerder al twee keer minister in centrumregeringen en burgemeester van Lissabon (2007-2015). Costa is dus een politicus met veel kilometers op de teller, maar ook iemand die niet zo eenvoudig in een hokje te steken is. Enigszins enigmatisch. In april pleitte hij, tijdens een road show in Londen om investeringen binnen te halen, voor open kapitaalgrenzen en vrijhandel, en klonk hij als een klassieke centrumlinkse leider. Een maand eerder toonde hij zich bij een speech voor het Europees Parlement van zijn meest linkse kant door zich te presenteren als hét alternatief voor het Europese besparingsbeleid. De ene keer lof voor Emmanuel Macron, de andere keer voor Jeremy Corbyn. António Costa lukt het moeiteloos.

Die flexibiliteit heeft Costa ook nodig in zijn minderheidsregering. Elk jaar zijn de budgetbesprekingen een lastige bevalling en is het schipperen tussen het aan boord houden van de linkse partijen in het parlement (die de euro en de NAVO geen warm hart toedragen) en het voldoen aan de fiscale vereisten van de Europese Unie. De regering-Costa is moeilijk in één vakje te steken: fiscaal expansionistisch noch mordicus besparingsadept.

Die evenwichtsoefening is ook in Europa niet onopgemerkt gebleven. Begin dit jaar nam Costa’s minister van Financiën, Mario Centeno, de fakkel over van Jeroen Dijsselbloem als leider van de eurogroep; en om die post binnen te halen heb je zeker de toestemming nodig van een aantal fiscale neocons in Duitsland en elders. Centeno werd door Schäuble omschreven als de Cristiano Ronaldo van de Europese ministers van Financiën; en dat is toch een bijzondere uitspraak voor iemand die de Portugese minderheidsregering bij haar aantreden nog labelde als ‘zéér gevaarlijk’. Portugese politici rijven vandaag trouwens de ene na de andere internationale topjob binnen; het land lijkt wel het Luxemburg van Zuid-Europa.

Aan de macht én electoraal succesvol

Het linkse experiment in Portugal is dus op zijn minst merkwaardig te noemen, in een tijdvlak waar zittende regeringen worden weggeblazen door populisten. Niet zo in Portugal, een land zonder rechts-populistische partijen. Daar vallen verschillende redenen voor te bedenken. De geschiedenis van het land heeft sowieso de appetijt voor rechts-populisme verminderd. Ook kent Portugal weinig immigratie. Er komen geen bootjes aan op de Atlantische Oceaan, zoals dat op de Middellandse Zee wel het geval is; laat staan dat er sprake is van een maritiem kerkhof voor de kusten. Neen, de Portugese onvrede had vooral te maken met de bailout en kende een ventiel via oude, bestaande partijen als de Communistische Partij en het Links Blok.

António Costa wordt momenteel gefêteerd binnen Europees links. Aan de macht én electoraal succesvol, niemand doet het hem na. Van zijn approval ratings kunnen andere leiders alleen maar dromen.

In november 2017 won hij nog eens glansrijk de lokale verkiezingen. Net als in andere landen zijn ook in Portugal lokale verkiezingen een populariteitstest voor de zittende regering. Ook deze keer ging de campagne over nationale onderwerpen. De socialisten slaagden, halfweg de legislatuur, met vlag en wimpel. Ze haalden, met 38% van de stemmen en 165 van de 308 stadhuizen, hun grootste overwinning in lokale verkiezingen in meer dan 40 jaar democratie. In 10 van de 17 grootste Portugese steden leveren de socialisten nu de burgemeester.

Ook opvallend. Het opkomstcijfer steeg deze lokale verkiezingen van 52,6 naar 55%. Voor het eerst in decennia werd de neerwaartse trend gekeerd. Dat is goed nieuws voor de Portugese democratie, maar ook een teken van hernieuwd geloof in de politiek. Uit onderzoeken blijkt dat het vertrouwen in de Portugese publieke instellingen opnieuw de hoogte ingeschoten is. Een zeker optimisme heeft zich van het land meester gemaakt. Dat zien we ook in de migratiecijfers: de vele Portugezen die hun land hadden verlaten, komen vandaag in grote getalen terug.

Niet allemaal rozengeur en maneschijn

Na deze lokale verkiezingen is het duidelijk dat dit linkse experiment, dit ‘krakkemikkig voertuig’, comfortabel de rit zal uitrijden tot aan de verkiezingen van eind 2019. Toch hebben de lokale verkiezingen António Costa op een manier ook in een moeilijke uitgangspositie gemanoeuvreerd.

Eerst en vooral haalde de centrumrechtse oppositiepartij PSD, met 16% van de stemmen en slechts 79 van de stadhuizen, het slechtste verkiezingsresultaat op lokaal vlak uit haar geschiedenis. In Lissabon en Porto viel de partij zelfs terug op de derde plaats. Dit resultaat heeft een impact op de nationale politiek, omdat António Costa de partij in bepaalde dossiers nodig heeft om aan een meerderheid te geraken als de twee linkse partijen de stemmen niet willen aanleveren. Ondertussen verving de populaire oud-burgemeester van Porto (2001-2013), Rui Rio, het onpopulaire gezicht van het besparingsbeleid, Passos Coelho. Rio voert nu een hardere oppositielijn om zijn partij terug op de kaart te zetten en is minder happig om de minderheidsregering te depanneren.

Ook de Communistische Partij PCP werd weggevaagd bij de lokale verkiezingen. In totaal verloor ze 9 gemeenten, waarvan een aantal communistische bolwerken in Alentejo en Setúbal. Vooral het verlies van Almada (een gemeente op de zuidoever van de Taag tegenover Lissabon en aanzien als kroonjuweel van de partij) deed pijn. De communisten werden gekannibaliseerd door de socialisten; iets waar António Costa zich in een eerste reactie niet al te zegevierend over uitsprak. Logisch. De communisten volgen nu een hardere lijn om een aantal van hun vlaggenschepen, zoals de verdere hervorming van de arbeidsmarkt en de bescherming van ambtenaren, binnen te halen.

Met een verzwakte PSD en PCP zal het voor António Costa in de laatste rechte lijn van de legislatuur dus een pak lastiger worden om een nationale consensus te bereiken.
Maar de grootste uitdaging komt misschien nog uit het beboste binnenland. In de zomer van 2017 verloren meer dan 100 Portugezen hun leven in bosbranden die niet goed werden gemanaged. Het was de dodelijkste zomer in de geschiedenis van het land en een grauwsluier over het magische jaar 2017 (het jaar ook waar de paus het 100-jarige wonder Fatima bezocht, Portugal het Eurovisiesongfestival won, Portugal bij de 10 beste reisbestemmingen ter wereld werd uitgeroepen door Lonely Planet, en Cristiano Ronaldo werd gekozen tot beste voetballer ter wereld na de EK-winst van Portugal een jaar eerder). De bosbranden brachten de regering aan het wankelen en leidden uiteindelijk tot het ontslag van de minister van Binnenlandse Zaken, Constança Urbano de Sousa. Het is voor de regering-Costa bang afwachten wat de zomers van 2018 en 2019 brengen. Misschien komt de gevaarlijkste tegenstander nog uit de hoek van de bosbranden?

Vierde Weg?

De linkse minderheidsregering-Costa is alleszins een interessant experiment. Voor Portugal zelf, dat met linkse recepten uit het economische moeras kroop. Voor de Europese Unie, dat een barst zag verschijnen in het economische eenheidsdenken. En zeker ook voor socialisten elders, dat linkse blokvorming – ondanks de onderlinge verschillen – wel degelijk kan werken. Deze minderheidsregering begon in 2015 als een tijdelijk verstandshuwelijk, maar vandaag is de verderzetting ervan na 2019 een reële optie.

Valt de formule-Costa te kopiëren? Moeilijk. De Portugese premier is een bijzondere politicus, een meester koorddanser zoals er niet veel gemaakt worden. Ook de Portugese socialistische partij is een bijzondere partij; ze ontstond niet uit het vakbondsmilieu, zoals veel van haar zusterpartijen elders in Europa, maar eerder als dam tegen de communisten na het einde van de dictatuur. En ook de omstandigheden voor het linkse verbond waren bijzonder: de onvrede over de bailout brachten centrumlinks en uiterst links bij elkaar; en de afwezigheid van de immigratieproblematiek maakt dat rechts-populisten er niet inbeuken op het linkse electoraat.

Voor socialisten elders in Europa is een belangrijke les alleszins dat een partij zich wel degelijk opnieuw kan heruitvinden en dat een centrumbeleid niet in steen is gebetonneerd. Tot 2015 werden ook in Portugal vooral Grote Coalities over het centrum heen gesloten. Onder socialistisch premier José Socrates (2005-2011) werden eveneens besparingsmaatregelen genomen in de hoop ‘de markten te kalmeren’ en te tonen dat Portugal ‘Griekenland niet was’. António Costa toont aan dat een socialistische partij wel degelijk kan vervellen en dat samenwerking over links electoraal kan lonen. De huidige partijpolitieke fragmentering in veel landen kan voor socialistische partijen alleszins een kans zijn om een andere rol aan te nemen dan deel uit te maken van Grote Coalities.

Met de Derde Weg voer centrumlinks weg van haar arbeidersachterban en geraakte het verzoend met zijn traditionele vijand: het kapitalisme. In Grote Coalities probeerden socialisten de wereld rechtvaardiger te maken. Portugal heeft dat pad, dat door veel linkse leiders ondertussen al een aantal jaren is verlaten, definitief geblokkeerd. Ligt Portugal aan de basis van de geboorte van een Vierde Weg?

(Deze bijdrage verscheen eerder in het juninummer van ‘Samenleving & Politiek’: https://sampol.be/magazines/252)

Wim Vermeersch is Hoofdredacteur van ‘Samenleving & Politiek’