Hoe een grootschalig opinieonderzoek ons voorbij Westerse vooroordelen over het Arabisch denken kan helpen

Facebooktwittergoogle_plusmail

De illustratie bovenaan is een filmaffiche uit een Paramount film van 1921. Rudolph Valentino’s rollen in The Sheik (1921) en The Son of the Sheik (1926) zetten destijds de toon voor het negatieve beeld van Arabieren in Hollywood-films. Zowel de sjeik als de zoon van de sjeik waren Arabieren die als dieven, charlatans, moordenaars en bruten werden voorgesteld. Het beeld dat de meeste media ons vandaag over Arabieren schetsen is niet veel veranderd. De Arabische wereld wordt geassocieerd met rampen, oorlogen, aanslagen, terrorisme. Arabische moslims zijn fanatici die in een andere god geloven, die het menselijk leven niet zo belangrijk vinden als wij en erop uit zijn ons (het ‘vrije westen’) met hun terrorisme en (te) dure olie te vernietigen. Bovendien proberen de mannen onze vrouwen te ontvoeren en te verkrachten; de vrouwen zijn onderdanig, lijken op zwarte kraaien of ietwat exotische haremmeisjes. Nochtans…

In de Arabische wereld leven ongeveer 400 miljoen mensen in 22 verschillende landen van het Midden-Oosten en Afrika. Misschien kunnen enkele van de meest voorkomende stereotypen van toepassing zijn op de bevolking van één of van enkele Arabische landen, maar niet op de hele Arabische wereld. De meeste stereotypen zijn gewoon fout.

Dat wordt aangetoond door een jaarlijks groots opgezette opiniepeiling die sinds 2011 door het Arab Center for Research and Policy Studies (ACRPS) in Doha, Qatar in de Arabische wereld gevoerd wordt. Het recentste onderzoek, volgens het Centrum ‘het grootste opinieonderzoek in de Arabische wereld’, werd gevoerd tussen december 2017 en maart 2018. Daarbij werden maar liefst 18.830 persoonlijke interviews gevoerd in 11 landen: Egypte, Irak, Jordanië, Koeweit, Libanon, Mauritanië, Marokko, Palestina, Saoedi-Arabië, Soedan en Tunesië.

De vragen peilden bij de Arabische respondenten naar hun mening over de kwaliteit van het leven, democratie en politieke participatie, religie en religiositeit, de intra-Arabische relaties, het buitenlands beleid van verschillende niet-Arabische landen, de Palestijnse kwestie en tenslotte ook over de zogenaamde Islamitische Staat en ISIS.

De kwaliteit van het leven

Slechts 22 procent van de respondenten geeft aan dat ze van hun inkomsten voldoende overhouden om te kunnen sparen, 46 procent, of iets minder dan de helft kan er wel de dagelijkse en noodzakelijke behoeften mee dekken maar ziet geen kans om er iets van over te houden. 30 procent van de bevolking in de Arabische regio leeft in armoede. Hoewel dat cijfer schrikbarend hoog ligt, lijkt er volgens het Arabisch Centrum toch een verbetering te zijn tegenover het referentiejaar 2011. Toen had 41 procent van de bevolking te weinig om in de noodzakelijke levensbehoeften te voorzien.

Het is in die context niet verwonderlijk dat voor 33 procent van de ondervraagden de meest urgente problemen betrekking hebben op werkloosheid, armoede en inflatie. Voor 10 procent onder hen zijn veiligheid, beveiliging en stabiliteit de meest dringende kwesties, terwijl 22 procent een prioriteit ziet in beleid, democratische transitie, dringende openbare dienstverlening en corruptie.

26 procent van de respondenten in de 11 landen geeft aan te willen emigreren. Voor Soedan stijgt dat cijfer zelfs naar 51 procent. De meest aangehaalde reden daarvoor is economisch maar toch vermeldt een vijfde van de potentiële emigranten politieke redenen en veiligheid als voornaamste motief. Daarbij moet er wel rekening gehouden worden met het feit dat de redenen sterk van land tot land verschillen. De helft van de Irakezen en meer dan een kwart van de Palestijnen noemen bijvoorbeeld veiligheid en politieke problemen als voornaamste reden voor emigratie.

Democratie, de staat, politiek en justitie

De peiling spreekt tegen dat de Arabische wereld geen interesse heeft voor democratie. Dat kan het geval zijn voor de leiders in die landen, maar democratie spreekt de bevolking wel degelijk aan.

Het percentage van degenen die aangeven dat zij niet willen deelnemen aan verkiezingen is gestegen van 27 procent in 2011 naar 46 procent vandaag. En hoewel 69 procent van de respondenten geen interesse heeft in politiek gelooft 76 procent toch dat democratie het meest geschikte regeersysteem is.

Dat laatste resultaat komt in reactie op de vraag om een vergelijking te maken tussen democratie en andere systemen zoals een autoritair regime, een theocratie, een representatieve democratie die beperkt is tot slechts een aantal islamistische of niet-islamitische/seculiere politieke partijen. In vergelijking daarmee steekt de 13 procent die ‘zeer gunstig’ staat tegenover een regering gebaseerd op de sharia schril af.

Bovendien blijkt de meerderheid van de ondervraagde Arabieren het niet eens met een reeks wijdverspreide clichés die vaak gebruikt worden om – al naar gelang het discours – de democratie of de islam in diskrediet te brengen. Met één van die clichés ‘Democratie is onverenigbaar met de islam’ is trouwens 82 procent het oneens.

33 procent van de totale steekproef over de landen heen definieert democratie als een waarborg voor politieke en burgerlijke vrijheden, 21 procent als garantie voor gelijkheid en rechtvaardigheid, 14 procent als middel tot vreedzame overgang van macht en institutionele checks and balances, 9 procent ziet het als een bescherming van de veiligheid en 5 procent tenslotte noemt het een middel tot verbetering van de economische omstandigheden.

Wat de staat zelf betreft, blijkt er een grote mate van polarisatie. 55 procent van de geïnterviewden heeft een negatief beeld over de staat, terwijl 43 procent de staat dan weer wel positief inschat. Over corruptie bestaat die polarisatie helemaal niet. Meer dan driekwart (76 procent) van de respondenten gelooft dat die wijdverspreid is.

De enquête bevraagt ook het vertrouwen in maatschappelijke instituties. Het parlement en de parlementsleden genieten het minste vertrouwen (14 procent). De regering en ministers kunnen op amper meer rekenen (22 procent) maar, en dat is toch wel opmerkelijk, het leger krijgt het meeste vertrouwen (68 procent).

Ook over de rechtspraak zijn de meningen uitgesproken. Slechts 28 procent van de ondervraagde Arabieren is van mening dat het recht in hun land zonder vooroordelen wordt toegepast. 52 procent beweert dat die weliswaar wordt toegepast maar dat sommige groepen een gunstiger behandeling krijgen dan anderen. Nagenoeg een vijfde (18 procent) heeft helemaal geen vertrouwen in de rechtvaardigheid van het rechterlijke systeem. 38 procent gelooft zelfs dat het beginsel van een eerlijk proces niet eens gangbaar is in hun land.

Maatschappelijk en politiek engagement en ‘nieuws’gierigheid

Maatschappelijk engagement scoort niet hoog binnen de Arabische wereld. Slechts 16 procent van de respondenten zegt lid te zijn of deel te nemen aan civiele of vrijwilligersorganisaties. Wanneer rekening wordt gehouden met echt actief zijn zal het niveau van effectieve deelname waarschijnlijk nog verder verminderen.

12 procent van de ondervraagden zegt lid te zijn van een politieke partij terwijl 21 procent weliswaar geen lid is maar zich wel vertegenwoordigd voelt door bestaande partijen. Daar tegenover staat dat 52 procent op geen enkele manier verbonden is met een politieke partij noch het gevoel heeft dat hun mening door een bestaande partij of politiek blok wordt vertegenwoordigd.

Als het gaat om het volgen van politiek nieuws, verkiest 37 procent van de Arabieren het nieuws op het internet. Het valt op dat respondenten uit landen met een hoge mate van politieke apathie en geen ruimte voor kritiek diegenen zijn die het minste het nieuws volgen. Mensen die in landen wonen met meer open politieke systemen volgen ook meer het politieke nieuws.

Het internet is belangrijk. Het belang ervan stijgt gestaag sinds 2012. Vandaag gebruikt 68 procent van de ondervraagden internet terwijl 31 procent zegt nooit internet te gebruiken. De overgrote meerderheid van de internauten heeft ook een account op Facebook (82 procent) terwijl 26 procent van hen er een op Twitter hebben.

Voor 22 procent is het internet de primaire nieuwsbron maar 57 procent vertrouwt daarvoor op satelliettelevisie. Uitschieter daarbij is Libanon waar 88 procent satelliettelevisie als belangrijkste informatiebron opgeeft terwijl slechts 6 procent op het internet rekent.

Religie

Uit de peiling blijkt dat een meerderheid (6 procent) van het Arabische publiek zich ‘tot op zekere hoogte’ religieus noemt (65 procent) terwijl 12 procent zichzelf omschrijven als ‘niet religieus’ en 21 procent als ‘zeer religieus’. Op de vraag om te definiëren waaruit religiositeit volgens hen bestaat geven de meesten aan dat de moraliteit en waarden van een persoon (58 procent) voor hen belangrijker is dan het naleven van religieuze praktijken (38 procent).

Van de 65 procent Arabieren die zichzelf als religieus omschrijven, is de meerderheid (68 procent) tegen verordeningen die een negatief oordeel vellen over leden van andere religies. De meesten respondenten (72 procent) verzetten zich tegen de bemoeienissen van geestelijken bij verkiezingen of bij het overheidsbeleid. Ze zijn ook tegen (72 procent) het feit dat regeringen religie gebruiken om steun te verkrijgen voor hun beleid. 52 procent steunt het principe van de scheiding tussen moskee en staat. Dat cijfer is min of meer gelijk gebleven aan dat van de vorige peiling (2016 – 53 procent).

Voor de meeste respondenten is het ook onbelangrijk of diegenen met wie ze sociaal, politiek of zakelijk omgaan al dan niet religieus zijn en welke die religie in dat geval ook mag zijn. Bij vroeger gehouden peilingen gaf het Arabische publiek trouwens al aan dat ze niet vinden dat diegenen die niet-religieus zijn, noodzakelijkerwijs ‘slechte mensen‘ zijn. In 2016 waren 73 procent van de respondenten het daarmee eens.

Het buitenland en de VS en Israël in het bijzonder

De respondenten werden ook naar hun mening gevraagd over het buitenlands beleid van zes niet-Arabische landen: China, Frankrijk, Iran, Rusland, Turkije en de Verenigde Staten. Met een percentage van 54 kreeg alleen het buitenlands beleid van Turkije steun (‘positief’ of ‘in zekere mate positief’) van een meerderheid. Tweede in rij was China, met 44 procent steun, gevolgd door Frankrijk (36 procent), Rusland (26 procent) en Iran (21 procent). De Verenigde Staten kwamen als allerlaatste uit de bus, met maar 12 procent van de gepeilden die enig positief gevoel over het buitenlands beleid van de VS aangaven. De resultaten van deze enquête waren de meest negatieve voor de VS sinds 2014, toen de vraag voor het eerst werd gesteld. Van 49 procent toen, steeg dat cijfer via 65 procent in 2015 naar 77 procent in 2016 en 79 procent dit jaar.

Wat hen dan meer specifiek in het buitenlands beleid van de VS het meest tegen de borst stoot werd er meer precies gevraagd. Een overgrote meerderheid vermeldt het beleid ten aanzien van Palestina (87 procent – in 2016 was dat 79 procent), Syrië (81 procent) en Irak (82 procent). Voor 77 procent van de Arabieren is de Palestijnse zaak trouwens een aangelegenheid van alle Arabieren. Vreemd is wel dat het net Palestina is waar op dit vlak met 64 procent het laagst gescoord wordt. In Jordanië, Egypte en Saoedi-Arabië is dan weer 80 procent of meer het daarmee eens.

Zoals ik in een eerder artikel al vermeldde, vormt de reactie van de Arabische opinie op de ‘Ultieme Deal’, het ‘vredesplan’ van Donald Trump dat tegen de wil van de Palestijnse zou worden opgelegd een gevaarlijke hindernis voor de monarchen van Saoedi-Arabië, Jordanië en Egypte.

Uit de resultaten van de peiling blijkt trouwens dat slechts een minderheid van de Arabieren zou aanvaarden dat hun land Israël diplomatiek erkent. Voor de helft van hen is dit dan nog onder de voorwaarde dat er een Palestijnse staat wordt opgericht. Een overweldigende meerderheid, 87 procent, van de Arabieren keurt diplomatieke banden van hun eigen land met Israël af. Als redenen daarvoor worden vooral opgegeven het racisme tegenover de Palestijnen (45 procent) en de koloniale en expansionistische politiek van Israël (23 procent).

Dat Israël niet goed in de markt ligt, blijkt eveneens uit het antwoord op de vraag welke land de grootste bedreiging vormt voor hun nationale veiligheid en de stabiliteit in de regio. Israël scoort daar met 90 procent zelfs 6 procent hoger dan de Verenigde Staten. Iran, de aartsvijand van de monarchieën rond de Perzische Golf volgt met 66 procent op de derde plaats. De Arabieren voelen zich het minst bedreigd door China (28 procent) en Turkije (34 procent).

Houding tegenover de Islamitische Staat en ISIS

Een laatste aspect die in de enquête aan bod kwam was de Islamitische Staat en ISIS. Een overweldigende meerderheid, 92 procent, van het Arabische publiek staat negatief tegenover ISIS. Slechts 2 procent heeft een ‘positief’ en 3 procent een ‘tot op zekere hoogte positief’ beeld ervan. Bovendien houden die gunstige opvattingen geen verband met religie. Tussen diegenen die zich (enigszins) positief uitlaten over de terroristische groepering zitten zowel mensen die zich als ‘niet religieus’ identificeren als mensen die zich een ‘zeer religieuze’ identiteit aanmeten. Een relatie tussen de mening over ISIS en de rol van religie in de publieke sfeer kon niet aangetoond worden. Met andere woorden, de publieke houding ten aanzien van ISIS wordt niet bepaald door religie maar door hedendaagse politieke overwegingen.

Van diegenen die een min of meer positief beeld hadden van ISIS halen 13 procent daar de ‘militaire prestaties’ van de groep als reden aan. 16 procent wijt het aan de beweerde naleving van de islamitische principes; 11 procent aan de bereidheid van de groep om het Westen te confronteren en 10 procent aan de capaciteit van ISIS om de soennieten te verdedigen.

Om welke reden mensen zich bij ISIS aansluiten krijgt een resem antwoorden. 42 procent wijt dat aan de politieke instabiliteit in eigen land, 24 procent meent dat economische omstandigheden daar een rol in spelen terwijl 6 procent dan weer vindt dat sociale omstandigheden zoals ongelijkheid, marginalisering en uitsluiting de reden is. Voor 18 procent is het vooral het resultaat van ‘hersenspoeling’ en ‘propaganda’. Een laatste groep van 6 procent denkt dat de kans om buitenlandse machten en/of sektarische milities in Syrië en Irak te bestrijden het motief kan zijn voor jonge Arabieren om zich bij ISIS aan te sluiten.

Volgens 29 procent van de respondenten is het bestaan van de groep het gevolg van interne conflicten in het Midden-Oosten. Daar staat, tegenover dat 59 procent het vooral wijt aan het beleid van buitenlandse mogendheden. 42 procent denkt dat de opkomst van ISIS verband houdt met het religieus extremisme dat inherent is aan samenlevingen uit het Midden-Oosten, terwijl 38 procent eerder meent dat het beleid van Arabische regimes de oorzaak is.

Hoe ISIS en andere terroristische groepen dan wel bestreden moeten worden? Van de diverse antwoorden zijn de vijf meest voorkomende voorkeuren: militaire middelen (18 procent), beëindiging van buitenlandse interventie in Arabische landen (17 procent), het oplossen van het Palestijnse conflict (13 procent), ondersteuning van democratisering (12 procent) en het oplossen van economische problemen (9 procent).

Tot slot

Stereotyperen, clichés, bepalen en beperken ons wereldbeeld en ons beeld van sociale groeperingen waar we niet toe behoren. Het denken over die groepen verengt zich tot slogans als Walen zijn lui, Duitsers zijn punctueel en efficiënt, Amerikanen zijn dom en dik, Fransen zijn arrogant en chauvinistisch en ga zo maar door. Elk volk, elk land, elke sociale groep heeft zijn clichés. Door het denken in stereotypen hebben we weinig oog voor de verschillen binnen groepen (ook die binnen de eigen groep) terwijl we de verschillen tussen groepen uitvergroten.

Deze bevraging toont aan hoe het stereotiep denken over de Arabische wereld ons op een verkeerd been kan zetten. We zien de Arabieren als één blok en kennen daar dan vooral negatieve connotaties aan toe (intolerant, extremistisch, oorlogsgezind, antidemocratisch). Dit beeld klopt – zo blijkt uit het onderzoek van het ACRPS – totaal niet met de realiteit. Het wordt tijd dat we vanuit het Westen onze denkbeelden bijstellen in de lijn met de realiteit willen we ooit kunnen komen tot een gelijkwaardige dialoog.

Hier ligt een belangrijke rol voor de Westerse informatiemedia. Het feit dat de resultaten van dit belangrijk onderzoek echter door de mainstream pers en in de sociale media zijn doodgezwegen roept in die zin veel vragen op.

Francis Jorissen woont in het midden van nergens ergens in Frankrijk, nieuwsgierig, schrijver en free-lance journalist, activist, would-be wereldreiziger en geïnteresseerd in Rusland, de landen die ooit behoorden tot wat men toen 'Het Oostblok' noemde en het Midden-Oosten