Ivoren toren en betonnen structuren

Facebooktwittergoogle_plusmail

De auteur is een filosoof met internationale naam en faam, maar tegelijk niet te beroerd om met een paar honderd mensen Brusselse lanen te bezetten om een voetgangerszone af te dwingen, of mee een krantje te bussen van het buurtcomité. Hij dweilt zowat de hele wereld af als gewaardeerd en onvermoeibaar pleitbezorger voor een onvoorwaardelijk basisinkomen. En hij is begaan met dit land.

Dus is Philippe van Parijs niet alleen de spil van een groepje academici die pleiten voor een federale kieskring, maar ook van een ad hoc-studiekring, ‘Re-Bel’ genaamd. Dat is een fraaie woordspeling voor ‘re-thinking Belgium’, en helemaal niet zo rebels als het lijkt. Tenzij je natuurlijk al ‘rebels’ vindt dat uiteenzettingen en discussies daar altijd en uitsluitend in het Engels plaatsvinden, aanvankelijk tot niet geringe ergernis van de Franstalige deelnemers.

Dweept Van Parijs met Engels omdat hij zich daar toevallig zelf goed in thuisvoelt? Neen, maar hij herhaalt steeds weer dat teruggrijpen op Engels heel wat taalgevoeligheden in België kan omzeilen. Dat is meteen een van zijn stokpaardjes in het boek dat hij pas publiceerde (in het Nederlands én in het Frans, maar alsnog niét in het Engels) en waarin hij zijn jarenlang denken en discussiëren – en dat van zijn ‘rebellenclub’ – over België laat uitmonden in “een utopie voor onze tijd”.

Het boek is een omstandig toegelichte schets hoe dit merkwaardige koninkrijk zou kunnen evolueren in de komende decennia. En gelukkig is de auteur verstandig én bescheiden genoeg om het als een utopie voor te stellen. Want daar komt het wel op neer. Van Parijs laat zonder de minste valse schroom alle mogelijke – en vaak onaangename – feiten en opinies aan bod komen. Dat beeld van de werkelijkheid (en haar historische achtergrond) zal evengoed sommige Franstalige als Vlaamse lezers ergeren, maar is in zijn onbevangenheid en realiteitszin verfrissend voor wie zonder oogkleppen durft denken.

Maar wanneer de auteur vervolgens uittekent hoe ‘Belgium’ er zou kunnen gaan uitzien in de nabije toekomst, dan laat hij die realiteitszin achter zich, en begint – ontroerend en elegant, dat wel – op wolken te dansen. Lof en kritiek dus voor dit boek, dat – laat hier vooral geen twijfel over bestaan – zeker verdient gelezen te worden. Op de eerste plaats zelfs door de mensen die er zich zullen aan ergeren; en dat zullen er nogal wat zijn. Want Van Parijs schetst toekomstbeelden die voor de een paradijselijk, voor de ander des duivels zijn; maar hij trapt op haast alle denkbare tenen in zijn kritische analyse van bestaande toestanden en opinies.

Laten we wel wezen: iedereen die op een of andere manier aan dit land sleutelt (om het af te breken of voor ondergang te behoeden) heeft daarbij een min of meer duidelijk, min of meer verantwoord ideaalbeeld voor ogen waar zij of hij heen wil. Dat is wat de auteur (in welhaast bijbelse bewoordingen) een ‘utopie’ noemt: “een coherente visie voor de lange termijn, noodzakelijk om ons te begeleiden en om ons de kracht te geven vooruit te gaan zonder te wankelen”.

Je kan niet zomaar elke utopie afdoen als wereldvreemd wensdenken: ook “de democratie, de sociale zekerheid en de Europese Unie waren utopieën vooraleer vanzelfsprekende realiteiten te worden”.

Ietwat provocerend gekozen wellicht, die drie voorbeelden? Want anno 2018 is geen van de drie nog absoluut ‘vanzelfsprekend’. Reden te meer toch om dan ‘s goed na te denken over wat essentie is en wat slechts verschijningsvorm. Om die eerste overeind te houden kan het dan bijvoorbeeld nodig blijken de tweede te her-denken en aan te passen.

Zo bekijkt Van Parijs (in hoofdstuk 1) ook België. Het “is geen doel op zich” en kan gerust “verdwijnen als het geen enkel nut meer heeft”. Hij bespreekt dus (kort en meedogenloos) de diverse alternatieven die ooit werden of worden geopperd, en acht ze alle onrealistisch. Dus zal het land blijven bestaan. En die stelling (want dat is het natuurlijk; niet minder, niet meer) zet dan de bakens uit voor de rest van zijn “denkoefening”.

Dat wil zeggen: hoe kan je het leven van die vele verschillende Belgen optimaal gestalte geven? Waar is het in het verleden verkeerd gelopen (hoofdstuk 2) en hoe kan het beter? Dat is een kwestie van structuren en van mentaliteit, en ja, van onbevangen creatief denken. Aangezien in België talen en taalgebruik daarin een grote rol spelen heeft filosoof Van Parijs zich in de voorbije jaren intens gebogen over wat hij in een (erg boeiend, én in het Engels gepubliceerd…) boek “linguistic justice” noemt, en waarin hij onder meer analyseert hoe mechanismen van menselijke interactie ertoe geleid hebben dat Engels de Europese en globale ‘lingua franca’ is geworden, de taal waar het vaakst naar gegrepen wordt tussen mensen met verschillende moedertalen. Engels bevindt zich “in zekere zin tussen het Frans en het Nederlands”, knipoogt Van Parijs, en zou dus de communicatie tussen Belgen van alle slag alvast kunnen versoepelen. Niet door in de plaats te treden van de diverse eigen talen, waarschuwt hij (hoofdstuk 3), maar als “hulpmiddel om zonder illusie of complex te gebruiken”.

De structuren dan. Aangezien hij in voorgaande hoofdstukken al wees op de heel eigen betekenis van Brussel, zal het niemand verbazen dat Van Parijs (in hoofdstuk 4) opteert voor een federalisme met vier volwaardige gewesten (Vlaanderen, Wallonië, Brussel, Duitstalig België) die alle bevoegdheden zouden krijgen die nu ietwat artificieel verdeeld liggen over gewesten en gemeenschappen. Wanneer het over gewestvorming gaat, gaat het in dit land ook altijd over centen; en de filosoof gaat ook die centenkwestie niet uit de weg: in hoofdstuk 5 neemt hij mechanismen onder de loep die solidariteit, transparantie en verantwoordelijkheid kunnen combineren. Hij stelt een ‘cappuccino’-model voor, dat via herverdeling van beschikbare middelen in alle gewesten dezelfde ‘sokkel’ van noodzakelijke voorzieningen financiert, waar dan elk gewest afzonderlijk (via zuinig beleid of extra heffingen) naar eigen goeddunken wat extra kan aan toevoegen.

Het zal evenmin iemand verbazen dat hoofdstuk 6 tenslotte uitvoerig ingaat op de specifieke problemen van – en mogelijke oplossingen voor – Brussel. Of je dat nu leuk vindt of niet: tenslotte wonen daar steeds meer mensen die Frans- noch Nederlandstalig zijn en aan die tweedeling geen boodschap hebben. Aan de onderkant van de sociale piramide zijn dat de migranten (die, vermaant de auteur, ook door het Franstalig onderwijs decennia lang zijn verwaarloosd), aan de bovenkant de ‘eurocraten’ en wat daar rond zwermt. Door Brussel tot één gemeente te fusioneren zou je niet alleen een heel groot deel van die mensen (gemeentelijk en dus in feite regionaal) stemrecht kunnen verlenen, en vervolgens het bekende adagium omkeren tot ‘no representation without taxation’. Je zou bovendien de rijke gemeenten veel rechtstreekser doen bijdragen tot de financiering van het geheel, wat nu nauwelijks gebeurt.

U ziet het: geen tenen worden gespaard. Inzake ‘communautair’ touwtrekken trapt Van Parijs zelfs op een bijzonder pijnlijk Vlaams eksteroog, met zijn suggestie om de zes faciliteitengemeenten (die immers grotendeels Franstalig zijn) dan maar simpelweg bij dat gefusioneerde Brussel te voegen.

Tja, België en Brussel … dat hebben zelfs buitenlandse waarnemers al door: “het land zou al lang uit elkaar zijn gevallen als de problematiek van Brussel niet zou bestaan, een Franstalige enclave op Vlaams grondgebied die voor beide zijden te kostbaar is om op te geven”. En Van Parijs citeert met plezier ene Bart De Wever wanneer die erkent “als in het bruistablet België één hard element zit dat niet vanzelf zal oplossen, is het Brussel”. Hij had ook een pientere politicoloog uit de VS kunnen citeren die meer dan een halve eeuw geleden al poneerde dat deze merkwaardige “combinatie van twee verdrukte minderheden en een verdrukte meerderheid” het nog lang zou uitzingen.

Van Parijs heeft gelijk: als verdwijnen geen optie is, moet je wel ernstig en onbevooroordeeld onderzoeken hoe het dan beter kan dan tot dusver. Dat blijkt dan het minder overtuigende deel van zijn ‘utopie’. Niet omdat ze te gek zou zijn of volstrekt niet te verwezenlijken; integendeel zelfs. Maar omdat aan beide zijden van de taalgrens ondertussen structuren én mentaliteiten zo rotsvast ‘gebetonneerd’ zijn, dat zijn ideaalbeeld (dat zeker niet overeenstemt met dat van vele andere Belgen) alleen in een heel, heel verre toekomst denkbaar lijkt. Alleen zal tegen die tijd de opwarming van de planeet er voor gezorgd hebben dat de kustlijn samenvalt met wat nu de taalgrens is …

In ernst: bij de voorstelling van het boek (in Brussel) werd Van Parijs’ utopie – vriendelijk en beleefd, dat wel – de grond ingeboord door de politici die er hun mening mochten over geven (Peter De Roover, Meyrem Almaci, Olivier Maingain, en voormalig MR-kopstuk Hervé Hasquin). Maar de voltreffer kwam (allicht onbedoeld) uit het publiek, toen een ‘madammeke’ in volmaakt Brussels Frans tekeer ging tegen het feit “qu’on parle beaucoup trop de flamand ici”. Veelzeggender was dat dan elke serieuze kritiek.

Belgium. Een utopie voor onze tijd
Philippe Van Parijs
Polis, Antwerpen
208
214