Boudewijn: conservatief, religieus en koppig

Facebooktwittergoogle_plusmail

Vijfentwintig jaar geleden overleed Boudewijn, vijfde koning der Belgen. Twee emeritus hoogleraren die al eerder over Boudewijn en de Belgische monarchie publiceerden, Mark Van den Wijngaert (KU Brussel) en Emmanuel Gerard (KU Leuven) zetten bij die gelegenheid een overzicht van het leven van Boudewijn op papier, waardoor ze ons een inzicht verschaffen in de persoon van Boudewijn en in de manier waarop hij zijn functie als staatshoofd uitoefende.

Hun boek werd een zakelijke weergave van de belangrijkste gebeurtenissen uit het leven van Boudewijn en zijn 42 jaar durende koningschap. Oudere lezers zullen misschien niet veel nieuws vernemen, maar het boek zal voor hen ongetwijfeld de samenhang der dingen nog duidelijker maken, met name door de vermelding van minder gekende maar verhelderende feiten. Voor jongeren is het boek een onmisbare les over de geschiedenis van België tijdens de tweede helft van de twintigste eeuw.

Het leven van Boudewijn (1930-1993) mag in menig opzicht tragisch worden genoemd. Geboren worden als kroonprins is al geen lolletje, want vroeg of laat moet je koning worden, of je daartoe bekwaam bent of niet en of je dat wilt of niet. Boudewijns jeugd was een opeenvolging van drama’s: op vijfjarige leeftijd verloor hij zijn moeder koningin Astrid en hij moest nog tien worden toen nazi-Duitsland in mei 1940 België binnenviel. Zijn opvoeding was zonder meer hard. De klemtoon lag op discipline, zelfredzaamheid en sportiviteit. Zoals het gebruikelijk was (is) voor koningskinderen werd hij weggehouden van het echte leven. Lagere school volgde hij in een voor hem speciaal opgericht klasje waar hij samenzat met drie leeftijdsgenoten. Ook werd voor hem een aparte welpengroep opgericht, evenwichtig samengesteld uit Vlamingen, Franstaligen en Brusselaars en uit gelovigen en vrijzinnigen.

Na de Duitse invasie op 10 mei 1940 moeten de drie kinderen van koning Leopold III (Josephine-Charlotte, Boudewijn en Albert) Brussel verlaten. Ze trekken naar Frankrijk en nadien naar Spanje. In augustus 1940 keren ze terug naar België. Het eerste deel van de oorlog brengen ze in het kasteel van Ciergnon door. In 1942 keren ze terug naar Laken, waar hun vader en diens tweede vrouw, Lilian Baels (door Leopold tot prinses van Retie gebombardeerd), onder Duits toezicht verblijven. In juni 1944 wordt Leopold en zijn gezin op bevel van Hitler naar Duitsland gedeporteerd. Eerst verblijven ze in kasteel Hirschstein nabij Dresden, nadien wordt het Salzburg in Oostenrijk. Op 7 mei 1945 wordt het koninklijk gezin door Amerikaanse troepen bevrijd. Omdat Leopold en de Belgische regering, onder leiding van eerste minister Achiel Van Acker, het niet eens worden over de voorwaarden voor de terugkeer van Leopold naar België, verkiest Leopold samen met zijn gezin in vrijwillige ballingschap te gaan in het Zwitserse Pregny, nabij Genève. De koninklijke familie blijft daar tot 1950.

Koningskwestie

De crisis rond Leopold heeft alles te maken met de beslissing die Leopold op 28 mei 1940 nam om tegen de wil van de regering Pierlot te capituleren en zich niet aan te sluiten bij de geallieerden om verder oorlog te voeren tegen nazi-Duitsland. Na een volksraadpleging over de terugkeer van Leopold bereikt de koningskwestie een hoogtepunt. Op 12 maart 1950 spreekt 57,68 procent der Belgen zich uit voor de terugkeer van de vorst, maar omdat in Vlaanderen een meerderheid voor die terugkeer stemt en in Franstalig België een meerderheid tegen, raadt eerste minister Gaston Eyskens Leopold aan troonsafstand te doen ten voordele van zijn zoon Boudewijn. Leopold keert op 22 juli 1950 terug naar Brussel. Pas tijdens de nacht van 31 juli op 1 augustus stemt hij in met een ‘uitgestelde troonsafstand’. Op 11 augustus legt Boudewijn de eed af als ‘koninklijke prins’. Hij wordt staatshoofd, zonder koning te zijn. Officieel blijft Leopold koning. Pas op 16 juli 1951 doet Leopold troonsafstand en de dag nadien wordt Boudewijn de vijfde koning der Belgen.

Precies door die koningskwestie is het koningschap van Boudewijn al bij de aanvang uitgehold, zoals de auteurs schrijven. Zijn macht zal nog verder aangetast worden omdat de politieke partijen en de sociale partners in de loop der jaren het laken steeds meer naar zich toe trekken en uiteraard ook door de communautaire problemen. Alleen in crisismomenten zal hij gebruikmaken van zijn rol als bemiddelaar om de politieke stromingen enigszins te beïnvloeden.

Het spreekt vanzelf dat Boudewijn in 1950 helemaal niet klaar is om staatshoofd te worden. Daarvoor is hij te onervaren en te wereldvreemd. Bovendien staat hij zeer sterk onder de invloed van zijn vader Leopold. Die kreeg tijdens de jaren ballingschap de kans om zijn kinderen zijn visie op het Belgische gebeuren op te dringen. Die invloed zal blijven spelen, ook als Boudewijn koning is. Boudewijn blijft immers tien jaar bij Leopold en Lilian in Laken wonen. Hij laat zich volgens de auteurs door zijn vader ‘manipuleren’. Boudewijn koestert een ware wrok tegen de ministers die zich destijds tegen zijn vader keerden. Hij doet wat hij kan om die politici niet opnieuw tot minister te doen benoemen. Zijn wrok is zo groot dat hij weigert de voormalige eerste minister Hubert Pierlot, die in 1940 in aanvaring kwam met zijn vader, uit te nodigen op de viering van de tachtigste verjaardag van koningin Elisabeth, Leopolds moeder. Pas nadat eerste minister Van Acker met een nieuwe koningskwestie dreigt, geeft Boudewijn toe en mag Pierlot naar de viering komen. Onder druk van Leopold gaat Boudewijn in 1952 niet naar de begrafenis van de Britse koning George VI, omdat Groot-Brittannië felle kritiek had op Leopolds houding tijdens de Tweede Wereldoorlog. Boudewijns broer, prins Albert, wordt naar de begrafenis gestuurd. De invloed van Leopold op Boudewijn zal pas afnemen na Boudewijns huwelijk met de Spaanse dona Fabiola de Mora y Aragon in december 1960. Onder druk van eerste minister Gaston Eyskens verlaten Leopold en Lilian dan het paleis van Laken om hun intrek te nemen in het kasteel van Argenteuil.

Weg met Lumumba

Dat de Belgische kolonie Congo op 30 juni 1960 onafhankelijk wordt is helemaal niet naar de zin van Boudewijn. Vooral de aanstelling van Patrice Lumumba als Congolees eerste minister kan hij niet verteren. Slechts onder druk van eerste minister Gaston Eyskens gaat hij naar de onafhankelijkheidsplechtigheid in Leopoldstad, zoals de Congolese hoofdstad toen heette. Boudewijn brengt er in een toespraak hulde aan het genie van Leopold II. Hij krijgt lik op stuk van Lumumba die in een niet aangekondigde speech afgeeft op tachtig jaar Belgische kolonisatie. Boudewijn is zo geërgerd dat hij ermee dreigt onmiddellijk te vertrekken.

Dankzij de interventie van Belgische para’s op 10 juli 1960 in het Congolese Elisabethstad roept Moïse Tshombe op 11 juli de onafhankelijkheid van de Congolese koperprovincie Katanga uit. Boudewijn zet alles op alles om Katanga voor België te behouden. Hij verdedigt daarmee de belangen van grote Belgische bedrijven zoals het mijnbouwbedrijf Union Minière.

Als in oktober 1960 geopteerd wordt voor de volledige (ook fysieke) uitschakeling van Lumumba schrijft Boudewijn in een brief aan Tshombe dat de betrekkingen tussen België en Congo niet kunnen worden verbroken door de politiek van één man, waarmee hij uiteraard Lumumba bedoelt. Met medewerking van Belgen wordt Lumumba op 17 januari 1961 vermoord. Boudewijn reageert niet.

Een soortgelijk scenario speelt zich in Burundi af. Dat land en Rwanda (beide Belgische protectoraten) worden op 1 juli 1962 onafhankelijk. Nog voor die onafhankelijkheid en onder Belgische voogdij worden in september 1961 in Burundi verkiezingen gehouden. Die worden gewonnen door de partij van Louis Rwagasore. Die wordt al eens met Lumumba vergeleken en geniet geenszins de sympathie van de Belgische koloniale administratie. Op 13 oktober 1961 wordt Rwagasore door de Griek Jean Kageorgis vermoord. Kageorgis wordt gevat en ter dood veroordeeld. Hij verzoekt Boudewijn om gratie en die is geneigd hierop in te gaan. Minister van Buitenlandse Zaken Paul Henri Spaak kant zich tegen die gratieverlening om geen heibel in Burundi te veroorzaken. Daags voor de onafhankelijkheid wordt Kageorgis op 30 juni 1962 geëxecuteerd.

Tussen de Congolese dictator Joseph-Désiré Mobutu, die in 1965 aan de macht komt, en Boudewijn bestaat een jarenlange goede verstandhouding. Mobutu wordt immers als ‘incontournable’ beschouwd om de resterende Belgische belangen in Congo te vrijwaren. Mobutu ontvangt in Laken van Boudewijn het Grootlint in de Leopoldsorde. Pas na het bloedbad dat de Congolese presidentiële brigade op 11 mei 1990 onder de studenten van de universiteit van Lumumbashi aanricht, breekt Boudewijn definitief met Mobutu. Die krijgt in 1993 zelfs geen visum om de begrafenis van Boudewijn bij te wonen.

Eenheid van het land

Algemeen is bekend hoe Boudewijn begaan was met de eenheid van België. Schoorvoetend stemt hij in met de opeenvolgende staatshervormingen. Toch is hij tevreden als in 1977 het beruchte Gemeenschapspact, beter bekend als Egmontpact, totstandkomt. Maar dit pact wordt door eerste minister Leo Tindemans getorpedeerd. De jaren nadien blijft Boudewijn waarschuwen voor een aftakeling van het centrale gezag, maar de verdere regionalisering van België lijkt niet te stuiten. Na de zoveelste staatshervorming (Sint-Michielsakkoord) stelt Boudewijn in zijn 21 julitoespraak van 1993 vast dat België een federale staat is geworden en dat het proces vreedzaam is verlopen.Wel pleit hij voor het behoud van een federale burgerzin. Het zullen de laatste woorden van Boudewijn zijn. Op 31 juli 1993 overlijdt hij in Motril, zijn Spaanse vakantieverblijf.

Hoewel hij zeer begaan is met het behoud van België, veroorzaakt Boudewijn een zware crisis, een nieuwe koningskwestie, als hij op 30 maart 1990 weigert een wet te ondertekenen die abortus in bepaalde gevallen niet langer strafbaar stelt. Daarmee schendt hij de grondwet, want het staatshoofd is verplicht de door het parlement goedgekeurde wetten te ondertekenen. Boudewijn roept zijn geweten in om die weigering te verantwoorden. Maar als zijn geweten hem belet een wet te ondertekenen, moet hij aftreden of moet hij worden afgezet. Geen van beide gebeurt. De regering van Wilfried Martens tovert een Belgisch compromis uit haar hoed. De koning, aldus de regering, verkeert wegens zijn morele bezwaren in de onmogelijkheid te regeren. Bijgevolg neemt de ministerraad de koninklijke prerogatieven over om de abortuswet te bekrachtigen en uit te vaardigen. Door zijn optreden kiest Boudewijn duidelijk partij voor één ideologische strekking en kan hij niet langer als bemiddelaar optreden.

Maak van mij een heilige

Boudewijns weigering om de abortuswet te ondertekenen werd vooral door religieuze overwegingen ingegeven. Mark Van den Wijngaert en Emmanuel Gerard deden er goed aan uitvoerig in te gaan op het belang van de religie in Boudewijns leven. Boudewijn hield er een geestelijk dagboek op na. Hierin schrijft hij in 1991 dat hij op achttienjarige leeftijd God vroeg een heilige te zenden om hem in zijn geestelijk leven te leiden. Volgens Boudewijn was Veronica 0’Brien die heilige. Veronica O’Brien was een Ierse ex-non die een tweespan met de Belgische kardinaal Leo Joseph Suenens vormde. Samen organiseerden ze in België het Marialegioen, een organisatie van leken die in hun parochie probeerden mensen opnieuw voor de Kerk te winnen. Boudewijn, Suenens en O’Brien corresponderen jarenlang met elkaar en onmoeten elkaar regelmatig. Boudewijn neemt ook deel aan bijeenkomsten van de charismatische kerk die door Suenens en O’Brien in België gelanceerd wordt.

Boudewijn woont niet alleen iedere dag de mis bij, soms gaat hij zelfs ’s nachts naar de kapel om er te bidden. Het gebeurt ook dat hij politici die bij hem op bezoek zijn vraagt samen met hem te bidden. Als hij bijna dertig is gaat hij naar het bedevaartsoord Lourdes om er te bidden voor zijn huwelijk. Samen met koningin Fabiola of met vrienden volgt hij regelmatig een retraite in het klooster van de monastieke orde van Bethlehem in de Haute-Savoie. Hij zal die congregatie later, bij testament, op het koninklijk domein van Opgrimbie een klooster laten bouwen. In 1989 schrijft Boudewijn in zijn geestelijk dagboek: ‘A.u.b. Heer, maak van mij een heilige, en een heilige wil U gelijken in uw passie’.

Boudewijn - Koning met een missie
ark Van den Wijngaert en Emmanuel Gerard
Davidsfonds Uitgeverij
2018
239, 22,50 euro