VS en Iran willen niet weten van Moqtada al-Sadr

Moqtada al-Sadr (l.) met zijn vader groot-ayatollah Mohammed Sadeq al-Sadrop een afffiche in Irak. (Foto Wikimedia Creative Commons, Nicoleon)
Facebooktwittergoogle_plusmail

Een week na de parlementsverkiezingen van 12 mei in Irak werd officieel bekendgemaakt dat de alliantie rond de sjiitische clericus Moqtada al-Sadr, met 54 zetels het grootste blok wordt in het nieuwe parlement in Bagdad. Dit tot grote ontsteltenis van de Verenigde Staten én van Iran, die voor het eerst een gemeenschappelijk belang hebben in Irak: verhinderen dat de Sadristen aan de macht komen.

Moqtada legde als leider van het sjiitisch verzet met zijn “Leger van de Mahdi” de Amerikanen letterlijk het vuur aan de schenen nadat ze in 2003 Irak bezetten. Die vaardigden een arrestatiebevel tegen hem uit en stuurden moordcommando’s op pad om hem te vermoorden. Moqtada al-Sadr moest zich gedeisd houden en zocht enige tijd een toevlucht in Iran, waar hij zijn religieuze studies voortzette.

Als telg van een Iraaks-Libanees-Iraans geslacht van sjititische geleerden had hij vele banden met Iran, maar hij was niet een man van Iran zoals vele andere Iraaks-sjiitische leiders, die bovendien ook goede banden hebben met VS omdat die hen aan macht brachten. Zoals Moqtada al-Sadr zich verzette tegen de Amerikaanse aanwezigheid, zo wil hij ook niet dat de Iraanse regering zich bemoeit met de interne aangelegenheden van Irak. Hij is ook tegen de Iraakse steun voor de Syrische regering en verklaarde openlijk dat president Bashar al-Assad beter zou ophoepelen.

Als buitenbeentje werd hij in Irak zoveel mogelijk gemarginaliseerd ondanks het feit dat hij zeer populair was en is, vooral onder de armere sjiieten. Dit wegens zijn strijd tegen corruptie, tegen sektarisme en voor sociale rechtvaardigheid. Die populariteit leidde ertoe dat hij tegen de verwachtingen in als eerste uit de stembusslag kwam – ook al toonden de meeste Irakezen daar maar weinig belangstelling voor: slechts 44,5 % van de kiezers kwam opdagen. Dat kan in zijn voordeel hebben gespeeld omdat zijn kiezerspubliek een zeer gemotiveerd publiek is.

Iraakse communisten

Een ander element is dat hij een alliantie, Sairoen of “In Beweging” genoemd, vormde met de Iraakse communistische partij (ICP). Die werd in 1934 opgericht en is de oudste nog bestaande partij van Irak. Ze kende een hoogtepunt toen in 1958 de monarchie werd omvergeworpen door generaal Abdul Karim Qassem, die steunde op de communisten. Na de moord op Qassem in 1961 kende de partij zware tijden. De Amerikaanse geheime dienst CIA bezorgde de nieuwe machthebbers lijsten met de namen van communisten om ze te likwideren (zoals ook eerder in Indonesië gebeurde). De Arabisch-nationalistische Baath-partij, die in 1963 een eerste coup pleegde trad hard op tegen de communisten omdat die zich verzetten tegen de staatsgreep. Na de definitieve machtsgreep van de Baath in 1968, werd het restant van de CPI door de Baath opgenomen in een Nationaal Progressief Front, dat in 1978 werd opgedoekt door Saddam Hoessein.

Met de bezetting, in 2003, door de Amerikanen kwamen de communisten terug naar boven. Hun eerste deelnames aan de verkiezingen kregen maar weinig respons. Maar bij de provinciale verkiezingen van 2013 kwamen ze weer boven water. Op 12 mei dit jaar kende de partij alvast een opmerkelijk succes in Najaf, een heilige stad voor de sjiieten omdat hun stichter, Ali, schoonzoon van de profeet Mohammed, er begraven ligt.

Opmerkelijk is het succes ook omdat het een communistische vrouw, Suhad al-Khatib, was die in een als conservatief beschouwde stad, met 92.000 stemmen het pleit, en een parlementszetel won. Haar tegenstander van de Veroveringsalliantie moest het met 10.000 stemmen minder doen.

Oorlog tegen IS levert te weinig stemmen op

Die alliantie is het politieke verlengstuk van de Volksmobilizatie, waartoe in 2014 werd opgeroepen door ayatollah Ali al-Sistani, de hoogste geestelijke leider van het land, toen Irak dreigde de prooi te worden van de Islamitische Staat in Irak en Syrië (ISIS). Die veroverde in juni toen ook de stad Mosoel, riep daar de oprichting van een islamitisch kalifaat uit en verkortte de naam tot IS, Islamitische Staat. Eenheden van de Volksmobilisatie vochten overal mee met het Iraakse leger om IS te verdrijven. Vorig jaar juli viel Mosoel, wat een grote opsteker was voor de Volksmobilisatie. Maar gaf haar niet genoeg prestige om de sterkste politieke groep te worden.

Hetzelfde geldt voor de zetelende eerste minister Haider al-Abadi, die met 39 zetels voor zijn Overwinningsalliantie op de derde plaats eindigde. Hij was nochtans door velen getipt als winnaar dankzij zijn succesvolle strijd tegen IS. Abadi was in augustus 2014 eerste minister geworden in opvolging van Nuri al-Maliki, die al sedert 2006 premier was, met het specifieke doel de strijd tegen IS te winnen. Maliki werd verweten dat geen voldoende verweer had geboden tegen de troepen van IS, waarvoor zonder enig verweer de Iraakse en Koerdische troepen, met achterlating van al hun wapenarsenalen, op de vlucht gingen.

Samenwerking met soennieten

Maliki werd ook verweten dat hij een te harde politiek voerde tegen de soennitische minderheid , die sedert de oprichting van Irak door de Britten in 1920 het land leidden. Die politiek had ertoe geleid dat vele soennieten uit frustratie IS gingen steunen. Ondanks zijn stap achteruit bleef Maliki een machtig man achter de schermen, waarmee rekening mee moet worden gehouden. Hij eindigde in de parlementsverkiezingen op de vierde plaats met 25 zetels voor zijn Rechtsstaatcoalitie. De voorganger van Maliki ten slotte, Ayad Allawi, die geprobeerd had een minder sektaire (sjiieten tegen soennieten) en etnische (Arabieren tegen Koerden, Turkmenen…) politiek te voeren, werd vijfde met 22 zetels voor zijn Vaderlandse Alliantie.

Wat de binnenlandse politiek betreft, wil Moqtada al-Sadr verder gaan dan Allawi. Hij is verwerpt het sektarisme en is daarom bereid samen te werken met de super seculiere communisten. En ook naar de soennieten heeft hij de hand uitgestoken. Dit ondanks het feit dat zijn eigen familie erg te lijden heeft gehad van de soennitische repressie. Zijn vader, groot-ayatollah Mohammed Sadeq al-Sadr, die een uitgesproken tegenstander was van president Saddam Hoessein, werd in 1999 samen met twee van zijn zoons vermoord door onbekenden. Waarbij met de vinger wordt gewezen naar de regering in Bagdad. Eerder, in 1980, werd Moqtada’s schoonvader groot-ayatollah Mohammed Baqir al-Sadr, een neef van Mohammed Sadeq al-Sadr, terechtgesteld. Baqir al-Sadr wordt beschouwd als de geestelijke vader van Dawa (De Roep [van de islam]), een beweging die in de jaren 1970 al begon met aanslagen en moorden op aanhangers van de Baath-partij. Hij werd aangehouden na de publicatie van een pleidooi voor een islamitische revolutie, ter dood veroordeeld en opgeknoopt.

Imam Musa Sadr

Een andere destijds bekende kozijn van Moqtada is imam Musa al-Sadr die eind de jaren 1950 naar Libanon trok en daar de verpauperde en misprezen sjiieten ging organiseren en er een politieke macht van maakte. Hij verdween in 1978 op het einde van een bezoek aan Libië. Hij werd het laatst gezien op de luchthaven van Tripoli waar hij een vliegtuig naar Rome zou nemen. Een van de theorieën is dat de kolonel Muammar al-Kadhafi, een soenniet, hem zou hebben geliquideerd – al is niet heel duidelijk waarom. Anderen menen dat hij in Rome werd opgewacht door leden van de Israëlische Mossad, die hem, in samenwerking met de Italiaanse geheime diensten, zouden hebben doen verdwijnen om te voorkomen dat er, naast de Palestijnen, nog een potentieel vijandige groep aan Israëls noordergrens een bijkomende bedreiging zou kunnen worden. In dat opzicht heeft de moord de opgang van de sjiieten in Libanon niet kunnen stuiten. De sjiitische Hezbollah (Partij van God) is de machtigste partij van Libanon geworden evenals een geduchte tegenstander – de laatste invasie van Israël in Zuid-Libanon in 2006 werd alles behalve een succes.

Een atypische sjiiet

Moqtada al-Sadr is het tegengestelde sjiiet: anti-Amerikaans, anti-Iraans, tegen sektarisme, voor samenwerking met seculieren, en ga zo maar verder. Wat wil zeggen dat hij naast vele aanhangers ook vele tegenstanders heeft. Al voor de verkiezingen liet Teheran weten dat Moqtada niet mag regeren. Het zond inmiddels al de machtige generaal Qassem Soleimani van de Republikeinse Wachters, de man die ook de Iraanse operaties in Syrië superviseert, naar Bagdad om te pleiten dat er een pro-Iraanse regering zou worden gevormd. Van Washington is er nog maar weinig commentaar gehoord. Zeker is wel dat het geen anti-Amerikaanse regering wil.

Momenteel is Moqtada aan zet. Zelf kan hij geen eerste minister worden omdat hij geen kandidaat was voor een parlementszetel. Maar hij zal wel een poging ondernemen om een coalitie te vormen. Geen sinecure met slechts 54 zetels terwijl er 165 nodig zijn om de meerderheid te halen in het 329 zetels tellende parlement. Hij heeft er 90 dagen de tijd voor. Als het binnen die periode niet lukt krijgt iemand anders een kans. Zelf liet hij al weten dat hij een regering van technocraten wil vormen – een idee die hij al lang verdedigt omdat hij de enorme corruptie wil uitroeien en hij dat onmogelijk acht als alles op sektarische en etnische basis geschoeid blijft.

Of hij daarvoor voldoende parlementsleden achter zich zal kunnen krijgen valt sterk te betwijfelen. Het politieke systeem in Irak zit nu eenmaal zo in elkaar dat machthebbers de staat moeten bestelen om de buit te delen met hun aanhangers, die jobs moeten krijgen. Dat is een van de redenen bv. van de vlucht van de troepen voor de oprukkende Islamitische Staat. Soldaat worden is, zowel bij de Arabieren als de Koerden, in de eerste plaats een middel om een vast inkomen te krijgen, niet om iets te doen, zeker niet te gaan vechten. Idem dito voor de ambtenarij enz.

Dat de bevolking dit kotsbeu is, is al enkele jaren duidelijk. Al sedert 2015 worden er geregeld massademonstraties, met honderdduizenden deelnemers, gehouden in Irak, tegen de corruptie en voor hervormingen. Moqtada voert daar dikwijls het woord. In maart 2017 werd zelfs de zwaar bewaakte “groene zone” in Bagdad, het regeringsdistrict, waarin ook vele ambassade gevestigd zijn, een hele tijd geblokkeerd door sit-ins. Op verzoek van Moqtada bleef alles vreedzaam. Maar zijn besprekingen met premier Abadi over een oplossing voor de problemen, leverden nog zo goed als niets op.

Alles samengenomen ziet het niet naar uit dat Moqatada als-Sadr zijn plannen zal kunnen doordrukken, ook al heeft hij er veel steun van de bevolking voor. Daarvoor zal de druk van Iran en van de VS te groot zijn. De enige troost voor Moqtada is de steun die hij nu krijgt van de conservatieve monarchieën op het Arabische schiereiland, met Saoedi-Arabië op kop, waar hij met open armen en met alle egards werd ontvangen. Maar dat heeft alleen te maken met het feit dat hij de Iraniërs op afstand wil houden. Overigens is hij niet de enige Irakees waarmee de Saoediërs & co. zoete broodjes willen bakken. Irak wordt al geruime tijd bij manier van spreken platgelopen door prinsen uit de Golf die grootscheepse investeringen en geld voor projecten in Irak komen voorspiegelen. Dat alles in de hoop Bagdad in de anti-Iraanse alliantie binnen te loodsen. Die alliantie is echter een soennitische alliantie terwijl Irak in meerderheid een sjiitische staat is, met vele leiders voor wie in het verleden Iran jaren lang een toevluchtsoord is geweest. Ze weten ook dat de Golf-staten in eigen land een anti-sjiitische politiek voeren.

Historicus en actief gepensioneerd journalist. Werkte bijna 30 jaar in de dagbladpers. Schreef talloze krantenartikels en achtergrondbijdragen voor tijdschriften en verzamelwerken. Daarnaast ook een aantal boeken, zoals over de opkomst van het islamitisch fundamentalisme (1995) en de Koerdische kwestie. Werd medeoprichter van Uitpers uit onvrede met de berichtgeving in de mainstreampers, die zich meer laat meeslepen door desinformatie en propaganda.