De pater, de filosoof, en de thriller

Facebooktwittergoogle_plusmail

Dat was hij dus. Vol ontzag keken de eerstejaars-studenten in Thomistische wijsbegeerte naar die joviale ‘bruine pater op blote voeten’ daar vooraan in het middeleeuws-aandoende auditorium. Pater Herman Leo Van Breda, de legendarische redder en levenslange behoeder van het Husserl-archief. Legendarisch is wel het woord.

Een van die legenden wou dat kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog de toen nog jonge monnik het hele archief van de joodse filosoof uit de klauwen van de nazi’s had gered door het beetje bij beetje in zijn rugzak langs onherbergzame paden vanuit Duitsland (de Eifel?) naar België (de Hoge Venen?) te smokkelen. Wat een avontuur. Wat een moed. Wat een uithoudingsvermogen. De pater liet zich die legendevorming welgevallen, en sprak – althans tegenover zijn studenten – zelden over het ware verloop van die reddingsoperatie.

Die ware toedracht was minder rocambolesk, maar daarom niet minder spannend. Avontuur, moed en (vooral) uithoudingsvermogen kwamen er zeker bij te pas. In dit boek beschrijft Toon Horsten van naaldje tot draadje hoe een schijnbaar argeloze jonge monnik wist te voorkomen dat de hele intellectuele erfenis van de ‘ontaarde’ (want joodse) Duitse filosoof Edmund Husserl door het nazi-regime zou worden vernietigd. Dat verhaal is nauwgezet gedocumenteerd; het is bijzonder vlot geschreven, en leest als een heuse thriller.

Om ten volle te genieten van de geuren en kleuren, en van de rijke waaier aan personages en anekdotes moet u het boek echt lezen. Want zelfs een bondig overzicht van de talrijke onverwachte wendingen, obstakels en meevallers, van stoutmoedige truuks en taai doorzetten, en van de indrukwekkende betekenis die het Husserl-archief kreeg voor de na-oorlogse westerse filosofie is haast ondoenbaar. Wat volgt is dus slechts een rudimentaire chronologie. En misschien toch een beetje een smaakmaker.

Het waren spannende tijden, inderdaad, toen de 27-jarige pater Van Breda op stap ging. Behoorlijk angstaanjagende tijden ook, voor wie andere waarden koesterde dan de steeds machtiger wordende nazi’s. Even terugblikken: in 1936 had het nazi-regime internationaal getriomfeerd met de Olympische Spelen in Berlijn, in maart 1938 had het zonder slag of stoot Oostenrijk geannexeerd, en in september offerden Britten en Fransen in München Tsjechoslovakije op aan Hitler in de hoop daarmee de vrede te redden die een jaar later slechts een kort uitstel van de oorlog bleek.

En uitgerekend in die septembermaand doorkruist een joviale ‘bruine pater op blote voeten’ Duitsland van het meer van Konstanz naar Berlijn met drie loodzware koffers vol ‘paperassen’ die grotendeels in een soort geheimschrift zijn gesteld. De spionitis die toen overal in Europa – en zeker in Duitsland – heerste had hem de kop kunnen kosten. Doch Van Breda slaagt in zijn opzet: gaandeweg worden alle manuscripten, transscripties – én de hele bibliotheek – van Husserl vanuit Duitsland (en kort nadien ook vanuit Praag) in veiligheid gebracht in België.

Maar hoe en waarom is hij in vredesnaam aan dat avontuur begonnen? De jonge franciscaan heeft aan het Leuvense Hoger Instituut voor Wijsbegeerte al gewerkt over Edmund Husserl, en wil nu ook zijn proefschrift wijden aan ‘de grondlegger van de fenomenologie’. Hij maakt zich echter ook zorgen om wat er met het omvangrijke nog onuitgegeven oeuvre van Husserl zal gebeuren. Want als jood werd die sinds de machtsovername door de nazi’s in 1933 uit alle academische functies geweerd; hij kreeg publicatieverbod en werd later door de universiteit van Freiburg zelfs uit de lijst van emeriti geschrapt. Zijn pupil en opvolger, Martin Heidegger, heeft hem ter wille van zijn eigen carrière laten vallen als een baksteen. Husserls zoon Gerhart en zijn dochter Elisabeth zijn nog tijdig naar de Verenigde Staten uitgeweken; hij zelf – en later zijn weduwe – wil echter Duitsland niet verlaten zolang zijn werk niet op een of andere manier in veiligheid is gebracht. Husserl overlijdt eind april 1938; weduwe Malvine staat er nu alleen voor, terwijl de moeilijkheden met het regime toenemen.

Van Breda reist midden augustus naar Freiburg en bezoekt de weduwe met zijn voorstel om tenminste via het Leuvense HIW enkele teksten van Husserl alsnog te publiceren. Ter plekke beseft hij dat er oneindig veel meer op het spel staat: er liggen daar ongeveer 40 000 pagina’s manuscript (tot overmaat van ramp in een ouderwets soort steno dat alleen zijn voormalige assistenten kunnen ontcijferen), stapels transscripties, ruim 2700 boeken. En het wordt met de dag urgenter om die buiten Duitsland in veiligheid te brengen. Van Breda aarzelt niet. Voor hem wordt de redding van het Husserl-archief dé opgave van zijn leven.

Een poging om alles in Zwitserland onder te brengen bij een andere gerenommeerde oud-student van Husserl mislukt, aangezien ook deze Binswanger een vriend van de nazi’s is geworden. De pater trekt zijn stoute schoenen – pardon: sandalen – aan, en neemt contact met de Belgische ambassade om al het omvangrijke materiaal via de ‘diplomatieke valies’ naar België te smokkelen. Daartoe zijn heel wat démarches nodig in België – en die worden gedetailleerd én levensecht beschreven – maar uiteindelijk komt alles in Leuven terecht. In de universiteitsbibliotheek … die in 1940 (voor de tweede keer!) uitbrandt.

Goddelijke ingeving of territoriumgevecht tussen academici? In elk geval is het hele Husserl-archief kort voor mei 1940 overgebracht naar de woonst van de ‘president’ van (en in) het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte. Later zal Van Breda uit veiligheidsoverwegingen het archief over verschillende plaatsen verspreiden; pas na de oorlog wordt alles weer bij elkaar gebracht in het HIW, dat voortaan het Husserl-centrum bij uitstek wordt.

Om rond het Husserl-archief een heus onderzoekscentrum uit te bouwen had de Leuvense universiteit geen geld, en het HIW nog veel minder. Geen nood: Van Breda behoort tenslotte tot een orde van ‘bedelmonniken’. Niet gehinderd door klerikale oogkleppen of ideologische bezwaren trekt hij aan allerlei touwtjes, en zorgt zelf voor de nodige fondsen om twee voormalige assistenten van Husserl een (sober betaalde) baan in Leuven aan te bieden. Zij zijn nu eenmaal de enigen die het rare stenoschrift van de meester kunnen ‘lezen’. Maar … zij zijn Duitsers, en worden dus in mei 1940 opgepakt door de Belgische staatsveiligheid. Van een studiecentrum kan tijdens de oorlog geen sprake meer zijn. Wel zorgt Van Breda er voor dat de weduwe Husserl en haar assistente de oorlog overleven in een klooster nabij Leuven; eens te meer zorgt hij zelf voor een groot deel van de nodige fondsen.

Na de oorlog blijkt hoe levensbelangrijk de redding van het Husserl-archief is voor de ontwikkeling van de Europese filosofie in die dagen. Husserl heeft immers niet alleen fenomenologen als Merleau-Ponty of Levinas geïnspireerd; ook grote figuren als Sartre of Derrida beroepen zich op hem. Van Breda wordt hoogleraar in Leuven (hoewel formeel niet aan het HIW, vanwege een fraai staaltje ‘domdenken’), maar een groot filosoof is hij nooit geworden; dat erkennen ook zijn trouwste leerlingen en bewonderaars. Wel blijft hij jarenlang de spil van een uitgebreid netwerk en de drijvende kracht achter tal van Husserl-publicaties.

Maar nog een derde keer, zo vertelt Horsten, geraakt de pater in doodsangst om ‘zijn’ archief. Nadat hij het uit de klauwen van de nazi’s heeft gered, nadat het op wonderbaarlijke wijze is ontsnapt aan de brand van de Leuvense bibliotheek, dreigt het archief verdeeld te raken bij de splitsing van de K.U. Leuven vanaf 1968. Alleen dààrom keert Van Breda zich tegen de overheveling van de Franstalige afdeling naar Wallonië. Maar zijn goede relaties met vele generaties filosofen zorgen vrij snel voor een gelukkige afloop: de filosofen van de UCL – ofte ‘Louvain-la-veuve’ – zijn bereid om genoegen te nemen met fotokopies van het hele archief.

Ondertussen gaat de gezondheid van Van Breda fel achteruit; hij lijdt aan suikerziekte die hem én zijn naaste omgeving vaak erg gênante momenten bezorgt; de pater vertikt het echter zijn levensstijl – niet bepaald die van een bedelmonnik – om die reden te matigen. Begin maart 1974 overlijdt hij, snel en onverwacht, 63 jaar oud.

Horstens boek – dat zijn ontstaan dankt aan zijn nieuwsgierigheid naar een familiefoto – is niet alleen een uitermate leerrijk en spannend relaas over de redding van Husserls intellectuele nalatenschap en over zijn invloed op de naoorlogse filosofie van existentialisten en fenomenologen. Het is tegelijk een rijkelijk gedocumenteerde levensschets – maar hoegenaamd geen hagiografie – van een buitengewoon boeiend mens.

De pater en de filosoof. De redding van het Husserl-archief
Toon Horsten Vrijdag,
Vrijdag, Antwerpen
2018
292