Cuba zonder Castro

Facebooktwittergoogle_plusmail

De woorden schrijven: het helpt niet om de realiteit beter te laten doordringen. Cuba zonder Castro! Het gebeurt nochtans echt op woensdag 18 april. Raúl Castro, broer van de in 2016 overleden Fidel, treedt dan af als president van Cuba. De 605 parlementsleden die op 11 maart zijn  verkozen zullen dan een nieuwe Staatsraad van 31 leden aanstellen, met o.m. een president en vice-presidenten. President wordt naar alle waarschijnlijkheid Miguel Díaz Canel Bermúdez, sinds 2013 eerste vice-president. Hij werd geboren in 1960, dus ná de Cubaanse revolutie. Raúl Castro is 86 en met hem verdwijnt de generatie die de revolutie heeft gemaakt. Raúl blijft wel de communistische partij leiden tot 2021.

Hoewel er niet meteen grote beleidsveranderingen worden verwacht, is dit wel een enorme schok. Het land werd zestig jaar lang geleid door één familie en hoe voorzichtig en geleidelijk alle hervormingen ook zijn doorgevoerd, het bleef ‘Castro’. Nu wordt het echt anders. Of niet?

Geen post-revolutionair beleid

De Cubanen zijn er zestig jaar lang in geslaagd hun revolutionaire model te behouden. Het betekent de almacht van de communistische partij, een geblokkeerde middenklasse, een geslaagd sociaal model met uitstekend onderwijs en gezondheidszorg, een confrontatie met de Verenigde Staten en een onverantwoord embargo, een anti-imperialistische solidariteit met een van de beste vormen van ontwikkelingssamenwerking.

Op internationaal vlak ziet het er niet naar uit dat er meteen iets zal veranderen. Nadat President Obama van de Verenigde Staten de diplomatieke relaties met Cuba in 2014 had hersteld, trok president Trump in september 2017 een aantal diplomaten uit Havana terug wegens een geheimzinnige ‘ziekte’, veroorzaakt, zo zei men, door ‘geluidsgolven’. Zeventien Cubaanse diplomaten werden uitgewezen uit Washington.

Toch blijft er elders in de wereld belangstelling bestaan om de diplomatieke banden aan te halen. De Europese Federica Mogherini was al drie keer in Havana, er wordt vandaag meer samen gewerkt met landen als Zuid-korea en Japan, met China en opnieuw met Rusland.

De internationale solidariteit overleeft. In november vorig jaar stemden 191 landen in de Algemene Vergadering van de V.N. opnieuw tegen het embargo en Cuba was vorige week wél aanwezig op de ‘Top van de Amerika’s’ in Lima. Cuba blijft ook één van de landen met een uitstekende Zuid-Zuid samenwerking. Studenten uit de derde wereld komen studeren in Cuba en het land stuurt zijn  dokters uit om elders goede gezondheidssystemen uit te bouwen.

Onderwijs en gezondheid

Cuba had, meer dan wie ook, aandacht voor het sociaal welzijn van de bevolking. Het ontwikkelde een uitstekend onderwijssysteem en een zeer degelijke gezondheidszorg, waardoor het in de statistieken tussen de rijke landen van de wereld staat.

Vandaag, na de geopolitieke veranderingen van de afgelopen decennia – het wegvallen van  de steun van de Sovjet-Unie en de verminderende hulp van Venezuela – zou dit systeem best een frisse lik verf kunnen gebruiken. De basis van het systeem blijft overeind, maar de gebrekkige infrastructuur knaagt aan de effectiviteit ervan.

Ook de val van president Lula da Silva heeft gevolgen voor Cuba. Er kwamen vanuit Brazilië nogal wat investeringen die nu dreigen weg te vallen, o.m. voor de modernisering en uitbreiding van de haven van Mariel.

Het toerisme blijft een belangrijke valutabron, met meer dan 620.000 bezoekers in 2017, maar ook hier blijft de infrastructuur achter.

Cuba moet nog steeds meer dan 60 % van zijn levensmiddelen importeren, terwijl de helft van de akkergrond onbewerkt blijft liggen. Door het embargo is er té weinig export om de tekorten goed te maken. Cuba mag dan een exotisch strandparadijs zijn, je kan niet om de schaarste heen.

De ontbrekende middenklasse

De nieuwe president zal meteen geconfronteerd worden met de té trage hervormingen in de economische sector. Er zijn  nu weliswaar zowat zeshonderd duizend mensen die voor eigen rekening werken, maar ook zij blijven geconfronteerd met de ontbrekende middelen om hun werk goed te doen. Je mag dan wel voor eigen rekening gaan schilderen of een kapsalon openen, maar wat als je geen verf of geen shampoo kan kopen? Er is een geweldige dynamiek aanwezig, zeker bij de jonge generaties, er worden erg veel initiatieven genomen, maar de meeste blijven botsen op een star bureaucratisch systeem dat in westerse ogen erg surrealistisch zo niet kafkaiaans overkomt.

Vooral op dit vlak worden dynamische nieuwe voorstellen en maatregelen verwacht, maar het is lang niet zeker of die er ook meteen zullen komen. Want waar het hier om gaat is inderdaad de kern van het revolutionaire model. Ja, mensen mogen voor eigen rekening werken, maar het blijven micro-bedrijfjes, uit angst voor het ontstaan van een kapitalistische middenklasse die ongetwijfeld meer rechten en vrijheden zou opeisen.

De modernisering van de economie is er paradoxaal genoeg vooral gekomen in enkele grote ondernemingen die in handen zijn van het – door Raúl Castro geleide – leger, onder controle van de communistische partij.

Waar Díaz Canel niet zal kunnen aan ontsnappen is een dringende keuze in verband met het monetair beleid. Cuba heeft twee munten, één voor binnenlands en én voor buitenlands gebruik. De omrekeningskoers tussen beide verschilt naargelang van wat je met het geld wil doen. Het is bijzonder ingewikkeld en volgens alle, ook binnenlandse deskundigen, niet langer houdbaar. Maar of zo’n omschakeling pijnloos kan gebeuren is zeer de vraag.

Hoe dan ook, het falend economisch systeem is niet enkel te wijten aan het embargo, en het blijft een ontzettend groot probleem voor alle socialistische regimes. Na de ineenstorting van de Sovjet-Unie, het nu falend Venezuela met zijn ontzaglijke olierijkdom, is het moeilijk een succesvol links voorbeeld te noemen.

Democratie en mensenrechten

Democratie is een ruim begrip dat op veel manieren kan ingevuld worden. Zelden heb ik zo’n intensieve politieke bijeenkomsten bijgewoond als in Cuba. De politieke participatie gaat er achteruit, zo zeggen de Cubanen, want bij de laatste verkiezingen in maart van dit jaar nam slechts 83 % van de kiezers er aan deel… Zeggen dat er géén democratie is omdat er geen meerpartijensysteem bestaat, is dan ook niet erg zinvol. De Cubaanse bevolking participeert wellicht meer dan de Westeuropese bevolking in het politieke systeem. En ja, op voorwaarde dat men binnen het revolutionaire socialistische model blijft. Maar ook bij ons kan een antikapitalistische partij slechts doordringen als men bereid is om hervormingen binnen  het huidige systeem te overwegen. Zoveel verschil zie ik niet. De Cubaanse democratie is onvolmaakt, zoals ook de democratie in België onvolmaakt en die in de Europese Unie erg onvolmaakt is.

Op het vlak van mensenrechten is de situatie nog duidelijker. Een kapitalistisch regime zet de individuele rechten in de kijker, een socialistisch regime geeft voorrang aan de collectieve rechten. Het zou inmiddels moeten duidelijk zijn dat beide even hard nodig zijn en niet zonder elkaar kunnen.

Niettemin blijft er een reëel probleem bestaan voor de jonge en dynamische bevolking. Veel perspectieven zijn er niet en het blijft een dagelijks behelpen, een ‘débrouille’ waar de Cubanen echte meesters in geworden zijn. Je moet er romans voor lezen om af en toe een glimp op te vangen van hoe het leven in Cuba er echt aan toe gaat, bij de elites – die er wel degelijk zijn – die meer dan één graantje meepikken van de bloeiende handel met Venezuela, en bij de gewone mensen, zeker als er familie in Miami is.

De vraag naar het succes of het falen van het Cubaanse socialisme kan het best beantwoord worden door jezelf de vraag te stellen of je wil en kan leven met een permanente schaarste, zonder buitenlandse pers, zonder noemenswaardige oppositie, met beperkt internet en met beperkte kansen om zelf je toekomst te bepalen.

De toekomst?

Het is onmogelijk iets zinvol over een onzekere toekomst te zeggen. De generatie van de revolutie zal langzaam de baan ruimen, wat betekent dat er een deur én een venster open gaan voor jongere mensen die weliswaar in het systeem gepokt en gemazeld zijn, maar wellicht toch met een frisse kijk de realiteit kunnen benaderen.

De grootste verdienste van Cuba is dat het zestig jaar lang het hoofd heeft geboden aan de grootmacht in Washington. Het consequente anti-imperialisme levert het land, vooral in Latijns Amerika, blijvende sympathie op, ook al weet stilaan iedereen dat het daarom geen land van melk en honig is.

Het blijft verbazen dat er bitter weinig academisch onderzoek naar Cuba gebeurt, waardoor elke poging tot rationale benadering meteen in ideologisch vaarwater belandt. Dat is bijzonder jammer, want hoe kritisch sommigen ook mogen zijn voor het exotisch socialisme, er valt in Cuba ook erg veel positiefs te leren. Bijvoorbeeld, hoe een arm land toch een performant sociaal beleid kan voeren. En ja, ook negatiefs, niet onbelangrijk in een tijd van zogenaamde ‘demondialisering’: hoe geen enkel land het op z’n eentje kan redden en dus, hoe het socialisme altijd en noodzakelijkerwijs internationalistisch zal zijn. Een reden, zo lijkt me, om verder dan de kerktoren te kijken.

Miguel Díaz Canel staat voor een zware taak.

Francine Mestrum is doctor in de sociale wetenschappen en doet onderzoek naar sociale rechtvaardigheid, ontwikkeling en samenwerking, armoede, ongelijkheid en mondialisering. Zij is voorzitter van het mondiale netwerk van Global Social Justice (www.globalsocialjustice.eu) en werkt momenteel aan een project voor ‘social commons’ (www.socialcommons.eu ) voor een transformatieve en universele sociale bescherming.