Dyab Abou Jahjah, tussen activisme en columnisme

Facebooktwittergoogle_plusmail

WOORD VOORAF:

Ik schreef onderstaande kritische recensie van Abou Jahjah’s boek De stad is van ons kort na verschijnen ervan, in de zomer van 2014. Uiteindelijk publiceerde ik de bespreking niet omdat ik Dyab op dat moment geen stokken in de wielen wou steken. De bespreking ging wel naar een paar vrienden, waaronder Dyab zelf. Nu hij gaat voor een politiek project waarin ik me niet kan vinden (zie mijn artikel in De Wereld Morgen) en onze wegen scheiden, houdt niets me tegen om de tekst alsnog te publiceren. Niet uit rancune, want ik hoop dat Dyab ooit terugkeert naar de rol die hem in de huidige conjunctuur het beste ligt en ook zijn talenten het best laat renderen, dat is die van columnist. Wel omdat deze bespreking enkele inzichten bevat die m.i. nog steeds relevant zijn. Ik denk dan onder meer aan bespiegelingen over de beperkte politieke rol van de middenklasse; over de limieten van een focus op stadspolitiek; over de aard van het racisme; over de plaats van het zionisme in de dominante ideologie.

Ik publiceer de tekst ongewijzigd, wat bvb. verklaart waarom ik hier en daar ‘blank’ en niet ‘wit’ schreef – voortschrijdend inzicht weetjewel.

LDW, 15/2/2018

Dyab Abou Jahjah, ooit volksvijand nummer 1 als oprichter van de Arabisch-Europese Liga (AEL), ontpopte zich sinds zijn terugkeer uit Libanon tot een veelgevraagd commentator en opiniemaker in de mainstream media. Geen dag gaat voorbij of hij zit in een praatprogramma van een Belgisch of Nederlands tv- of radiostation, en De Standaard publiceert wekelijks een column van de Libanese Belg. Zelfs human interest- en spelprogramma’s zien hem niet over het hoofd: de persgeneraals, die hem ooit de nek omwrongen, drukken hem nu aan de borst. Interviews, quotes: geen gebrek daaraan, maar voor een bespreking van zijn jongste boek, De stad is van ons, dat in juni 2014 verscheen, werd amper plaatsgemaakt. Slechts drie besprekingen springen in het oog: eentje van Walter Lotens op de site van DeWereldMorgen, een (lyrische) van Bert Anciaux op zijn persoonlijke site en eentje van Rik Van Cauwelaert in De Tijd, maar die laatste nam niet echt de moeite om inhoudelijk op het boek in te gaan. Tijd voor een bespreking dus, ook al omdat de visie van Abou Jahjah onvermijdelijk weegt op zijn nieuwe beweging, Movement X. Ik was erg benieuwd: neemt de man vandaag de draad weer op waar hij hem in 2006 liet liggen, toen hij terugkeerde naar zijn eerste vaderland, dat op dat moment door Israël werd platgebombardeerd? Bouwt hij voort op wat hij begin van deze eeuw wou: een organisatie uitbouwen die moedig, tegen een verenigd front van persgeneraals, politici, de Staatsveiligheid, een extreem-rechtse filière in het Antwerpse politiekorps en een opgehitste blanke publieke opinie de structurele achterstelling van moslimminderheden in dit land op de politieke agenda probeert te krijgen?

Sympathie

Van bij het begin, in de lente van 2002, toen de mediaoorlog tegen de AEL goed was losgebarsten, was ik solidair met de organisatie in haar queeste om een “allochtone macht” uit te bouwen die de onderdrukking en achterstelling van moslims hier moest bestrijden. Het was vechten tegen de bierkaai, want Tom Lanoye, Tarik Fraihi en ikzelf waren (met een opiniestuk in De Standaard, ‘De jacht op Abou Jahjah is open’, 28/11/2002) de enige “autochtonen” die hem in de media onze solidariteit betuigden. (Een hele reeks mensen nam wel afstand van toenmalig premier Guy Verhofstadts aankondiging van zijn arrestatie in het parlement, omdat zo de scheiding tussen de rechterlijke, wetgevende en uitvoerende macht werd aangevallen, maar inhoudelijke solidariteit kreeg de AEL van hen niet). Terwijl 95 procent van progressief Vlaanderen de andere kant opkeek, maakten media, politici, politie en gerecht korte metten met de organisatie, met een cocktail van demonisering, criminalisering en intimidatie. Vanaf 2005 viel de AEL terug in een vegetatieve staat.

In het boek Wie is bang voor moslims? Aantekeningen over Abou Jahjah, etnocentrisme en islamofobie (2004), deconstrueerde ik de oorlog tegen de AEL, inclusief het samenspel tussen journalisten, de minister van Binnenlandse zaken en de Staatsveiligheid om met een perscampagne de reputatie van de AEL te vernietigen. (Het boek werd in de pers dan ook doodgezwegen, behoudens een – goed – interview in Knack en een vilein stuk van Ludo Abicht in De Standaard, die in zijn recensie enkele punten van kritiek op de AEL uit mijn boek lichtte om mijn boek tégen de AEL te keren. Voor de hoofdredactie van De Morgen – die krant stond vooraan in de smeercampagne – was ik toen al lang persona non grata voor de opiniebladzijden geworden. Voor een synthese van het boek, zie mijn artikel ‘Bij de terugkeer van Abou Jahjah naar België’, Apache, 18/9/2013.

In 2008 analyseerde ik het gerechtelijk dossier tegen de AEL-kopstukken Abou Jahjah en Azzuz, die in eerste aanleg waren veroordeeld omdat ze na de moord op een islamleraar in Borgerhout moslimjongeren tot geweld zouden hebben aangespoord. In Knack kon ik aantonen dat agenten van het Antwerpse politiekorps de AEL-leiders er met valse verklaringen hadden ingeluisd, wat bijdroeg tot hun vrijspraak in hoger beroep. (Dossier in ‘Wankele bewijzen tegen Abou Jahjah’, Knack, 23/4/2008) Toen in 2013 Abou Jahjah aan zijn tweede verblijf in dit land begon, verwelkomde ik hem dus met sympathie, als een enorme aanwinst voor dit monocultureel ingestelde, bekrompen landje. Deze bespreking van De stad is van ons is dan ook ingegeven door positieve intenties, en moet worden gelezen als een uitnodiging tot reflectie over een efficiënte strategie, in de eerste plaats voor Movement X.

“Manifest van de nieuwe meerderheid”

Het boek De stad is van ons valt in twee delen uiteen: grofweg 100 bladzijden worden besteed aan scenario’s waarin toekomstscenario’s van onze grote steden worden geschetst, waarna in het slothoofdstuk, goed voor 50 bladzijden, een “Manifest van de nieuwe meerderheid” wordt gepresenteerd. Op de toekomstscenario’s ga ik niet echt in: het zijn, zoals de auteur het zelf zegt, oefeningen van out-of-the-boxdenken over hoe onze steden er binnen enkele tientallen jaren zouden kunnen uitzien. Toch dit: Dyab schetst twee negatieve, catastrofale scenario’s: eentje waarbij de rijken de armen uit de stad verdrijven (“gentrification”) en eentje waarbij, omgekeerd, de stad wordt overgelaten aan de armen terwijl de rijken zich in de groene rand en de verkavelingen in kleinere steden en op het platteland terugtrekken. Volgens de auteur kunnen die extreme ontwikkelingen, als ze bewaarheid worden, zelfs uitlopen op een burgeroorlog, misschien wel een genocide. Ten slotte verwoordt hij een positief scenario: de opkomst van steden waar een mix ontstaat dankzij de economische emancipatie van achtergestelde groepen. Tot zover de verre toekomst: hieronder beperk ik me tot een bespreking van het manifest, dat focust op de politieke strategie op korte en middellange termijn, en mikt op de realisatie van het derde scenario.

Het “Manifest van de nieuwe meerderheid” valt in twee delen uiteen: negen bladzijden over de korte termijn (pp. 139-148), terwijl de eerste 38 bldz gaan over wat je gemakshalve het einddoel kunt noemen (pp. 101-139). De korte termijn slaat op wat vandaag te doen staat, en moet ongetwijfeld worden opgevat als wat Dyab als de corebusiness van Movement X ziet. Het verzet tegen elke vorm van onderdrukking moet worden gebundeld in “een militante burgerrechtenbeweging” die “mobilisatie aan de basis” als prioriteit heeft. (pp. 139-140) Die beweging moet, in de strijd voor gelijke burgerrechten, de eenheid realiseren van “een allochtone macht” met autochtone krachten. (p. 139) Gezien de aanhoudende achterstelling van etnisch-culturele minderheden – Dyab heeft het in zijn boek terecht over een “verslechtering” van hun situatie sinds de hoogtijdagen van de AEL – is dat een lovenswaardige doelstelling: je krijgt je rechten niet, maar je moet die afdwingen, en je doet dat door te mobiliseren en voor die mobilisatie bondgenoten te zoeken. Dat die mobilisatie onder de noemer “strijd voor gelijke burgerrechten” wordt ondergebracht, is uitstekend, want zo kan je een brug slaan naar wat men gemakshalve (een deel van) de “blanke meerderheid” kan noemen. Tot zover het goede nieuws.

Waar is die “allochtone macht”?

Wat evenwel vragen oproept, is de uitgetekende strategie om zover te komen. Zo staat er in het “woord vooraf” dat het identitaire discours van de AEL “een noodzakelijke fase in een emancipatieproces” was, maar dat die missie nu “volbracht” is, want er is “een gepolitiseerde generatie” ontstaan. (pp. 8-9) Als prioritaire actie (actie nummer 1) staat er zelfs: “Stop met je eigen identiteit als norm te promoten”, want dat is “achterhaald” (p. 120) In interviews herhaalt Dyab die stelling: de identitaire strijd van de AEL is achter de rug, een nieuwe fase dient zich aan. (Cfr. zijn uitspraken in ‘Studio de Stad’, Canvas, 30/10/2014) Men kan echter betwijfelen of de missie van de AEL volbracht is, zelfs… volgens Abou Jahjah zelf. Want in het “woord vooraf” schrijft hij – zeer terecht – dat de repressie van de AEL ervoor heeft gezorgd dat “duizenden jongeren zijn overtuigd geraakt dat activisme, democratie, rechten en burgerschap allemaal leugens zijn”. (p. 9) De gevolgen zijn gekend: stuurloze jongeren kwamen na de vernietiging van de AEL in een politiek niemandsland terecht. Ik herinner me dat ik voor research op een AEL-meeting was waar een jonge kerel aan Dyab vroeg of je een Jood mag vermoorden, waarop Dyab geduldig uitlegde dat dit niet mocht, en dat het zionistische regime de vijand is, en niet de Joden of het Joodse volk. Eens het establishment de AEL had vernietigd, waren die jonge gasten aan hun lot overgelaten, en de sirenenzang van de jihadi’s klonk luid. Sommigen radicaliseerden en kwamen in Sharia4Belgium terecht, zoals Fouad Belgacem, een oud AEL-lid.

De missie van de AEL is dus niet volbracht. Een hele generatie moslimjongeren is gedepolitiseerd en nog meer gemarginaliseerd, en een deel ervan zocht en zoekt een uitweg in het salafisme en jihadisme. Ja, er is een groep van mensen uit de tweede generatie van allochtonen die zichzelf in een opiniestuk eens “de AEL-generatie” heeft genoemd, maar dat is een kleine groep van universitair geschoolden, artiesten en journalisten die vooral met hun carrière bezig zijn en inzake de zelforganisatie van hun gemeenschap niet doorwegen. Van een “allochtone macht”, die in het manifest als een vaststaand feit wordt voorgesteld, is dus echt nog geen sprake. Integendeel. De crisis heeft moslims nog meer dan vroeger in de werkloosheid of in precaire arbeidsstelsels geduwd. Een sociologische analyse leert dat de etnisch-culturele minderheden grotendeels bestaan uit werklozen, drop-outs, en arbeiders en kleine zelfstandigen in een precair statuut. Kortom, de taak om een “allochtone macht” uit te bouwen ligt niet achter ons, maar voor ons. En om die taak tot een goed einde te brengen is “een identitaire aanpak” – een mobilisatie van moslims als moslims, met onvermijdelijk moslimidentitaire kenmerken als eenmakende factor – rond de nog steeds even actuele problemen van racisme en discriminaties inzake werk(loosheid), onaangepast onderwijs en grote huisvestingsproblemen essentieel.

De stad is van ons gaat aan die leemte evenwel voorbij. Abou Jahjah vraagt allochtonen en autochtonen om “de geborgenheid van onze cultuur en identiteit” te verlaten. (p. 121) Maar allochtonen en autochtonen zijn niet “gelijk”. Voor sommige mensen van de blanke meerderheid, die kapitaal en macht bezitten en het beleid controleren, is zijn oproep verleidelijk, want “exotisch”. Maar voor de etnisch-culturele minderheden, die vechten voor het dagelijkse bestaan en blootgesteld worden aan discriminaties en racisme, komen die woorden neer op een oproep om hun zo al fragiele, gespleten, gecontesteerde identiteit zelf nog meer te ontmantelen. Op de voorstelling van De stad is van ons hield Sp.a-senator Bert Anciaux Abou Jahjah daarom heel terecht voor dat identiteit een mobiliserende factor kan zijn. “Elke gemeenschap moet zichzelf kunnen blijven”, zei hij. (Verslag in ‘Abou Jahjah: Identiteit depolitiseren en armoede de-etniseren’, DeWereldMorgen, 17/6/2014) Op die boekvoorstelling zei Abou Jahjah hierover ook dit nog: “Identiteit is belangrijk binnen een emancipatiestrijd en zeker binnen de opvoeding. Ik laat mijn kinderen kennismaken met Arabische muziek. Maar de polarisering is vandaag zo diep en mensen plooien zo sterk terug dat het identitaire discours een doodlopende weg is.” (Idem) Het klopt dat er een polarisatie gaande is, met aan de ene kant een sterker wordende N-VA die een Vlaams identitair discours promoot, en aan de andere kant de groeiende impact van radicaal-salafistische opvattingen in moslimmiddens. Maar remedieer je daaraan met een moralistische oproep tot de minderheden om de eigen identiteit te relativeren? Problematiseert men zo niet de moslimcultuur in brede zin? Volstaat het, zoals Abou Jahjah schrijft, “het zelfvertrouwen van een nieuwe [superdiverse] meerderheid uit te stralen” (p. 123) om het identitair-nationalistische tij te keren? Noch de elite, noch de moslimminderheden, die zich door de dominante islamofobe cultuur in de hoek gedrumd voelen, hebben daar oren naar. Is het niet effectiever om het reactionaire moslimnationalisme, wat het salafisme in wezen is, op te vatten als een defensieve reactie van bedreigde minderheden, en daartegenover een progressief moslimnationalisme te stellen, gericht op het wegwerken van de achterstelling van die minderheden?

De stad als politieke arena?

Een ander problematisch punt in De stad is van ons is de optie om de stad als de politieke arena bij uitstek op te vatten. Abou Jahjah heeft daarbij dan een “superdiverse” stad als Brussel voor ogen, waar allochtonen de meerderheid van de bevolking uitmaken en geen enkele etnisch-culturele groep een meerderheid vormt, en dus geen enkele etnisch-culturele groep in staat is om zijn cultuur/wereld- en mensvisie aan de andere op te dringen. Het is evenwel zeer de vraag of men in een stad, alsof het een eiland is, een multicultureel universum kan creëren, los van de nationale en internationale context. Want de dominante ideologie is en blijft de ideologie van de heersende klasse, ook in Brussel, en die is joods-christelijk, patriarchaal, seculier, imperialistisch, atlantistisch, zionistisch. Men mag het eenmakende, multiculturele potentieel van die “stadscultuur” niet idealiseren. Zo is het bekend dat het geografische actieterrein van jonge allochtonen van Brussel-stad of Molenbeek amper tot aan de Naamsepoort reikt, laat staan dat ze de hogergelegen “blanke” gemeenten zoals Ukkel of Oudergem aandoen. Hetzelfde geldt voor de zogenaamde Dansaertvlamingen die Flagey en De Markten frequenteren en de Franstalige jeunesse dorée die het Maison du Peuple in Sint-Gillis aandoet, maar daar zie je geen Marokkaanse Belgen. Idem dito 100 meter verder, waar in café Verschueren enkel een blank cliënteel zit, en in het daarnaast gelegen café Portugalia enkel “bruine” mensen zitten. En dat is geen toeval: feitelijke segregatie is de norm, bij alle sociaal-culturele groepen. (Zie hierover bvb. de verwijzing naar een onderzoek van de UCL).

Abou Jahjah zet tegenover het monoculturele Antwerpen van Bart De Wever het superdiverse Brussel overroepen: de sociaal-economische tegenstellingen zijn er bijzonder scherp, de segregatie niet, zijn nieuwe thuisstad, maar het Brusselgevoel van de bewoners mag niet worden minder groot en het salafisme minstens zo sterk. Abou Jahjah beweert dat in Brussel “iedereen zich betrokken voelt bij het beleid” (Knack, 25/6/2014) Voelen de moslimjongeren van Molenbeek en Anderlecht zich echt bij het beleid en diensten als administratie en politie betrokken?

Wie zijn politiek kompas instelt op stadspolitiek – op een niveau waar de grote structurele problemen niet kunnen worden aangepakt – geraakt onvermijdelijk stuurloos, want op dat niveau beoordeelt men politici en partijen niet op basis van wat ze op structureel vlak (willen en kunnen) veranderen. Dat leidt dan tot interviews waarin Abou Jahjah zegt dat iemand als de Mechelse burgemeester Bart Somers “goed scoort” (Knack, 25/6/2010). Scoort Somers Goed? Hij is de man die in 2002 in het parlement applaudisseerde voor Verhofstadts aankondiging van zijn arrestatie en in Mechelen militante moslimjongeren van Rzoezie het vuur aan de schenen legde. Somers is ook een boegbeeld van een partij die zionistisch en islamofoob is en er alles aan doet om aanwervingsquota voor allochtonen tegen te houden… Nog een voorbeeld. Vlak voor de jongste verkiezingen schreef Abou Jahjah in een column dat hij het jammer vindt dat hij niet kon stemmen voor een welbepaalde allochtone kandidaat op de CD&V-lijst in Oost-Vlaanderen (‘De politieke consument’, De Standaard, 23/5/2014). Abstractie makend van de goede intenties van die kandidaat (aan die goede intenties twijfel ik niet): waar is de tijd dat hij de echte functie van allochtone kandidaten op de lijsten van de traditionele partijen blootlegde: stemmen bij allochtonen ronselen voor een beleid dat de achterstelling van allochtonen negeert en zelfs legitimeert?

Een focus op een lokale werking maakt wel meer opgang in politiek barre tijden. Men plooit terug op de stad, de wijk, met kleinschalige initiatieven, zoals het LETsen, de weggeefmarkten, de voedselteams… Dikwijls gaat het om mooie initiatieven en acties, op zich niks mis mee, maar als het daarbij blijft – of nog erger, als ze als politieke alternatieven worden voorgesteld – komen ze neer op vluchten van de verantwoordelijkheid om iets structureels te veranderen, en dat doe je op nationaal en internationaal niveau. Krachtsverhoudingen kan men maar op die hogere niveaus veranderen. Illusies in een ‘stadspolitiek’ zijn uit den boze, want elke echt progressieve stadspolitiek (of wijkpolitiek) zal door de hogere voogdijoverheid worden bestreden en kapotgemaakt (ik herinner in dat verband bvb. aan de radicaal-linkse Britse groep “Militant” die van 1983 tot 1987 de gemeenteraad van Liverpool domineerde, maar door de hogere overheden met gemak werd gesaboteerd en verpletterd). Pleiten voor een “vereenzelviging met de stad” is dus niet zonder gevaar. Wat centraal moet staan is een oriëntatie van allochtone minderheden op eenheid en identificatie met andere onderdrukte en achtergestelde groepen, alsook met progressieve autochtone organisaties, en niet op de eenheid van “de burgers” van “de stad”. En dat mag best op lokaal niveau beginnen, maar moet onvermijdelijk ook gebeuren op het niveau waar de beslissingen worden genomen, op het nationale niveau dus.

De middenklasse als broeikast van een multicultureel universum?

Nog problematischer in De stad is van ons is de langetermijnvisie, of “het einddoel”, zo je wilt. Abou Jahjah loopt hoog op met wat hij de middenklasse noemt. Hij definieert die middenklasse niet – misschien bedoelt hij gewoon mensen met een modaal inkomen of hoger? In elk geval ziet hij een rozige toekomst in een almaar groeiende middenklasse van autochtonen en allochtonen die op een beschaafde manier met elkaar zullen omgaan, wars van xenofobie en eng nationalisme. Hij steunt die verwachting op de vaststelling dat de middenklasse een klasse is “die idealiter één nationaliteit moet dragen, die van de markt”. (p. 105) Het cosmopolitisme van die middenklassers steunt op wat de auteur terecht hun “lifestyle” noemt (p. 106), en die is opgebouwd rond consumeren – van Apple-producten over Europese jazz en Asian food tot wat ze “tribal art” noemen. De idee dat die middenklasse een groep van multiculturele en antiracistische (of beter: a-ideologische) wereldburgers vormt, is echter erg betwistbaar. Die middenklassers zijn maar multicultureel en “xenofiel” in de mate dat het hen toestaat om op de mondiale kapitalistische markt reizen, cultuur en consumptiegoederen in te slaan. De aanbidding van de markt verhindert die middenklasse niet om de dominante ideologie van hun vaderland te omarmen en te verdedigen, wel integendeel: de Obama’s zijn een eminent voorbeeld van die ‘nomadische’ middenklasse. In een kapitalistische wereld van winstbejag, crisissen, nationale tegenstellingen, gevechten om grondstoffen en invloed zijn onderdrukking, achterstelling, racisme, uitsluiting, oorlog de factoren die de gang van de geschiedenis bepalen, en niet een a-ideologische middenklasse die het voetvolk en de ideologen van de verschillende nationale elites levert.

Modris Eksteins toont dat in zijn boek over het ontstaan van de moderne tijd overduidelijk aan. Hij schrijft over de cosmopolitische culturele elite, aan de vooravond van de eerste wereldoorlog: “Hoewel de avant-gardisten zeer gefascineerd waren door de lagere klassen, maatschappelijke verschoppelingen, prostituees, misdadigers en krankzinnigen, kwam die interesse niet voort uit een betrokkenheid bij het maatschappelijk welzijn of de zucht naar hervormingen, maar uit de simpele wens alle beperkingen die de mens waren opgelegd uit de weg te ruimen. Die belangstelling voor de lagere standen was dus eerder symbolisch dan praktisch. Men zocht naar een ‘moraalsysteem zonder sancties en verplichtingen’.” Eksteins vervolgt: “‘Iedere nieuwe overwinning van de revolutie baart mij vreugde’ schreef [de Russische schilder] Konstantin Somov in 1905 [toen arbeiders van Petrograd in opstand kwamen tegen het tsaristisch regime], ‘omdat ik weet dat ze ons niet het leven brengt. Ik haat ons verleden te zeer… Ik ben een individualist; de hele wereld draait om mij, en ik heb er geen belang bij om buiten de grenzen van dat “ik” te treden.” Eksteins stelt dan ook vast dat kunstenaars en intellectuelen “behoorden tot degenen die het meest gegrepen werden door de oorlogskoorts.” (M. Eksteins, Lenteriten. De eerste wereldoorlog en het ontstaan van de nieuwe tijd, pp. 58, 111) Na de Russische revolutie van 1917 keerde Somov, en samen met hem de andere ‘revolutionairen’ de revolutie al vlug te rug toe, en emigreerde hij. Hetzelfde gebeurde drie jaar eerder met de ‘nomadische’ middenklasse in Duitsland, Frankrijk en Engeland: probleemloos smolt die weg in de nationale publieke opinies, die in de greep van een koortsig patriottisme enthousiast (voor “het voortbestaan” en “de eer” van het vaderland) de imperiale oorlog omarmden.

Ook vandaag verscherpen de maatschappelijke tegenstellingen zich, wat de middenklasse uit haar comfortzone haalt en tot keuzes dwingt. Wie denkt dat de nieuwe, zoveelste oorlog van het Westen en zijn junior partners en client states in het Midden-Oosten – officieel een oorlog tegen Daesh (IS) in Irak en Syrië – “de mensheid” of “de beschaving” tegenover “de barbarij” plaatst, vergist zich. Die oorlog, met zijn onvermijdelijke verwoestingen en “collateral damage” (een eufemisme voor de cynische oorlogsvoering van het imperialisme, gericht op bombarderen vanop veilige afstand, met huurlingen of “onderaannemers” op de grond) framen de jihadische groepen in het Midden-Oosten in de ogen van jonge moslims minder en minder als terreurgroepen en meer en meer als verzetsorganisaties. Emigreren en een nieuw leven beginnen in jihadigroepen zal voor nog meer jonge Europese moslims, zonder werk en een toekomst, en met een verbrokkelde identiteit, een aantrekkelijk alternatief worden.

Het Westen oogst wat het zaait. Ginder, in het Midden-Oosten, waar het nu al decennialang via lokale potentaten terreurgroepen tegen “onze” vijanden in stelling brengt en financiert (eerst Al Qaida tegen de Sovjets in Afghanistan; nu jihadigroepen in Syrië). En ook hier, in Europa en België, werpt dat cynische beleid zijn bittere vruchten af. Decennialang is hier het reactionaire wahabi-salafisme uit Saoedie-Arabië ingevoerd – een vrouwonderdrukkende doctrine, maar daar maalden onze bestuurders niet om, want het wahabisme was apolitiek, en dat hield de “gastarbeiders” dociel… Maar het wahabisme is een perfect opstapje naar het jihadisme. En vandaag, met de oorlog in Irak en Syrië en de bijhorende islamofobische koorts in onze media, laten de gevolgen zich raden: nog meer “controle” en ideologische druk op moslims, die in de optiek van de elite altijd al een gevaarlijke onderklasse zijn geweest en dat ook blijven, als een reservoir van antizionisme en als vijfde colonne van het jihadisme. Niemand ontsnapt aan die radicalisering, laat daar geen twijfel over bestaan. De “middenklasse”, die ideologisch ontwapend is, sluit zich bij dat islamofoob offensief probleemloos aan. Filmmaker Adil El Arbi formuleerde de kijk van die middenklasse (en bij uitbreiding, van de autochtone meerderheid) kernachtig: “Bij Marokkanen denk je aan drugsdealers, fundamentalisten of voetballers.” (In Reyers Laat, 10/11/2014)

In De stad is van ons wordt het potentieel van de middenklasse ook erg rooskleurig voorgesteld als de biotoop van een immer groeiende groep van multiculti’s die uiteindelijk de meerderheid van de autochtone en allochtone burgers zal omvatten. Nu, het is zeer de vraag of een probleemloze expansie van de middenklasse een realistisch scenario is, en a fortiori, of die ontwikkeling ook geldt voor de allochtone groepen. Kijk maar naar de VS, waar inmiddels, na vele generaties leven en werken op Amerikaanse bodem, een zwarte middenklasse en zelfs een zwarte burgerij is ontstaan, maar de immense meerderheid van de Afro-Amerikanen nog steeds als (precair) arbeider of lumpenproleet door het leven moet. Er is geen enkele reden om te geloven dat het hier anders zou lopen, vooral ook omdat de kapitalistische economie in een neergaande lange fase zit en het aandeel van precaire jobs toeneemt. Een strategie die is opgebouwd rond het axioma van een etnisch neutrale middenklasse die aan omvang en belang toeneemt, overtuigt niet. Er is dus nood aan een genuanceerde klassenanalyse die rekening houdt met etnisch-culturele machtsverhoudingen, politieke ontwikkelingen bij moslimminderheden en de impact van het conservatieve nationalisme op de dominante, per definitie “blanke” ideologie die alle klassen en lagen van de samenleving beïnvloedt.

Racisme is meer dan een visie

In een dubbelinterview met Bart Somers zegt Dyab dat de Rode Duivels de samenleving een ideaal voorhouden, want daar vormen blank, zwart en bruin een team. Somers zegt in dezelfde zin dat wij allemaal, zowel blank en zwart als bruin, “nieuwkomers” zijn en ons als dusdanig moeten gedragen. (“Wij moeten allemaal Rode Duivels worden”, Dyab Abou Jahjah/Bart Somers, Knack, 2/7/2014). Mooie woorden, maar levert dat in the real world iets op? Je kunt niet zeggen dat het voorbije decennium de sociaaleconomische situatie van de moslimminderheden erop is verbeterd of de moslimhaat is afgenomen. Er zijn wel een paar allochtone literatoren en academici bijgekomen, maar dat geeft het totale plaatje geen ander aanschijn. In de fabrieken, kantoren, wijken en scholen, en op de huisvestingsmarkt, ziet het er allemaal heel beroerd uit. Met de rechtse regeringen in Vlaanderen en België wordt het allemaal nog erger, want van die kant moeten we geen structurele maatregelen verwachten die de achterstand van moslims zullen wegwerken. Integendeel: het hoofddoekenverbod voor ambtenaren aan de loketten van federale instellingen symboliseert welke kant het met het regeerakkoord van Michel en De Wever opgaat. Dat hoeft niet te verbazen, want alle partijen, ook de progressieve partijen Sp.a, Groen en de PVDA, zijn partijen van de blanke meerderheid, en dat blanke kiespubliek is in de greep van de dominante ideologie, die in zijn kern imperialistisch, zionistisch en islamofoob is. Geen enkele partij maakt van de empowerment van moslims en van het wegwerken van hun achterstelling een prioriteit, een breekpunt. (Vanuit hun optiek, logisch: zo’n strategische keuze zou hun blanke achterban in hoge mate irriteren. Getuige het experiment met Resist!, de electorale alliantie van de AEL en de PVDA, die ervoor zorgde dat bij de verkiezingen van 2004 de blanke kiezers van de PVDA gewoon wegliepen. Het bracht de PVDA ertoe de AEL koudweg te dumpen).

De stad is van ons bevat geen analyse van de wortels van dat racistisch substraat. Het recept om racisme te bestrijden is volgens Abou Jahjah dubbel: aanwervingsquota voor achtergestelde groepen (p. 131) en “ontmoeting in diversiteit” van allochtonen en autochtonen (p. 124). De eerste as is uitstekend, want het is een structurele maatregel, en de tweede heeft nog nooit kwaad gedaan. Maar die stellingen worden omgeven (omsingeld) met beweringen die alles op een hellend vlak zetten. Abou Jahjah stelt dat autochtonen en allochtonen nood hebben aan “kleine revoluties” in eigen huis; dat zij de taal en de cultuur van de andere moeten leren kennen; dat zij zich minder bekrompen moeten opstellen tegenover de eigen identiteit; dat zij elkaar moeten ontmoeten. In dat verband merkt hij op dat jongeren de neiging hebben om te rebelleren tegen “de ander” en niet tegen zichzelf, wat bij sommige allochtone jongeren leidt tot salafisme en jihadisme. (p. 125) Een analyse van de voedingsbodem van die conservatieve radicalisering ontbreekt, zodat die lijnen overkomen als een moraliserende, krachteloze vermaning. Ook de stelling dat de diversifiëring van politie, politiek, media en gerecht het racisme zal doen wegsmelten, want een divers politiekorps zorgt ervoor dat de jongeren de agenten zien als “hun” agenten, en omgekeerd, de agenten de jongeren zien als “hun” jongeren (pp. 91, 130), is naïef. Zoals vrouwen in topfuncties in de administratie, bedrijven of politiek niet voor een “vrouwelijke” invalshoek zorgen maar de dominante mannelijke cultuur overnemen om in de eerste plaats op die posities al maar te geraken, zo zullen allochtone agenten (en politici, of rechters) zich moeten “socialiseren” (“zich moeten bewijzen”) om daar te geraken. Zolang de structurele achterstelling wordt gehandhaafd, en het politiekorps dient daartoe, zullen de relaties tussen politie en mensen uit achtergestelde buurten conflictueus zijn, kijk maar naar het steeds weerkerend protest tegen politieracisme in de VS, waar ook zwarte agenten de dienst uitmaken.

Racisme is immers meer dan een visie: het is een praktijk die vorm krijgt in sociale relaties, in de eerste plaats in scheiding, isolement, segregatie, in de tweede plaats in discriminatie, achterstelling. Racisme krijgt vorm in homogene klasjes op school; in relatief homogene buurten; en in relatief homogene werkplaatsen – goedbetaalde Audi-arbeiders zijn overwegend blank, terwijl de arbeiders in de toeleveringsbedrijven, die veel slechter worden betaald, overwegend bruin zijn. Dat racisme vertaalt zich in schoolboeken en mediaproducten die een “vaderlandse geschiedenis” presenteren die het imperialisme opschonen en verheerlijken. De voedingsbodem van het zionisme – bron van islamofobie en van een fundamenteel wantrouwen ten opzichte van moslims hier – is meer dan een verkeerd begrepen schuldgevoel over de Judeocide in de Tweede Wereldoorlog of misplaatste judeofilie: het steunt op de stevige sokkel van het atlantisme, die bijzondere vorm van imperialisme waarbij de Europese machten, als junior partners van de VS, hun dominantie in de wereld in stand proberen te houden door hun wagonnetje aan de Amerikaanse locomotief te koppelen. Zolang Israël een centrale plaats in het Midden-Oostenbeleid van Washington inneemt, blijft zionisme een component van de dominante ideologie. Het zijn allemaal harde realiteiten die de voedingsbodem zijn voor xenofobe zondebokmechanismen, die op hun beurt door politici worden geëxploiteerd (tegen “de Jood” vroeger, tegen “de vreemdeling”, “de potverterende Waal” of “de banksters” nu). Kortom, om dat racisme terug te dringen is een “allochtone macht” nodig die concrete, structurele engagementen afdwingt.

Tussen activisme en columnisme

Joël De Ceulaer schreef in Knack bij het gesprek tussen Abou Jahjah en Bart Somers deze bedenking neer: “We komen van ver. We belijden graag dat iedereen gelijk is, dat iedereen evenveel kansen moet krijgen. We hebben wetten die racisme strafbaar stellen en we willen niemand de gepaste empathie ontzeggen. In ons hoofd zijn de meesten onder ons daartoe al bereid. Nu nog in ons hart en we zijn er.” (“Wij moeten allemaal Rode Duivels worden”, Abou Jahjah/Somers, Knack, 2/7/2014). Het is mooi gezegd, en wie kan ertegen zijn? Maar het heeft veel weg van een melige Phil Bosmansslogan, à la “Verander de wereld, begin bij jezelf”. Zo ziet men de concrete gang van de geschiedenis over het hoofd – een geschiedenis van onderdrukte en uitgebuite volkeren en klassen die met bloed, zweet en tranen rechten en vrijheden hebben afgedwongen. Een geschiedenis met ups-and-downs ook, met progressie en regressie. De stad is van ons schurkt tegen dat ahistorische moralisme aan, met de oproep om heil te zoeken in de cosmopolitische middenklasse. Dergelijke oproepen hebben geen impact op het terrein. Maar ze “pakken” wel in de mainstream media, waar de angst voor jihadi’s hoge toppen scheert. Vandaag is de elite van dit land verbijsterd, in de war, stuurloos. De elite beseft dat in het Midden-Oosten een monster is gecreëerd (IS), en dat jonge moslims hier vatbaar zijn voor de lokroep van een radicaliteit die hen ginder een identiteit geeft die hen hier wordt ontzegd. De elite, die bij de etnisch-culturele minderheden amper over gezag beschikt, zoekt wanhopig, soms pathetisch naar middelen om greep op de zaak te krijgen (denk bvb. aan de brochure “Beheersen van moslimradicalisering. Handreiking voor beleid en praktijk”, van de burgemeesters van Antwerpen, Mechelen, Vilvoorde en Maaseik, of aan de aanstelling van ambtenaren die “radicalisering” moeten volgen).

Het levert Abou Jahjah zendtijd op radio en tv op, en ruimte in de krantenkolommen. Het is aandoenlijk om te zien hoe Annelies Beck en andere journalisten met een “blanke” visie, “blanke” agenda en “blanke” biotoop, die geen benul hebben van wat er in de volkswijken van Molenbeek, Beiroet of Amman leeft, met rode oortjes luisteren naar Dyab die uitlegt hoe slecht IS wel is; dat de repressie tegen terugkerende jihadi’s hard moet zijn (zij pleegden, door actief te worden in IS of Al-Nusra, “een misdaad (…) ze moeten vervolgd worden. Ze pleegden landverraad of namen deel aan misdaden tegen de menselijkheid.”); dat het (doorgaans apolitieke) salafisme dat hier door imams in moskeeën wordt verspreid nogal eens neerkomt op een lightversie van de IS-ideologie. (zie TerZake van 8/9/2014).

Het is een discours dat aansluit bij de wens van de westerse elites om de controle op de moslimminderheden in het Westen op te drijven. Oproepen om de Syriëstrijders te criminaliseren is koren op molen van het establishment dat zijn repressief arsenaal wil uitbreiden om tijdens de komende oorlog zijn “gevaarlijke onderklasse” onder controle te houden. Ontgoochelde jonge gasten die terugkeren (en geen misdaden hebben begaan) moeten worden opgevangen, niet gecriminaliseerd.

Nu de massamedia Abou Jahjah omarmen, staat hij voor een kruispunt, een keuze. Richt hij zijn vizier op de harde, moeilijke uitbouw van MvX als een mobiliserende strijdbeweging om aanwervingsquota voor achtergestelde groepen, de “dekolonisering” van België en Europa en steun voor de boycot-Israëlcampagne te realiseren? In dat geval zal zijn mediaster snel tanen. Of schuift hij op, richting de dominante ideologie, en wordt hij een van de vele commentatoren aan de zijlijn? Dat laatste is ongetwijfeld niet zijn bedoeling, maar sociale, materiële factoren wegen doorgaans harder door dan idealen. Zoals Dyab het meermaals zelf zei: hij is ouder geworden, hij heeft kinderen, er is een gezin te onderhouden… De media-aandacht lijkt hem al wat naar het hoofd te stijgen, want in Humo van 7/10/2014 zei hij over Guy Verhofstadt: “Is die nog relevant voor de Belgische politiek? Ik in ieder geval wel (lacht)”. Zo’n uitspraak is een teken aan de wand. Wie denkt dat hij de massamedia kan “gebruiken”, valt ten prooi aan een gevaarlijke illusie. Want de persgeneraals gebruiken jou, niet omgekeerd. Het roept de metafoor op van een man die tegen een muur duwt en denkt dat hij de muur achteruitduwt, maar het is niet de muur, maar hijzelf die achteruitgaat. De persgeneraals tolereren je zolang je binnen hun lijntjes kleurt, en alleen dan.

Abou Jahjah heeft genoeg kwaliteiten in zich om het als columnist en opiniemaker in de massamedia te maken: dat tonen zijn scherpzinnige teksten afdoende aan. Eén obstakel staat dat in de weg: Palestina. Zolang hij inzake Israël blijft zeggen waarop het staat – dat Israël een Europees-kolonialistisch project is dat moet vernietigd worden, ten voordele van een binationale staat waar Arabieren en Joden vreedzaam samenleven – is een stabiele klassieke carrière uitgesloten. In dat verband kan worden herinnerd aan wat in politieke en mediakringen een publiek geheim is: Guy Verhofstadt zei ooit tegen de jonge Vincent Van Quickenborne dat zijn toekomst in Open Vld gewaarborgd is, op voorwaarde dat hij nooit nog één onvertogen woord over Israël zou zeggen. Heeft Abou Jahjah voldoende intellectuele veerkracht om te weerstaan aan de druk om niet helemaal op te gaan in zijn status van BV-columnist? De politieke manco’s in zijn boek, die ook worden geventileerd in interviews, zijn een ernstige waarschuwing. Zijn oriëntatie op de “multiculturele middenklasse” lijkt een theoretische rechtvaardiging post factum van zijn nieuwe status, en ook van zijn isolement bij moslimjongeren, die hij denigrerend “snotapen” noemt (in Humo, 7/10/2014. )

If there is hope, it must lie in the proles

Nochtans vertegenwoordigt de moslimjeugd een formidabele sociale kracht. Socioloog Jan Hertogen verzamelde statistisch materiaal over het aantal jongeren (-25-jarigen) van vreemde afkomst. In geheel Vlaanderen (zonder Brussel) zijn ze goed voor 26,8% van alle -25-jarigen, maar in de steden ligt het cijfer veel hoger: 61,3% in Antwerpen; 43,8% in Gent; 44,9% in Mechelen; 59,1% in Vilvoorde. Cijfers voor Brussel ontbreken, maar die liggen nog een pak hoger. (Cijfers in http://www.npdata.be/BuG/245-Herkomst/) Gezien het enorme politieke gewicht van (groot-)steden in de nationale politiek en het almaar toenemende demografische gewicht van allochtonen geeft dit te denken: de toekomst is aan diegenen die de strijd tegen de achterstelling van allochtonen centraal stellen – al betekent dit ook dat men onder moslimjongeren het politieke gevecht met het salafisme en het jihadisme moet aangaan. Afgaande op De stad is van ons kiest Abou Jahjah voor een andere weg. Maar anders dan de moslimjeugd is de door hem geïdealiseerde middenklasse geen vehikel voor sociale actie. Wie daarop mikt, komt in een politiek vacuüm terecht, waar acties plaats ruimen voor woorden, speeches en artikels. Vraag is dan ook of zijn geesteskind, Movement X, levensvatbaar is. Kan je een actiegroep of beweging uitbouwen rond een BV met een ideeëngoed dat draait rond statements tegen racisme en vage concepten als “actief burgerschap”, of met voorstellen gericht aan mensen als Bart Somers om “samen een nieuw verhaal te schrijven”? (Knack, 25/6/2014)?

Op dat punt deel ik de mening van George Orwell, en de geschiedenis van de afgelopen 200 jaar geeft hem gelijk. In zijn meesterwerk 1984 reflecteert de protagonist van het boek, Winston, over de kansen op succes van een gevecht tegen de dictatuur (“The Party”) van Oceania: “If there was hope, it must lie in the proles, because only there in those swarming disregarded masses, 85 per cent of the population of Oceania, could the force to destroy the Party ever be generated. The Party could not be overthrown from within. Its enemies, if it had any enemies, had no way of coming together or even of identifying one another. Even if the legendary Brotherhood existed, as just possibly it might, it was inconceivable that its members could ever assemble in larger numbers than twos and threes. Rebellion meant a look in the eyes, an inflexion of the voice, at the most, an occasional whispered word. But the proles, if only they could somehow become conscious of their own strength. would have no need to conspire. They needed only to rise up and shake themselves like a horse shaking off flies. If they chose they could blow the Party to pieces tomorrow morning. Surely sooner or later it must occur to them to do it?”