Praagse winters

Zeman blijft in Praagse burcht. (Wikimedia.commons/Andrew Shiva)
Facebooktwittergoogle_plusmail

De Tsjechische kiezers staan hun president Milos Zeman toe nog vijf jaar in ‘de Burcht’, het presidentieel paleis, te blijven. Zeman, ooit sociaaldemocratische eerste minister, werd tijdens zijn verblijf in de Burcht een rechtse xenofoob. Als staatshoofd heeft hij wel weinig bevoegdheden. Maar het feit dat de Tsjechische kiezers hem, weliswaar nipt,  herkozen, is reden tot bezorgdheid over de evolutie in Midden-Europa. Zijn herverkiezing volgt op de recente parlementsverkiezingen die een succes werden voor diverse zeer De zogenaamde  “illiberale democratie” à la Viktor Orban, premier van Hongarije, doet het goed in Midden-Europa.

Wortels

In de eerste ronde haalde Zeman 38.6 %, tegen 26.6 % voor Jiri Drahos, chemicus en nieuwkomer in de politiek. Die kreeg voor de tweede ronde de steun van de drie andere kandidaten, zodat hij normaal Zeman had moeten verslaan. Maar de kiezers volgden niet.

De Tsjechische Trump? Zeman was de VS-president lang voor in vulgair woordgebruik, scheldpartijen, afkeer voor migranten en islam… Zoals Trump denkt Zeman dat de klimaatopwarming slechts een oplichterij is en vindt hij dat Jeruzalem moet erkend worden als hoofdstad van Israêl. Hij looft zijn Russische collega Poetin en zijn Chinese ambtgenoot Xi.

Nochtans was diezelfde Zeman in de jaren 1990 een leider van de Tsjechische Sociaal-Democratische Partij. In veel andere landen van Centraal-Europa en de Balkan zijn de sociaaldemocratische partijen gewoon de snel van naam gewisselde communistische partijen – Polen, Hongarije, Roemenië, Bulgarije. Niet zo in Praag.

In Tsjecho-Slovakije bleef de Communistische partij haar naam behouden, ze zit nog altijd in het parlement in Praag. Na de implosie van het communistisch systeem eind 1989, kwam de historische Sociaal-Democratie weer snel tot leven, onder meer gereanimeerd door Zeman. Vooral Bohemen en Moravië (samen Tsjechië) hadden een bloeiende industrie voor de Tweede wereldoorlog en een omvangrijke arbeidersklasse met sterke communistische én sociaaldemocratische inplanting. De sociaaldemocratie had er sterke wortels.

Lente

Het na de Eerste Wereldoorlog opgerichte Tsecho-Slovakije kende twintig jaar democratisch leven met partijen en vakbonden die zich konden uitbouwen. Tsjechen waren trots op hun industrie en op hun vakmanschap. Dat voelde men tijdens de ‘Praagse lente’, een beweging die begin 1968 vanuit de communistische partij zelf kwam en zei te ijveren voor een ‘socialisme met een menselijk gezicht’. Het was een beetje tot zijn eigen verbazing dat de aarzelende Alexander Dubcek er het boegbeeld van werd.

Die lente was erg populair onder intellectuelen, maar stuitte aanvankelijk op het wantrouwen van een deel van de arbeiders. Toen ook die in beweging kwamen, achtte Moskou het gevaar te groot. Er dreigde in Tsjecho-Slovakije een ander socialistisch model dan dat van het “reële socialisme” (dat van de Sovjet-Unie) te groeien. De Praagse lente kon op veel bijval rekenen bij westerse communisten, het leidde tot zware conflicten binnen wat toen nog de ‘communistische wereldbeweging’ (met als kern Moskou) was. In  augustus 1968 maakten tanks van het Pact van Warschau (de Sovjet-Unie en haar gedwongen bondgenoten) een einde aan de “lente” Daarop volgde een lange periode van stalinistische “normalisatie”.

Aan de kant

Na 1989 speelden de oudgedienden van de Praagse lente nog wel een tijdje een  rol, met vooral auteur Vaclav Havel – die president werd en de scheiding in 1993 met Slovakije niet kon beletten. De rol van die ex-dissidenten werd snel symbolisch. Velen werden weer opzij geschoven, deze keer door de liberalen van Vaclav Klaus die niet erg opliepen met ideeën als solidariteit. Tsjechië en Slovakije werden opengegooid voor westers, hoofdzakelijk Duits, kapitaal dat allerlei voordelen kreeg. De bedrijven waar de Tsjechen zo trots op waren, werden meestal tegen zeer gunstige voorwaarden – gunstig voor de kopers – opgekocht door westerse firma’s.

Veel Tsjechen hoopten daardoor snel mee te kunnen delen van de Europese welvaart, vooral toen hun land in 2004 lid werd van de EU. Vandaag zijn ze echter zwaar gefrustreerd. In de fabrieken van VW en  co ligt hun productiviteit even hoog als in Wolfsburg, maar hun lonen zijn vaak slechts een derde van dat van hun Duitse collega’s, terwijl het dagelijks leven niet zoveel goedkoper is. Gemiddeld ligt het loon van een Tsjechische industriearbeider rond 40 % van dat van een Duitse collega die hetzelfde werk doet en een even hoge productiviteit heeft.

Frustraties

Tsjechië heeft goede economische resultaten, een van de hoogste groeicijfers van de EU, nauwelijks werkloosheid. Toch is dit een van de meest eurosceptische lidstaten van de EU. Tsjechië heeft in tegenstelling tot Slovakije nog altijd zijn eigen munt en heeft nu al twee opeenvolgende eurosceptische, zelfs eurofobe, presidenten, Klaus en Zeman.

Deze laatste speelt net als Trump in op al die frustraties, op de ontgoocheling over de Europese droom. Die droom is voor sommigen wel uitgekomen en dat is vooral in Praag te zien, veel minder in de kleine steden en het platteland waar Zeman overtuigend wint. Veel van die Zeman-kiezers hadden in oktober ook al voor partijen gestemd die Zemans wereldbeeld min of meer delen. Daaronder ANO, bijna 30 %, van miljardair Andrej Babis. Deze oligarch, vergelijkbaar met de Italiaanse Berlusconi, versluisde EU-subsidies naar zijn firma Agrofert, de grootste privé-onderneming van het land. Hij is eveneens eigenaar van diverse media. Hij slaagde er sindsdien niet in een regering op de been te brengen – bij gebrek aan meerderheid. Maar op Zeman kan hij rekenen.

Babis deelde het succes met de Piratenpartij (10.8%), maar ook met de ‘Partij voor vrijheid en directe democratie’ (10.6) die bijzonder xenofoob is. De leider Tomio Okamura, met Japanse wortels, voerde heftig campagne tegen de Roma. Zemans vroegere partij, de Sociaal-Democratische, is intussen bijna irrelevant geworden. In 1998 werd Zeman premier toen die partij nog 32,3 % en 77 van de 200 zetels haalde. Nu zakte ze tot 7,4 % en 15 zetels.

Slovaken staken

In Slovakije regeert de Sociaal-Democratische partij Smer-SD van premier Robert Fico (49 op 150 zetels) samen met een partij van de Hongaarse minderheid en met de nationalistische SNS.  Die Smer-SD onderscheidt zich inzake aanvallen op islam en migranten nauwelijks van de SNS. Wel nog van de fascist ‘Marian Kotleba de Verschrikkelijke’ die van 2013 tot november 2017 de baas was in de regio Banska Bystrica. Zijn partij LSNS (Volkspartij-Ons Slovakije)  haalde in de parlementsverkiezingen 14 van de 150 zetels. LSNS komt op voor de suprematie van het “blanke ras” en pakt uit met nazi-symbolen. Kothleba werd bij de regioverkiezingen in november verslagen nadat alle partijen behalve de zijne zich achter één tegenkandidaat schaarden.

Slovakije heeft wel de euro, maar ook hier speelt ontgoocheling over de toetreding tot de EU in 2004 een belangrijke rol. Die ontgoocheling , het feit dat men zich bekocht voelt leidde in juni 2017 onder meer tot een zesdaagse staking bij Volkswagen. De 12.500 arbeiders namen het niet langer “als slaven binnen de EU te worden behandeld”, aldus een syndicalist van ‘Moderné Odbory’ (Moderne vakbond) die een grote rol speelde in de staking. De arbeiders haalden een loonsverhoging van 14.1 % gespreid over twee jaar, een extra vakantiedag, een premie van 500 € en een herziening van de loonschalen.

Terwijl een collega in het Duitse Wolfsburg gemiddeld 2.070 € verdient, is dat in Bratislava 679 €, had de vakbond berekend. VW had de Skodafabrieek in Bratislava in 2011 overgenomen tegen zeer voordelige voorwaarden. De toenmalige liberale regering gaf tien jaar belastingvrijdom, er waren de lage lonen en zeer geschoolde en bovendien ‘brave’ arbeiders. Bij de overname was 70 % van die arbeiders nog bij de grote vakbond OZ Kovo aangesloten, vorig jaar nog 10 %. Die vakbond ondernam dan ook niets voor de arbeiders van de auto-industrie, veruit de belangrijkste bedrijfstak van het land, Slovakije is per hoofd der bevolking de grootste wagenproducent van de wereld. Toen syndicalisten binnen OZ Kovo trachtten de lakse leiding te vervangen, ontsloeg VW 15  tegenstanders op verzoek van de baas van die vakbond. De Duitse metaalvakbond IG-Metall kwam toen tussen om dat te doen intrekken. En zo ontstond Moderné Odbory.

Desillusie

Die staking en andere acties bij autobedrijven illustreren ook in Slovakije de frustraties rond het EU-lidmaatschap. In 2004 leefden velen met het idee weldra dezelfde welvaart als in Duitsland te kennen, en dat bleek een illusie. Er komen grote fondsen van de EU, maar veel van dat geld wordt versluisd naar privébelangen – zie Babis – en dient vaak om sociale gaten te vullen. Want zowel in Praag als Bratislava zijn de overheidsuitgaven voor gezondheid, onderwijs en sociale woningbouw erg beperkt.

Frustratie is er ook met de sterk toegenomen ongelijkheden. In 2004 maakte de Slovaakse regering een einde aan alle progressiviteit inzake belastingen: 19 % voor alles – bedrijven persoonlijke inkomsten op goederen en diensten. De ongelijkheid rees de pan uit. Fico heeft dat “gecorrigeerd”, er zijn nu twee schalen, 19 en 25%. En op voedingswaren 10 %.

Freddy De Pauw was van 1972 tot 2002 redacteur buitenland bij De Standaard. Hij volgde jarenlang Centraal- en Oost-Europa, een groot deel van Azië (o.m. China) en Italië. Hij publiceerde o.m. bij het Davidsfonds ‘Volken zonder Vaderland’ over de ‘etnische kwesties’ in Centraal- en Oost-Europa; De firma maffia; Italië, moeder van alle smeer; Russische mafija; Handelaars in mensen; Maffia in België en Handelaars in nieuws over trens in de berichtgeving. Werkt sinds de start in 1999 mee aan Uitpers.