Dagboek van een atypische flik

Facebooktwittergoogle_plusmail

Een groot aantal manuscripten vindt geen uitgever omdat de tekst niet goed genoeg wordt bevonden of omdat het onderwerp niet commercieel genoeg zou zijn. Waarschijnlijk is dat ook het verhaal achter dit boek. De auteur ervan liet zich echter niet ontmoedigen en publiceerde zijn tekst in eigen beheer. Gelukkig maar, want ‘Dagboek van een flik’ is een zeer waardevol document dat zeker aandacht verdient.

‘Koop u een schrift, zegt hij, zo’n schoolschrift bijvoorbeeld en schrijf elke dag zeven lijntjes. Meer niet. Zeven. En als u er een paar vol hebt, dan… dan hebt u een heel boek geschreven.’
De man glimlacht verontschuldigend. ‘Want wie maakt er nu meer mee dan u?…’
‘Ik? Ik maak niets mee,’ zeg ik.’ (p. 16)

Dat vraagt een voorname man op een Brusselse markt aan politieofficier Konrad Zuiverloon, die op dat ogenblik net in dienst is van het Brusselse politiekorps. Het brengt hem op de idee die uiteindelijk zal leiden tot dit ‘Dagboek van een flik’. Het is het resultaat van zeventien schoolschriften – en dan speelde hij er on the road nog enkele kwijt – die hij tussen 2006 en 2009 heeft volgeschreven en die activiteit leverde een kanjer van een boek op met 352 dichtbedrukte pagina’s. En wees maar gerust: de man maakte behoorlijk wat mee.

Dwarsman

Konrad Zuiverloon is een atypische politieagent met een zeer atypische loopbaan. Hij is al een flinke dertiger wanneer hij flik wordt want eerder werkte hij, zoals je als lezer uit zijn dagboek een stukje van zijn cv kunt reconstrueren, twee jaar als schrijnwerker in Tanzania in een werkplaats voor straatkinderen. Zijn broer Lorenz die een inspirerende rol in zijn intellectuele leven speelt, had hem aan die job geholpen.

Konrad en Lorenz. Jawel, hun vader, een veearts, was een adept van de Oostenrijkse bioloog en etholoog en noemde zijn kinderen naar hem. Als toemaatje verneem je dan ook nog dat Konrad lang samen is geweest met de Russische Nastia, maar nu alleen door het leven trekt als politieagent. Johanna, een politieagente met lange paardenstaart die een tijdje zijn vriendin is, zegt hem op een bepaald ogenblik dat hij een roman moet schrijven. ‘En je held moet je dwarsman noemen, dat past bij jou. En je moet je niet zoveel zorgen maken…’ (p. 74) Dat laatste zal hij ook vaak genoeg te horen krijgen van andere collega’s.

Waarom begint zo iemand die ‘dwarsman’ genoemd wordt aan een flikkenloopbaan? Niet voor geld in de eerste plaats, want dat zal zeker later in het dagboek duidelijk worden. Waarom dan wel?

Amateur-antropoloog

Is hij ook een ‘dwarsman’? Konrad lijkt me in de eerste plaats een nieuwsgierig iemand, een amateur- antropoloog zou ik hem willen noemen, die, zoals hij zelf schrijft, iets probeert te begrijpen van de ‘flikkenziel’, wat dat ook wil zeggen. Daarnaast is hij ook, zoals zijn broer Lorenz, gefascineerd door de link tussen cultuur en agressie. ‘Het lijkt zich allemaal hier af te spelen hier, in mijn multiculturele wijk.’ (p. 73)

Konrad wordt niet alleen overrompeld door de feiten, die lang niet zo fraai zijn, maar hij probeert ook naar oorzaken en verklaringen te zoeken. ‘Maak je niet zoveel zorgen,’ zegt Johanna dan en ook andere agenten doen dat. Wanneer hij samen met twee doorgewinterde collega’s in razende snelheid een wagen achtervolgt, komt hij tot volgende conclusie: ‘Tegenover hard moet harder staan en indien er niets voorhanden is, dan maar gemener, brutaler, sluwer, eerzuchtiger. Wat telt is ‘winnen’. Die machoflikken zijn kostbare krijgers’. (p. 58)

Jachtige beschrijvingen

In zes kloeke delen die Konrad dateert tussen 10 april 2006 en augustus 2009 krijg je een jachtige, soms chaotische, maar altijd boeiende beschrijving van het dagelijkse leven als Brusselse politieagent in een uitgesproken multiculturele buurt rond de ‘Aa Met’ (‘oude markt’) – de niet-Brusselaar Konrad moet naast een aantal andere talen ook het Brussels dialect leren spreken – maar ook en vooral van zijn evolutie als nadenkende flik die het almaar moeilijker krijgt om in dat wereldje overeind te blijven. Al vanaf de eerste bladzijden, wanneer hij op patrouille uitgaat met zijn collega Aischa, wordt hij in de actie gegooid. Hij voelt zich ongemakkelijk en beseft dat hij zo goed als niets weet van heel de criminele scène in Brussel. Ten zeerste ongemakkelijk en onmachtig voelt hij zich ook wanneer hij te maken krijgt met een grote groep jonge ettertjes. ‘Weer dat oncomfortabele gevoel wanneer een hele bende vlak achter je komt staan, terwijl degenen voor je al je aandacht opeisen door in je gezicht te schreeuwen.’ (p. 17)

Wijkagent

Na vier maanden die hij beschrijft in het hoofdstuk ‘Ne touche pas, petit con’ en na zes schoolschriften te hebben vol geschreven, ziet hij de job niet meer zitten en besluit hij ontslag te nemen. Maar begin 2007 trekt hij zijn ontslag in wanneer hij de kans krijgt om wijkagent, agent de quartier te worden. Door het gerechtelijk onderzoek tegen zijn voorganger liggen er nog een hoop onafgewerkte stukken waar hij als nieuweling kop noch staart aan krijgt. Hij werkt zich te pletter en na maanden krijgt hij een beetje zicht op het verborgen leven van zijn wijk en ontstaat er, althans met sommige bewoners, een band omdat zij in hem een menselijke wijkagent zien. Wanneer het hem bij momenten toch te zwaar wordt, trekt hij zich terug bij zijn broer Lorenz, die veearts is, amateur-filosoof en tuinier in het landelijke Koekem.

Filosofische beschouwingen

Via hem sluipen er in zijn dagboekbladzijden steeds meer passages in van filosofische aard waaruit blijkt dat Konrad niet vies is van lectuur van niet gemakkelijke auteurs als René Girard, Michel Foucault, Simone de Beauvoir, Friedrich Engels, Theodore Dalrymple, Martin Heidegger en Ludwig Feuerbach. Voorwaar een mooi intellectueel gezelschap bij elkaar. Vooral in de brief die hij schrijft naar Lorenz bewijst Konrad dat hij ‘La violence et le sacré’ van René Girard zeer goed begrepen heeft, want hij kan zijn begrip van mimetisch geweld en zijn zondeboktheorie zeer goed illustreren met voorbeelden uit eigen ervaringen.

Naargelang het dagboek vordert, duiken er steeds meer passages op die de cafépraat ver overschrijden. Konrad begint zichzelf en zijn positie als politieman ook steeds meer te bevragen. ‘Waarom heb ik idealen? Alhoewel ik niet zeker weet of ik in feite wel idealen heb. Maar alleszins begaan met al die dingen, dat ben ik zeker.’ (p. 258)

Toch wordt hij moe, zeer moe van zijn werk als wijkagent. ‘Al lezend zie ik hoe ik achter de feiten aanhol. Dit schrift, ik zie hoe het reeds wegzinkt in het verleden als in een moeras. Ik ben moe, maar de wereld wordt nooit moe, rust nooit.’ (p. 131) Hij begint zich ook steeds meer van zijn collega’s te vervreemden. ‘Ik begin voeling met de anderen in ’t commissariaat te verliezen. Ik ken dit gevoel: alsof ik aan het begin sta van een nieuwe metamorfose.’ (p. 169)

Konrad staat ook voor een moeilijke keuze: via zijn broer krijgt hij twee goedbetaalde aanbiedingen om in het buitenland te gaan werken, maar uiteindelijk weigert hij die, wat uiteraard niet begrepen wordt door zijn omgeving. Ondanks het feit dat hij zich voortdurend opgejaagd voelt, dat zijn stroom dossiers niet tot stilstand komt, wil hij niet opgeven. Hij wil er iets van maken, hoe moeilijk het ook is. In het laatste deel van het boek valt hij meer terug op zijn dagboek en beginnen zijn aantekeningen steeds meer filosofische getinte reflecties te worden totdat hij uiteindelijk in de maand augustus 2009 in een crisis belandt waarin hij ernstig het revolutionair geweld overweegt wat hem bijna naar een psychologische instorting voert. Dan breekt zijn verhaal ineens abrupt af. Zijn zeventien schriftjes zijn vol geschreven.

Stevige aanrader

Hoe het verder met Konrad Zuiverloon of met de auteur Bert Gorissen afloopt, want dat is natuurlijk zijn verhaal, komen we (voorlopig?) niet te weten. Het lijkt wel of hij niet alleen zijn politie-uniform, maar ook ineens zijn observerend en tegelijk participerend oog van amateur-antropoloog heeft losgelaten. Wat je als lezer wél en zeer gedetailleerd te weten komt, is hoe rauw het er kan aan toegaan in een veelkleurige, moeilijke buurt van Brussel en hoe een doorsnee politiecorps daarmee probeert om te springen.

‘Dagboek van een flik’ is het goed geschreven ego-document van een tijdelijke en atypische politie-insider die ons een hoogst realistische blik gunt achter de schermen van een bureau dat in een moeilijke wijk aan ordehandhaving moet doen. Het is vooral die onopgesmukte, rechttoe-rechtaan aanpak die het boek tot een stevige aanrader maakt en dat veel lezers verdient, zeker omdat het hier over een moedige uitgave in eigen beheer gaat.

Dagboek van een flik
Bert Gorissen
uitgave in eigen beheer Bert Gorissen, Brecht, verkrijgbaar via elke Standaard boekhandel
2017
362, 21,50 euro
9789090306650
Borgerhoutenaar Walter Lotens (°1942) noemt zich een glokale burger. Deze gepensioneerde leraar, mede-oprichter van de Actiegroep Kritisch Onderwijs (AKO), moraalwetenschapper, publicist en Latijns-Amerikawatcher schreef voor LA Chispa, een Nederlandstalig magazine over Latijns-Amerika en de Cariben, het Belgische De Reiskrant en voor de Surinaamse krant “De Ware Tijd” en nu voornamelijk voor de webzine voor internationale politiek uitpers.be, waarin hij niet alleen uitvoerig aandacht besteed aan Latijns-Amerika, maar ook aan het Antwerpse mobiliteitsdossier.