Portret zonder schaduwkanten

Facebooktwittergoogle_plusmail

 

 

“Een hiaat opgevuld”, zo looft prof. em. Lode Wils op de achter-omslag de vuistdikke, fraai uitgegeven biografie van Léon Degrelle, die verscheen bij uitgeverij Vrijdag. Hiaat, jawel. Als er één naam uit het Belgische collaboratieverleden bij het brede publiek in Franstalig België én in Vlaanderen nog iets of wat bekend in de oren klinkt is het vermoedelijk wel die van ‘le beau Léon’. Dan verrast het wel dat het na diens dood in 1994 nog bijna een kwart eeuw heeft geduurd alvorens een omvattende biografie verscheen, en dat die eerste poging dan nog geschreven werd door een Vlaming. Merkwaardig ja, maar zeker niet onbegrijpelijk : blijkbaar was eerst voldoende afstand in tijd en ruimte nodig. Hoewel … over die ‘afstand’ valt wel wat te zeggen.

Maar eerst over Degrelle. Wie een beetje belangstelling heeft voor de geschiedenis van de jaren ‘dertig en ‘veertig van de voorbije eeuw kent allicht de belangrijkste episodes uit het toen erg bewogen leven van de man die de incarnatie zou worden van de collaboratie van Franstalig België met nazi-Duitsland.

In sneltreinvaart: de heel katholieke en vooral heel conservatieve familiale achtergrond in Bouillon, de spectaculaire dynamiek waarmee hij ‘Rex’ van een kleine ultra-katholieke uitgeverij omvormde tot een politieke formatie die in 1936 het hele toenmalige politieke landschap overhoop haalde, de breuk met de katholieke hiërarchie die daarvan het gevolg was en de smadelijke nederlaag in zijn electoraal duel met premier Van Zeeland het jaar daarop, zijn wegvoering naar Franse gevangenkampen in 1940 (eventjes zelfs op dezelfde bus als ene Joris van Severen…), de krampachtige pogingen om via de Duitse bezetter opnieuw een rol te gaan spelen, en dan … de beslissing om niet alleen zijn aanhangers te ronselen voor het Oostfront maar ook zelf dienst te nemen in ‘zijn’ Waals Legioen.

Van dan af begint de mythevorming pas echt : onmiskenbare bewijzen van dapperheid maar ook steeds meer periodes ver weg van het front als pronkstuk voor de Duitse oorlogspropaganda, de daarmee verbonden bliksemsnelle promotie van gewone soldaat tot Obersturmbannführer en de legendarische ontmoeting met Hitler in diens Oostpruisische hoofdkwartier in 1944, de al even legendarische ‘spookvlucht’ om na de ineenstorting van nazi-Duitsland te ontkomen naar Spanje, de tientallen jaren in comfortabele ballingschap daar als icoon van Belgisch en Europees extreem-rechts, of de bijzonder dubbelzinnige houding van de Belgische politieke elite met betrekking tot zijn eventuele uitlevering door Spanje.

Zo samengevat klinkt het allemaal nogal rocambolesk, en in die zin zelfs perfect in overeenstemming met het personage. De verdienste van Cheyns’ boek is juist dat de hoogtepunten steevast worden ingebed in een veel vollediger verhaal. De parasitaire symbiose bijvoorbeeld tussen Rex en de kerkelijke hiërarchie en de door haar gestuurde katholieke actie tot begin april ‘37; de machtsstrijd tussen diverse collaborerende organisaties maar evengoed tussen Duitse machtsapparaten onderling (bijv. Militärverwaltung versus SS); de bijzonder bloedige confrontaties tussen verzet en collaboratie in Wallonië. Af en toe mogen vermakelijke details het verhaal kruiden. En in het slothoofdstuk komt ook een kort overzicht aan bod van wetenschappelijke typologeringen van fascistische stromingen. Allemaal niet onverdienstelijk.

Maar het respect voor het vele werk dat Cheyns heeft verzet wordt zwaar aangevreten door de ergernis over de fundamentele tekortkomingen van zijn boek. Ettelijke taal- en stijlfouten en enkele kleine (maar bevreemdende) feitelijke fouten reken ik daar zelfs niet bij. Twee fenomenale flaters evenmin. Hoewel: Frans van Cauwelaert “de vader van het Vlaams-nationalisme” noemen (p. 93) … de man draait zich om in zijn graf ! Hoe zoiets aan het speurend oog van bovengenoemde professor Wils kon ontsnappen is mij een raadsel. Net zoals mij een raadsel is waar Cheyns het in zijn hoofd heeft gehaald dat de Belgische neutraliteitskoers (vanaf ongeveer 1936) in tegenstelling stond tot wat het VNV voordien propageerde (p. 231).

De meest bedenkelijke tekortkomingen hebben echter te maken met het gebrek aan afstand tussen de biograaf en zijn onderwerp. Is dat een gevolg van het feit dat Cheyns geen opleiding als historicus genoot? Kom, kom. Wie (zelfs als amateur-historicus) ruim tien jaar lang in zijn vrije tijd bergen werk heeft verzet zou toch een elementaire kritische reflex kunnen ontwikkelen. En uitgerekend tegenover een ‘legendarische’ figuur als Degrelle is die reflex broodnodig.

Degrelle zelf bekommerde zich in geschriften en interviews tientallen jaren lang om het scheppen en in stand houden van aardig wat legendes, en veel van wat over hem werd gepubliceerd kwam van de hand van oude aanhangers of stille bewonderaars, terwijl ernstige wetenschappers meestal slechts fragmenten van die mythes of van zijn levensloop onder een kritische loep namen. Uit al dat materiaal heeft Cheyns als eerste een omvattende politieke biografie weten te distilleren die niet de zoveelste simplistische hagiografie of veroordeling is geworden, en aldus inderdaad “een hiaat opvult”. Hij heeft ook wel geprobeerd om zijn werk niet te laten kleuren door zijn persoonlijke fascinatie (om niet te zeggen: bewondering…) voor het fenomeen Degrelle, of door het feit dat zijn eigen opvattingen blijkbaar erg dicht bij die van Rex aanleunen. Die poging blijkt helaas niet echt succesrijk.

Wellicht had Cheyns beter al in de inleiding erkend dat Degrelle onmiskenbaar vele mensen fascineerde en dat hijzelf daaraan ook niet is ontsnapt. Met als gevolg dat de duistere kanten van het personage zeer ‘onevenwichtig’ worden belicht. Degrelle’s mateloze eigendunk en grootheidswaan te kijk stellen … dat kan je nu eenmaal geen toonbeeld van kritische analyse noemen. Dat gebeurde ook al door tijdgenoten, en zelfs door ‘zijn’ Oostfronters, die wel lacherig deden over “Modest I van Boergondië” maar voor hem wel door een vuur zouden gaan.

Neen, in de loop van het vijfhonderd pagina’s dikke relaas krijgt de attente lezer wel door dat die fascinatie voor een goed deel berust op frappant gelijklopende ideeën. Die attente lezer zal zich dan ook ettelijke keren ergeren aan de wijze waarop cruciale vragen – met name aangaande ‘s mans fanatieke collaboratie – gewoon worden genegeerd, met valse luchthartigheid of klinkklare leugens worden weggewuifd of volstrekt onbeantwoord blijven.

Meer dan eens vraag je je af: zou Cheyns dat echt niet weten, of wil hij er liever niets over zeggen? En soms gaan je tenen krullen bij de ongegeneerdheid waarmee Cheyns zowel naar stijl als naar inhoud pijnlijke waarheden verdoezelt of vergoelijkt, of gehoorzaam voor waar aanneemt wat Degrelle zelf beweerde.

Zou Cheyns – bijvoorbeeld – na tien jaar vlijtig puzzelwerk echt niet weten dat de ‘fasci di combattimento’ van Mussolini en zijn marsorder ‘credere, obbedire, combattere’ (geloven, gehoorzamen, vechten) letterlijk gekopieerd werden door Degrelle? Is hij – bijvoorbeeld – in zijn jarenlange opzoekingen nergens op de reden gestoten waarom Degrelle in 1963 “na een pijnlijk proces” zijn fabelachtige landgoed in Zuid-Spanje moest verkopen? Vindt hij werkelijk dat hij na bladzijden-lange beschrijvingen van de ‘heldendaden’ aan het Oostfront minder dan één pagina hoeft te besteden aan het proces waarin Degrelle eind december 1944 in België ter dood werd veroordeeld wegens collaboratie? Wil hij misschien zijn lezers beledigen door te doen alsof hij (wanneer hij het heeft over de politieke tegenstanders van Degrelle in Bouillon die door de Duitsers als ‘gijzelaars’ werden neergeknald) niet weet dat “auf der Flucht erschossen” het cliché bij uitstek was waarmee de nazi’s hun politieke moordpartijen toedekten?

Dat alles is ergerlijk omdat (zacht uitgedrukt) Cheyns op die manier de daden en denkbeelden van zijn personage al te zeer vergoelijkt. Ronduit teleurstellend blijkt tenslotte de grote demystificatie die de achteromslag belooft met betrekking tot het befaamde gesprek met Hitler, waarin deze zou gezegd hebben “als ik een zoon zou hebben, zou ik willen dat hij op u geleek”. Een uitspraak die voor ieder ernstig mens extreem onwaarschijnljk lijkt, maar die tientallen jaren lang een van de sluitstenen was van de Degrelliaanse mythologie. Welnu, aldus Cheyns (p. 439), “dat is een van de verzinsels die de mythe rond Degrelle hebben vormgegeven”. Punt. Meer wordt daarover niet onthuld. Een bijpassende noot verwijst slechts naar een interview van Degrelle in ‘Histoire Magazine’ van september 1981, zonder dat daar ook maar één regel uit geciteerd wordt, zodat de nieuwsgierige lezer echt wel op zijn honger blijft omtrent de ware toedracht.

Kortom: het vele werk dat Cheyns heeft verricht heeft teveel bladzijden opgeleverd die eerder bij de mystificatie aanleunen dan ze te ondergraven, en te weinig die ernstig ingaan op pijnlijke maar essentiële vragen. Een hiaat opgevuld? Mij lijkt het veeleer een wankele schutting langs de afgrond, die toelaat niet te diep in die afgrond te kijken.

 

Léon Degrelle. De Führer uit Bouillon
Bruno Cheyns
Antwerpen, Vrijdag
2017
590