Trop dat is te veel! Een Europese pijler met sociale rechten?

foto F. Mestrum
Facebooktwittergoogle_plusmail

“Waar denk je aan?” vraagt facebook. Wel ‘k zal ’t u zeggen. Als je eens voorbij de 40 bent, moet je je misschien eens afvragen. Heb ik niet lang genoeg rond de pot gedraaid? Ben ik al bij al niet veel te braaf? Zou ik niet eens voor 100 % voor mijn gedacht uitkomen?

Dit was een post van een facebookvriend, enkele weken geleden. Goede vragen en naarmate je ouder wordt, zijn ze elke dag relevanter.

Ik zou hier kunnen verder gaan over het geval De Pauw, maar het was eigenlijk mijn bedoeling om nog een keer uit te weiden over sociaal beleid.

Een pijler met sociale rechten

Deze week wordt in Gothenborg een sociale top van de Europese Unie gehouden. De staatshoofden en regeringsleiders zullen er plechtig een “Europese pijler van sociale rechten” goedkeuren, een tekst die meer vorm moet geven aan het “sociale Europa” dat ook de linkerzijde zo graag wil zien ontstaan.

Maar zullen die beloften worden ingelost? De kans is bijzonder klein.

De pijler bevat een hele reeks mooie principes over gelijke kansen op de arbeidsmarkt, over faire werkomstandigheden en over een passende en duurzame sociale bescherming.

De tekst moet dienen als een soort referentiekader en ongetwijfeld zullen er mettertijd een aantal sociale criteria worden opgenomen in het proces van het semester om te oordelen over het beleid van de eurolanden.

Allemaal goed nieuws, kan men denken, en het is in zekere zin ook goed nieuws. Toch moeten er tegelijk een paar kanttekeningen worden bijgemaakt.

De tekst gaat over principes, niet over rechten. Hij staat ook vol met het gekende jargon van de Europese instellingen over competitiviteit, menselijk kapitaal, flexicuriteit, groei, enz. Of met andere woorden, dit is een beperkte oefening om de Europese Unie een ‘sociaal gezicht’ te geven, maar in feite sluit het initiatief perfect aan bij wat wereldwijd aan nieuw sociaal paradigma wordt uitgewerkt en ingevoerd. En dat betekent in de eerste plaats dat deze sociale rechten in dienst staan van de economie. Niet voor niets is deze pijler bedoeld voor de eurolanden en niet voor de anderen. Wat men wil bereiken is een goed functionerende arbeidsmarkt en betaalbare sociale bescherming.

En wat nooit mag vergeten worden over het Europese sociale beleid: er worden heel moeizaam kleine stapjes vooruit gezet, maar tegelijk worden op nationaal vlak grote stappen achteruit gezet.

Mondiaal gestuurde veranderingen

In één van zijn laatste officiële publicaties bespreekt het IMF (Internationaal Muntfonds) het probleem van de ongelijkheid met drie mogelijke oplossingen: fiscaliteit, een universeel basisinkomen en overheidsbestedingen aan onderwijs en gezondheidszorg. Belastingsystemen, aldus het IMF, moeten progressief zijn, een kapitaalbelasting is zeker niet uit den boze en mechanismen voor ontwijking en ontduiking moeten worden tegen gegaan.

Sommigen vroegen zich af of het IMF misschien een linkse bocht aan het nemen was? Een bocht is het inderdaad, maar links? Het is belangrijk er op te wijzen dat de nieuwe ideeën over sociale bescherming en fiscaliteit perfect passen in de neoliberale ideologie.

Nadat de Wereldbank zich in de jaren 1990 had uitgesloofd om armoedebestrijding als grote prioriteit op de agenda te krijgen – en tegelijkertijd een door de overheid georganiseerde sociale bescherming af te wijzen – pakte ze in 2000 toch heel voorzichtig uit met een nieuw theoretisch kader voor sociale bescherming. Dit kan kort worden samengevat: het concept van sociale bescherming werd grondig uitgebreid, maar tegelijk ook uitgehold. Zowat alles werd sociale bescherming, van kinderarbeid tot migratie.

Ondertussen was ook heel schuchter een debat begonnen over ongelijkheid, een probleem dat vroeger gewoon werd ontkend: als iedereen er op vooruit gaat – sommigen en heel klein beetje en anderen heel erg veel – dan is er geen probleem want dan is iedereen gelukkig. Zand erover.

Op de studiedienst van het IMF was er een veel technischer en tegelijk politiek debat bezig: kan die groeiende ongelijkheid niet komen door de verzwakking van de vakbonden? Wat zijn de oorzaken en gevolgen van inkomensongelijkheid? Wat is het verband met duurzame ontwikkeling? Hoe moeten we denken over kapitaalstromen? Wat is de invloed van het fiscaal beleid? Wat met herverdeling?

Dat was inderdaad behoorlijk schrikken, want naast ongelijkheid, herverdeling en fiscaliteit werd in 2016 zelfs kritisch over neoliberalisme gesproken!

Toch moet duidelijk zijn dat deze vaak interessante onderzoeksresultaten van de studiedienst niet meteen in beleid worden vertaald.

Wat de Raad van Bestuur overneemt – samen met de Wereldbank – zijn die punten die perfect compatibel zijn met het neoliberale beleid. Voor ongelijkheid betekent dit dat men genoeg ongelijkheid wil om de groei te bevorderen en niet te veel ongelijkheid om de sociale cohesie ter bewaren. Voor fiscaliteit geldt hetzelfde: men beseft dat er heel wat ongenoegen in de wereld is over de armoede, de honger en de privatisering van openbare diensten, maar men wil enkel een min of meer correcte belasting om dat ongenoegen in te dammen en de groei vooral niet te hinderen. Herverdeling kan, maar het zal nooit de oplossing zijn. Die moet komen van groei, liefst ‘pro-poor growth’ waarmee wordt bedoeld dat vooral de 40 % armsten groei moeten produceren. Het is een doelstelling die ook bij de Duurzame Ontwikkelingsdoelen werd opgenomen.

Een heikel punt waarmee zeer ambigu wordt omgegaan is het universalisme. De Wereldbank heeft er nooit doekjes om gewonden dat het beleid enkel voor de armsten is bedoeld. Wie middelen heeft kan zich sociale verzekeringen op de markt kopen. Toch ondertekende de Wereldbank samen met de ILO (Internationale Arbeidsorganisatie) een gemeenschappelijke verklaring, precies over de universaliteit van sociale bescherming.

In de ‘sokkels’ voor sociale bescherming die de ILO in 2012 goedkeurde wordt echter ook redelijk ambigu omgegaan met het concept, waardoor men als enige conclusie kan zeggen dat er moet gewacht worden om enige duidelijke uitspraak te kunnen doen, en dat het net zo goed mogelijk is dat dit universalisme binnenkort een nieuwe betekenis krijgt.

In 2015 werden verder bij de VN de Doelstellingen voor duurzame ontwikkeling goedgekeurd, een mooi programma dan in de huidige context van het neoliberale beleid echter enkel zeer magere resultaten kan geven.

Trop, dat is te veel

Daar staan we dan : en aantal hoopgevende initiatieven, interessant onderzoek bij de Wereldbank en het IMF, een aanbeveling voor ‘sokkels voor sociale bescherming’ bij de ILO, duurzame ontwikkelingsdoelstellingen bij de Verenigde Naties en een Europese pijler voor sociaal beleid.

Ondertussen gaat het soberheidsbeleid echter wel onverminderd verder, bij het IMF en bij de lidstaten van de Europese Unie. In de EU wil men het Stabiliteitspact in het Verdrag opnemen en het IMF blijft beperkingen opleggen voor de sociale uitgaven. Of met andere woorden, de ‘Washington’ en de ‘Frankfurt’ consensus blijven even relevant als vroeger. In die context kan geen volwaardige en universele sociale bescherming met openbare diensten tot stand komen. De nationale regeringen, zoals die van België en Frankrijk, zijn trouwens ijverig bezig om het arbeidsrecht en andere sociale rechten af te bouwen. Dit is niet contradictorisch, maar het past precies in het sociale beleid dat door de consensus impliciet wordt voorgeschreven.

Waar het beleidsmakers om te doen is, is een indruk van sociaal beleid creëren, goed wetende dat er erg weinig mogelijk is met de besparingen die ze zichzelf opleggen. De enige echte doelstelling is groei. En die doelstelling is wel in strijd met de klimaatdoelstellingen die ze zeggen te willen accepteren.

De Franse president Macron pleit herhaaldelijk voor een ‘Europa dat beschermt’, hij heeft het echter geenszins over sociale bescherming, wel over migratie en defensie. Maar wat mensen vragen en nodig hebben is een bescherming met sociale, economische en milieurechten, ook voor migranten.

We moeten de positieve initiatieven niet afwijzen, we kunnen ze gebruiken om minimale vooruitgang te boeken en de beleidsmakers voortdurend op de niet ingeloste beloften te wijzen. We mogen er ons echter niet bij neerleggen. Als antwoord op het nieuwe sociale paradigma dat ons mondiaal en Europees wordt opgelegd, is het onze morele plicht om een alternatief uit te werken waarmee effectief aan emancipatie en sociale rechtvaardigheid kan gewerkt worden, waarmee de nieuwe behoeften van de 21ste eeuw én het milieu opgenomen worden. Bij Global Social Justice werken we daarom aan ‘social commons’ en een handvest voor universele sociale rechten, waarmee via het sociaal beleid ook aan systeemverandering kan worden gewerkt.

Dit hele verhaal is een perfect voorbeeld van wat Claus Offe de contradicties van de verzorgingsstaat noemde: het kapitalisme wil van geen verzorgingsstaat weten, maar beseft hem wel nodig te hebben voor groei en sociale cohesie.[i] Trop is te veel, en trop peu dat is te weinig.

[i] Offe, C., Contradictions of the Welfare State, Londen, Hutchinson & Co, 1984.

Francine Mestrum is doctor in de sociale wetenschappen en doet onderzoek naar sociale rechtvaardigheid, ontwikkeling en samenwerking, armoede, ongelijkheid en mondialisering. Zij is voorzitter van het mondiale netwerk van Global Social Justice (www.globalsocialjustice.eu) en werkt momenteel aan een project voor ‘social commons’ (www.socialcommons.eu ) voor een transformatieve en universele sociale bescherming.