Bilan van de wending naar links in Latijns-Amerika

Facebooktwittergoogle_plusmail

Maken we het einde mee van de draai naar links in Latijns-Amerika? Welke lessen kunnen we daaruit trekken? Is er een alternatief ontwikkelingsmodel in wording? Het antwoord verdeelt grondig de sociale bewegingen en leidt tot twee tegengestelde visies.

Is de wending naar links van Zuid-Amerika aan het doodbloeden? De laatste jaren is de golf van linkse regeringen, in 1999 gestart met het aan de macht komen van Hugo Chávez in Venezuela, gevolgd in 2003 door Lula in Brazilië en Kirchner in Argentinië, dan, in chronologische volgorde, door Vasquez in Uruguay (2004), Morales in Bolivia (2006) en Correa in Ecuador (2007) over hun hoogtepunt en lijden ze onder het instorten van de prijzen van de grondstoffen op de internationale markt.

Abstractie genomen van het specifieke karakter van de nationale contexten kunnen deze regeringen omschreven worden als postneoliberale regimes.[1] Zij hebben inderdaad geprobeerd de bladzijde van de neoliberalisme om te draaien waaronder het continent sedert 1980 gebukt ging. Er werd voorrang verleend aan de strijd tegen de armoede en aan toegang tot de openbare diensten (vooral dan op het vlak van gezondheid en onderwijs). Dat vertaalde zich in een terugkeer van de staat en het ontplooien van diplomatieke betrekkingen, zowel regionaal als mondiaal in de vorm van een samenwerking Zuid-Zuid, maar ook in het benadrukken van de nationale soevereiniteit [2].

Die wending naar links heeft plaatsgevonden in een zeer specifieke conjunctuur, met name de boom van de vraag naar grondstoffen en de opkomst van China.[3] Door een vertraging in de groei van de Chinese economie en het instorten van de grondstoffenprijzen schijnt deze cyclus nu te eindigen. Het is de afronding van een economische cyclus die samenvalt met de politieke crisis die sinds enkele maanden in Brazilië en Venezuela heerst en die ook broedt in Ecuador en Bolivia, waar de presidenten aan het einde van hun toegelaten mandaat zijn, respectievelijk dit voorjaar en in 2019, en die het mogelijk heeft gemaakt dat in Argentinië de rechterzijde terug aan zet is. Beleven we nu het einde van een historische fase?

Deze vraag is het onderwerp van een intens debat op het continent (en elders), waarbij de analyse van het bilan van deze experimenten niet los kan worden gezien van de perspectieven voor de toekomst. [4]

Wij trachten nu een synthese te brengen van deze discussie met als invalshoek het neo-extractivisme en de transitie, d.w.z. vanuit de breuk – al begonnen of niet – met de extractivistische matrix van deze landen. Wij zullen ons hierbij concentreren op de vier landen die het meest beantwoorden aan die postneoliberale wending: Venezuela, Brazilië, Bolivia en Ecuador.

Het ‘progressistisch’ neo-extractivisme

Onder extractivisme verstaan we, in de lijn van het werk van Eduardo Gudynas, een manier van accumuleren gebaseerd op de overexploitatie van natuurlijke rijkdommen, niet of weinig getransformeerd, en voornamelijk bestemd voor de export. In die betekenis omvat het begrip zowel mijnextractivisme, als ook de productie van petroleum en de monocultuur van soja. [5]  Dat model als traditionele grondstoffenexporteur past in de historische ontwikkeling van Latijns-Amerika. Dat extractivisme is in die landen alleen maar in een nieuw ‘progressistisch’ kleedje gestoken.

Sinds het begin van dit millennium en over een periode van ongeveer twaalf jaar heeft de wereld een cyclus van hoogconjunctuur gekend met een zeer grote vraag, erg in de hand gewerkt door de Chinese groei naar daardoor duurder wordende grondstoffen. Los van de politieke kleur van de regeringen die aan de macht waren, heeft dat op het continent geleid tot een boom van exploitatie (en van export) van petroleum, gas, mineralen en soja, waardoor die landen konden profiteren van hoge inkomsten. Dat extractivisme heeft binnen die postneoliberale regeringen nochtans een zeer specifieke vorm aangenomen. Het werd gekenmerkt door de centrale rol die daarin door de staat werd gespeeld, die een sterke controle uitoefende, – gaande tot ‘nationalisaties’ van rijkdommen waarvan de meest gekende betrekking hadden op de petroleum- en gassector in Bolivia [6] , Ecuador en Venezuela -, maar ook door een groter aandeel in de dividenden, waarvan grote bedragen besteed werden aan sociale programma’s en armoedebestrijding (Gudynas, 2009). Daardoor is de afhankelijkheid van Latijns-Amerika – maar vooral Zuid-Amerika – van grondstoffen en goederen, de zogenaamde commodities, nog toegenomen. [7]  Het aandeel in de export van grondstoffen van het continent is van 27 procent in het begin van de jaren 1980 opgelopen tot 40 procent in 2009 en tot 42 procent in 2013. In dat laatste jaar ging zo maar eventjes 73 procent van de exportproducten naar China, de tweede handelspartner van het continent. Die tendens komt nog uitdrukkelijker tot uiting in de cijfers voor Zuid-Amerika: in 2012-2013 bestond de export naar de hele wereld uit 75 procent. [8]  China is de belangrijkste importeur voor Brazilië en voor Bolivia en de tweede voor Ecuador en Venezuela. Terzelfdertijd bestaat 69 procent dat het continent importeert van de rest van de wereld uit afgewerkte producten en dat loopt zelfs op tot 91 procent voor goederen afkomstig van de Aziatische reus. [9]  Cepal, de economische commissie voor Latijns-Amerika, spreekt over een proces van ‘reprimarisatie’ van de exportsector van Latijns-Amerika en de Caraïben waarvan China niet de oorzaak is, maar wel de katalysator [10].

De vier landen die ons interesseren zijn zeer in het bijzonder getroffen door dat fenomeen. Het gas en de ertsen vertegenwoordigen ongeveer twee derde van de Boliviaanse export. Petroleum is goed voor respectievelijk 36 procent en 85,1 procent van de Ecuadoraanse en Venezolaanse export. Die concentratie is minder uitgesproken voor Brazilië, maar soja, delfstoffen en aardolie vormen toch ook een vierde van de export uit. [11] Tussen 2011 en 2015 zijn de prijzen van metalen en van energie (aardolie, gas en steenkool) met vijftig procent gedaald. In 2015 zijn de prijzen van ijzererts (die 7,5 procent van de Braziliaanse export vertegenwoordigen), van koper en zink (die 10,6 procent van de Boliviaanse export zijn) met ongeveer dertig procent gedaald. Het verlies aan inkomsten van deze grondstoffen, die een belangrijk deel uitmaken van het budget, heeft deze staten pijn gedaan. Dat is zeker het geval voor Ecuador en Venezuela, landen die in 2014 alleen al veertig procent van hun inkomsten haalden uit aardolie en gas. [12]
Deze extractivistische matrix die opgaat voor het geheel van de Latijns-Amerikaanse landen zorgt voor een aantal serieuze problemen. De afhankelijkheid van deze natuurlijke rijkdommen maakt deze staten kwetsbaar, want ze hebben weinig of geen greep op de grote prijsschommelingen. Dat is des te problematischer omdat de sociale programma’s precies gefinancierd worden door de exploitatie en de export van die natuurlijke rijkdommen. Bovendien remt deze matrix de industrialisatie en de diversificatie van de productie af, waardoor een rentenierseconomie dreigt te ontstaan. Het continent wordt daardoor in een internationale arbeidsverdeling gedwongen die een reproductie is van het koloniale model. Die regio’s worden herleid tot enclaves, tot leveranciers van goedkope grondstoffen voor het Noorden en voor China dat afgewerkte producten levert.

De cijfers illustreren dus dat die postneoliberale regeringen die traditionele internationale arbeidsverdeling mee in de hand werken. Hoe kan dat? Hoe kan het dat landen die diepgaande maatschappelijke veranderingen willen doorvoeren, wat zich vertaald heeft in een radicale retoriek en in wetgevende tot grondwettelijke wijzigingen waarin originele concepten als het ‘Goede Leven’, ‘de rechten van de natuur’ en van de sociale en solidaire economie [13] verankerd werden, er toch niet in geslaagd zijn die matrix te veranderen, maar integendeel te versterken?

Het extractivisme als etappe

De Ecuadoraanse, Boliviaanse, Braziliaanse en Venezolaanse regeringen, abstractie genomen van hun verschillen en hun min of meer radicale of reformistische retoriek, presenteren het extractivisme als een etappe. Deze staten hebben een eigen weg uitgestippeld om hun doelstellingen te behalen en zij ontkennen dat er zich in dat ontwikkelingsmodel tegenstrijdigheden voordoen. De strijd van deze landen situeert zich op de eerste plaats op het niveau van de armoedebestrijding; zij willen miljoenen mensen uit de miserie halen. Die strijd vraagt om groei en ontwikkeling – die twee elementen worden met elkaar verbonden of verward – maar het extractivisme is in deze de belangrijkste motor. De verklaring van de staatshoofden van de ALBA( Bolivariaanse Alliantie voor de Volkeren van ons Amerika)-TCP(Handelsverdrag der Volkeren) [14] van 30 juli 2013 synthetiseert de hoofdlijnen van deze visie. Er wordt in bevestigd dat deze landen ‘het recht en de noodzaak’ hebben om hun voordeel te halen uit deze natuurlijke rijkdommen die een belangrijke bron van inkomsten zijn om de economische ontwikkeling, de sociale rechtvaardigheid en het welzijn van onze volkeren te financieren vanuit de overtuiging dat de belangrijkste imperatief van onze tijd – en van onze regio’s – de bestrijding van armoede en miserie is. [15]  Inderdaad, is het na al die jaren van neoliberalisme niet vanzelfsprekend dat er prioriteit wordt gegeven aan de strijd tegen armoede? Zijn trouwens andere vragen die niet rechtstreeks aansluiten bij deze strijd geen pure luxe, een luxe die ze zich hier en nu niet kunnen permitteren? Deze regeringen zijn via verkiezingen aan de macht gekomen met een programma waarin breken met de armoede of althans het drastisch reduceren ervan hoog op de agenda stond. Is dat niet het allerbelangrijkste dat hen verbindt met hun kiezers en dat moet geëvalueerd worden in de korte tijd van hun regeerperiode eerder dan te kiezen voor een langdurige strategie om te veranderen van ontwikkelingsmodel? En trouwens, werden die beloftes intussen niet ingelost? Volgens Cepal is sinds het begin van dit millennium en 2011 de armoede in Argentinië teruggedrongen van 34,9 procent naar 5,7 procent, van 37,5 procent naar 20, 9 procent in Brazilië, van 49 procent naar 32,4 procent in Ecuador, van 48, 6 procent naar 29,5 procent in Venezuela en van 62,4 procent naar 22,4 procent (tussen 2002 en 2010) in Bolivia. In het totaal zijn er tussen 2002 en 2011 54 miljoen personen op het continent aan de armoede ontsnapt. Het succes van de strijd tegen de armoede is voor die regeringen een verantwoording voor de juistheid van de rangorde extractivisme-groei-ontwikkeling en tevens voor de door hen gebezigde politiek. Vandaar dat de terugkeer naar het extractivisme als etappe op drie manieren wordt gepresenteerd: defensief, programmatisch en strijdlustig.

Een defensief antwoord

In dit antwoord ligt het accent op de spanning tussen de tijdspanne van verwezenlijking en de mogelijkheden ertoe. Zeker, deze regeringen hadden hun productieve matrix moeten veranderen, maar ze hebben dat niet gekund. [16] Het zou immers utopisch geweest om in een tiental jaren een erfenis van vijf eeuwen te veranderen. En er is meer. Deze regeringen hadden af te rekenen, zowel nationaal – en zelfs in eigen midden – als internationaal met structurele belemmeringen, die niet alle plannen op korte termijn mogelijk maakten. Om er maar enkele te noemen: de coalities waarbinnen de PT die maar een derde van de macht vertegenwoordigde in Brazilië moest regeren; het Noord-Amerikaans imperialisme dat in die jaren niet ineens verzwonden was; de noodzaak om compromissen af te sluiten, om allianties aan te gaan met de lokale bourgeoisie en transnationale actoren; enz. Dit type van antwoord biedt het voordeel duidelijk te maken dat, hoe innovatief en participatief dit proces van machtsovername ook is, er geen sprake kan zijn van een revolutie. Dat heeft tot gevolg dat strategische keuzes bepaald worden door een geheel van politieke en economische instituties, die mede de grens van veranderingen bepalen. Er moet dus, samen met andere krachten, naar een manoeuvreerruimte gezocht worden, om consensus te bekomen en compromissen af te sluiten. Dit type van antwoord is ingegeven door Realpolitik, maar houdt tevens een les in strategie in.

Een programmatisch antwoord

Een defensieve antwoord wordt aangevuld met een meer positieve en programmatische benadering, die het extractivisme slechts beschouwt als een voorbijgaande fase, als een overgangsmaatregel. Volgens die redenering moet men door een extractivistische fase passeren om later in een post-extractivistische stadium te belanden. Die logica werd vooral naar voren gebracht door de Boliviaanse vicepresident Álvaro García Linera. Op een internationale ontmoeting in Quito van einde september 2015 benadrukte hij: Moeten wij het extractivisme loslaten? Ja, dat moeten we doen. Maar we komen er niet uit door de productie te bevriezen, noch door terug te keren naar het stenen tijdperk. We kunnen er alleen uittreden door tijdelijk gebruik te maken van het extractivisme. (…) We moeten het extractivisme loslaten. Ja, maar tegelijk moeten wij een einde stellen aan de miserie. (…) Wij hebben nood aan een transitieperiode. Hoe kunnen we iets dat 500 jaar heeft aangesleept in vijf jaar tijd beëindigen?(…) We hebben nood aan een transitieperiode, aan een brug die de technische, materiële en culturele condities creëert voor een volgende generatie die daardoor in staat zal zijn om het extractivisme te overstijgen. We gaan dus nu voort met het produceren, want we moeten de materiële omstandigheden van de mensen verbeteren, maar tegelijk moeten we de condities creëren voor een nieuwe ontmoeting met de natuur, gebaseerd op onze inheemse tradities.(…) Extractivisme? Ja, tijdelijk. Ja, én noodzakelijk om de nieuwe maatschappij, gebaseerd op kennis en onze cultuur te creëren. [17]

Vandaar de noodzaak om een weg te bewandelen die min of meer lang zal uitvallen en die, paradoxaal genoeg, door het intensiveren van het extractivisme de weg zal openen naar een post-extractivistische maatschappij. Zou het geschil over dat extractivisme zich immers niet kunnen herleiden tot een tijdelijk gegeven, waardoor dat geschil herleid kan worden tot een strategische kwestie, die uiteindelijk gericht is op het realiseren van een gemeenschappelijk doel ?

Een strijdlustig antwoord

Deze antwoorden, ofwel om beurten ofwel tegelijk defensief én programmatisch, verdwijnen stilaan naar de achtergrond en meer en meer worden alle kritieken op het extractivisme gewoon weggelachen. In het beste geval worden die kritieken afgedaan als niet ter zake, als ongepast of als typische uitingen van gauchisme, ecologisme of infantiel indigenisme zoals de voormalige Ecuadoraanse president Rafael Correa zei.[18] In het slechtste geval zouden ze volgens Álvaro García Linera afkomstig zijn van het koloniaal environmentalism [19]. Deze kritieken tonen aan dat er wel degelijk twee kampen te onderscheiden zijn. Dit wordt goed geïllustreerd door de anekdote die Lula tijdens zijn presidentschap vertelde over de kikvors die een vijand is van ontwikkeling. Hij verwees daarin naar het stopzetten van werken aan een tunnel omdat men er een kikker ontdekt had waarvan de soort met uitsterven bedreigd werd.[20] Lula zag daarin een karakteristiek voorbeeld van hoe megaprojecten van de regering – barrages, spoorwegen, enz – die passen in het PAC, het strategisch groeiplan van zijn regering, werden afgeremd. In laatste instantie betekent de anekdote dat de ontwikkeling van het land daardoor wordt geschaad, want achter het kikkerverhaal gaan mensen schuil, met name romantische ecologisten en bureaucraten die een pietluttige milieucontrole uitoefenen. En daarnaast zijn natuurlijk ook de inheemsen kop van Jut. Dit ironisch afkondigen van belemmeringen aan de groei steunt ook nog op een andere fabel: deze van de ontdekking van een oude indianenbijl tijdens de constructie van een ander megaproject waardoor de werken moesten stilgelegd worden. Deze bedekte ridiculisering van kritiek werden terecht aangeklaagd door de Inheemse Raad van Brazilië. [21].

Het afrekenen met deze kritieken in naam van de ontwikkeling is echter niet eigen aan Brazilië. Het getuigt van de modernistische en productivistische visie van de Latijns-Amerikaanse linkerzijde in haar geheel. [22] In sommige landen, zoals in Ecuador, wordt er op een felle manier gereageerd op deze kritieken. Op 1 december 2007 zei voormalig president Rafael Correa : Geloof deze romantische ecologisten niet; elke persoon die zich verzet tegen de ontwikkeling van het land is een terrorist.[23]  Dat zogenaamd terrorisme verwijst dan naar de oppositie tegen het strategisch belang voor de nationale ontwikkeling. In die benadering gaat het om een politiek instrument, gestuurd door de rechtste oppositie en/of het imperialisme van het Noorden, met een verborgen agenda waarbij het milieu slechts als een voorwendsel wordt gehanteerd.

Het is niet zo, in de discours althans, dat de bescherming van het milieu niet meer op de agenda van deze regeringen staat, maar wel dat ze ondergeschikt is aan de strijd tegen de armoede en die strijd is dan op haar beurt weer ondergeschikt aan het ontwikkelingsmodel. Zo bevestigde Lula op de wereldmilieudag van 2009: ‘Wij willen het Amazonegebied beschermen, maar wij moeten ook zorg dragen voor de 25 miljoen mensen die daar leven en die, zoals iedereen ook een auto, een koelkast en een televisie willen.’ [24] Een jaar later, na zijn terugkomst van de klimaatconferentie in Kopenhagen, beweerde hij dat de rijke landen niet geïnteresseerd waren in het uitvoeren van het Kyoto protocol. [25] Volgens hem wilden zij de landen in ontwikkeling afremmen uit vrees dat die op hetzelfde ontwikkelingspeil als zijzelf zouden geraken. Lula bevestigde tevens dat hij niet kon aanvaarden dat de ontwikkeling van Brazilië zou worden afgeremd. [26]

De Braziliaanse ex-president benadrukte hoe hypocriet de kritiek van het Noorden op het consumentisme en het productivisme van het Zuiden was, terwijl dat Noorden zich uitgerekend ontwikkeld heeft door milieuschade in heel de wereld en dan in het bijzonder in de landen van het Zuiden. Terzelfdertijd bevestigde hij dat Brazilië, zoals ook de andere ‘progressieve’ regeringen, gekozen heeft voor een neo-ontwikkelingsoptie. Door een scherpe herdefinitie te geven van de grenzen tussen het Zuiden dat zich wil ontwikkelen naar een even ruim gebruik van auto, koelkast en televisie, en het Noorden dat volgens hem getuigt van ecologistische hypocrisie, kon Lula zich onttrekken aan een fundamenteel debat ter zake. Kritiek geven op dat ontwikkelingsmodel is tevens een rem zetten op de strijd tegen de armoede en blokkeert activiteiten in het belang van het land. Het is dus volledig legitiem om dergelijke kritiek als absurd af te doen of als een paard van Troje in eigen rangen te beschouwen. Eens de conservatieve of neoliberale rechterzijde terug aan de macht is, zal de beschadiging van het milieu trouwens op een veel grotere schaal plaatsvinden. Is dat dus geen voldoende reden om het verzet tegen deze ontwikkeling in de kiem te smoren?

De transitie

Zij die aansturen op een transitie hebben de concepten van ‘Buen Vivir’ (het goede leven) en ‘rechten van de natuur’ gelanceerd en die werden onder invloed van de sociale bewegingen opgenomen in de Boliviaanse en Ecuadoraanse nieuwe grondwetten. Deze concepten zijn op zich al een forse kritiek op het extractivisme en het gehanteerde ontwikkelingsmodel. Zij zien economische activiteiten als een belangrijk onderdeel van het maatschappelijk leven, maar ook niet meer dan dat en zij sturen aan op een harmonische relatie van de mens tot de natuur. Deze concepten stellen ook een herwaardering van de lokale kennis, aanwezig in de inheemse gemeenschappen, centraal. Het zijn stuk voor stuk belangrijke elementen voor een postneoliberale, niet op extractivisme gebaseerde transitie (Alberto Acosta, Eduardo Gudynas, Maristella Svampa). Wegens plaatsgebrek zullen wij hier niet alle concrete maatregelen bespreken die door de verschillende bewegingen worden voorgesteld om deze transitie te realiseren.[27]

Wij willen hier nogmaals benadrukken dat, in tegenstelling tot het karikaturale beeld dat door de regeringen wordt opgehangen, de verdedigers van deze transitie geen van de realiteit afgedwaalde utopisten zijn of mensen met een romantische ‘anti-mijn’ of ‘anti-petroleum’ instelling. Zij maken onderscheid tussen een ‘roofextractivisme’ dat ze willen verbieden en een verstandige aanpak, waarvoor ze op korte termijn overgangsmaatregelen willen ingevoerd zien. In het veranderen van die productiematrix is niet alleen de steun van de sociale bewegingen noodzakelijk, maar zal ook de staat een belangrijke rol moeten spelen. Bovendien moet de visie van de inheemse volken die vaak botst met die van deze staten tot haar recht kunnen komen. Binnen de sociale bewegingen en binnen links zijn de meningen daarover verdeeld. Hoewel de inheemsen vaak het voortouw namen in de mobilisaties – van 2010 tot 2013 waren er 226 conflicten van socio-ecologische aard die verbonden waren met mijnprojecten op inheemse gronden – zijn zij niet de enige actievoerders. [28] In de strijd tegen dat extractivisme staan ook de bewegingen van boeren, vrouwen, Afro-Amerikanen en in het algemeen alle actoren die Svampa ‘de eco-territoriale wending’ heeft genoemd, aan hun zijde. Het verschil tussen beide kampen is niet alleen van strategische aard. In werkelijkheid gaat het over twee visies, twee logica’s die lijnrecht tegenover elkaar staan. De voorstanders van een transitie maken een kritisch bilan op van de resultaten van de postneoliberale regeringen en zij stellen de logica in vraag van de noodzakelijke overgang via een extractivistische etappe. Ondanks het feit dat zij een aantal verdiensten van die regeringen erkennen, stellen zij toch de duurzaamheid en de impact ervan in vraag. Ze benadrukken ook de verborgen kost van die veranderingen en ze betreuren vooral dat de kans verkeken werd om het model te veranderen. Aan de andere kant verzetten ze zich tegen de etappestrategie en de conjuncturele, structurele en strategische argumenten daaraan verbonden.

Een gecontesteerd bilan

Ook de meest voor de hand liggende resultaten van deze postneoliberale regeringen moeten worden bevraagd. De daling van de armoede, hoewel ze nadrukkelijker aanwezig is in de landen die een wending naar links hebben genomen, is een algemene tendens op het continent: zo is in Colombia het percentage van de bevolking dat in armoede leefde tussen 2002 en 2011 gedaald van 49,7 % naar 34,2 %, in Chili van 20, 2 naar 11 % en in Paraguay van 61 naar 49,6 procent. [29] Tussen 2002 en 2011 zijn 54 miljoen mensen op het continent aan de armoede kunnen ontsnappen, maar tussen 2011 en 2014 waren er dat slechts 4 miljoen. In dezelfde tijd is het aantal behoeftigen met … 4 miljoen toegenomen. Dat is onder meer het geval voor Venezuela, en ook in Brazilië werd de terugval van de armoede gecompenseerd door een toename van het aantal behoeftigen. De omkering van deze gunstige tendens werd natuurlijk veroorzaakt door de veranderde economische conjunctuur op wereldvlak en meer bepaald door de val van de grondstoffenprijzen. Deze nieuwe situatie illustreert hoe kwetsbaar die verworvenheden in de strijd tegen de armoede zijn, omdat ze zo afhankelijk zijn van de fluctuaties op de wereldmarkt. Bovendien toont deze nieuwe situatie aan dat er gevaarlijke politieke keuzes werden gemaakt. In Latijns-Amerika zijn de belastingsystemen en de inning ervan traditioneel vrij zwak, waardoor de impact op een herverdeling van de rijkdom gering is. Hierin is weinig of geen verandering gekomen onder de linkse regeringen. Die regeringen hebben de inkomsten om hun programma’s voor armoedebestrijding te bekostigen, gehaald uit de exploitatie en de export van grondstoffen in plaats van via het belastingstelsel tot een rechtvaardiger verdeling van de rijkdommen te komen.

In die zin betekende de keuze voor dat extractivisme en niet voor een omvorming van het fiscale systeem dat men de confrontatie met de bestaande oligarchieën liever uit de weg ging. Door pacten af te sluiten – impliciet of expliciet – met de oligarchie konden deze regeringen hun stabiliteit vergroten. Op die manier wisten zij de geit en de kool te sparen. [30] Die houding heeft echter geleid tot conflicten met de sociale bewegingen die deze regeringen aan de macht hebben geholpen. En er is meer: op het ogenblik dat de prijzen van de grondstoffen kelderden, werden die pacten weer in vraag gesteld. Wanneer de belangen van de oligarchie bedreigd werd, zoals in het geval van Brazilië, werden die overeenkomsten immers brutaal verbroken.[31]

De resultaten moeten ook geëvalueerd worden in functie van de blinde vlekken van deze bilans, met name milieuschade, afhankelijkheid, sociale conflicten, etc. De economische en sociale kost van die milieuvernietiging wordt systematisch ofwel onderschat, ofwel totaal genegeerd. Hetzelfde geldt voor de negatieve impact op de volksgezondheid en op de economie die opgesloten wordt in een internationale arbeidsverdeling die elke economische diversificatie afremt. Ook met de toename en de intensiteit van socio-ecologische conflicten in verband met grondenrechten en natuurlijke rijkdommen wordt geen rekening gehouden. Nochtans zijn dit de conflicten die overal op het continent de kop opsteken. Voor de inheemse bevolking moet daar nog de onmeetbare kost van verlies van eigen territoria bijgerekend worden (Svampa), de toename van voedselonzekerheid en de plattelandsvlucht die door het extractivisme in de hand wordt gewerkt.

Tenslotte is er in dat gecontesteeerde bilan ook een vicieuze cirkel aanwezig, met name de toename van de schuld, veroorzaakt door de val van de prijzen van de grondstoffen, nog versterkt door een slechter wordende betalingsbalans (de export brengt minder deviezen op terwijl de import van afgewerkte producten duurder wordt), wat meer extractivisme op gang brengt (we moeten meer exploiteren om de lagere prijzen te compenseren [32] ) waardoor er nieuwe conflicten ontstaan. Deze vicieuze cirkel werd goed verwoord door Svampa: ‘meer extractivisme = minder democratie’.

Samenvattend: het bilan van deze regeringen is niet alleen zwak (want door haar afhankelijkheid van de internationale markt en van de plaatselijke oligarchie houden zij geen rekening met alle ‘verborgen kosten’ en de negatieve impact die een kostenbatenanalyse nog problematischer maakt), maar wordt ook vervalst omdat zij zich in naam van de ontwikkeling als het enige politieke alternatief presenteren, waardoor zij de landbouwhervormingen, de voedselzekerheid en de herverdeling van de rijkdommen die aan de basis liggen van een ander levensvatbaar project onmogelijk maken. Sommigen gaan zelfs zo ver dat zij de terugkeer naar de staat koppelen aan de bereidheid om buitenlandse investeringen binnen te halen, waardoor eerder een herstel dan wel een breuk met het neoliberalisme is ontstaan.

Transitie versus etappisme

Dit gecontesteerde bilan gaat ook uit van een kritiek op de logica van het extractivisme als etappe. De Boliviaanse vicepresident García Linera heeft het extractivisme willen herleiden tot een technische relatie met de natuur, maar vergeet, zoals Lander vermeldt, dat het extractivisme niet alleen rijkdom creëert, maar ook sociale verhoudingen, een speciale soort van staat (die een autoritaire en rentistische positie inneemt), een imaginair collectief en een bepaald model van samenleving. {33} Men ontdoet zich niet van het extractivisme zoals men van werktuig wisselt. Het is meer dan een instrument: het gaat hem om een volledige politieke configuratie, over de verhouding tussen de staat en de burger en over het maatschappelijk project in zijn geheel.

Het blijft nochtans paradoxaal dat in een zo gunstige conjunctuur – een grote ondersteuning van het volk, een aanzienlijke verhoging van de grondstoffenprijzen en een regionale versterking – het niet mogelijk was om te breken met dat model en een transitie op gang te brengen. Het is moeilijk om betere omstandigheden te bedenken om die transitie te realiseren. Komt het er niet op neer dat men daardoor de onmogelijkheid van een transitie bevestigt en verwijst naar een hypothetische toekomst?

Maristela Svampa heeft de ‘consensus van de commodities’ bestempeld als de ideologische sokkel van de verschillende staten van het Latijns-Amerikaans subcontinent, die al dan niet een wending naar links hebben genomen. Ze wordt gekarakteriseerd door haar gemeenschappelijk strategie om ontwikkeling tot stand te brengen via een uitbreiding van het extractivisme. [34] De terugkeer naar het concept van ‘consensus’ laat een meer dynamische en meer complexe lectuur toe in termen van breuklijnen en continuïteiten, die verder reikt dan de revolutionaire retoriek van deze regeringen. De verschillen tussen de postneoliberale of neoliberale regimes situeren zich niet op het niveau van de extractivistische vraatzucht, maar juist op het niveau daaronder: het gaat over de controle – staatsbeheer of privé – over de grootte van de belastingdruk en over de herverdeling van de opbrengst van de exploitatie – voor wie en voor welke sector?

Zonder de weerstanden en de druk op deze regeringen te willen minimaliseren, is de mislukking van de transitie toch eerder te begrijpen in termen van kunnen dan van willen. Het is minder door de realiteit van de machtsverhoudingen en meer door het aangaan van een consensus dat deze regeringen werden teruggefloten. Tot op welk punt hebben zij trouwens geloofd in deze transitie ? Hebben ze die werkelijk gewild ? Het gaat erom om tegelijk tegen de armoede, maar ook tegen de afhankelijkheid te vechten. De postneoliberale regeringen hebben een geheel van maatregelen beloofd, waarvan een aantal intussen al zijn geschrapt. Wat te zeggen trouwens van de incoherenties en contradicties met hun initiële verklaringen die zij nochtans in progressieve nieuwe grondwetten hebben gegoten en die in samenspraak met het maatschappelijk middenveld tot stand zijn gekomen ? Het in de praktijk ontkennen van ‘het recht van de natuur’ en van het Buen Vivir, die nochtans binnen de nationale en internationale instanties als een retorisch wapen worden aangewend, hebben tot verwarring geleid en hebben de structuur van deze alternatieven en het vertrouwen van de sociale bewegingen dienaangaande aangetast.

Conclusies

Dit al te synthetiserend panorama zou per land en per periode nog moeten worden genuanceerd, want elk van die landen werd geconfronteerd met specifieke conflicten – Belo Horizonte in Brazilië, TIPNIS in Bolivia en Yasuni in Ecuador – die de contradicties tussen de intenties en de praktijk van die landen hebben blootgelegd. Maar het extractivisme blijft een gemeenschappelijke structurele splijtzwam in al die landen. Tegenwoordig zijn de actoren die deze regeringen aan het bewind hebben geholpen verdeeld en verzwakt, waarbij sommigen zelfs in de valstrik van de autocensuur zijn getrapt of zich geschikt hebben naar de politiek van de progressieve regeringen. De stilzwijgende of openlijke alliantie van deze regeringen met de agrobusiness [35], met de oligarchie en de transnationale actoren hebben de krachtsverhoudingen binnen deze samenlevingen gewijzigd, waardoor de tegenstellingen tussen de neo-extractivisten en de ‘pachamamisten’, (de verdedigers van Moeder Aarde) verdoezeld werden. [36]

De sociale bewegingen staan voor de keuze tussen het ondersteunen van die progressieve regeringen of het veranderen van economisch model. Dat sluit natuurlijk niet uit dat er om strategische redenen en afhankelijk van het land en de situatie allianties kunnen worden afgesloten tussen die postneoliberale regeringen en de sociale bewegingen. Vooral omdat er op dit ogenblik geen electoraal alternatief bestaat en de harde neoliberale rechterzijde, bondgenoot van het neokolonialisme, overal in de regio terrein aan het winnen is. Om resultaat te boeken en om desillusies te vermijden moeten de sociale bewegingen dergelijke allianties met de nodige omzichtigheid aangaan. Maar of deze allianties nu realiseerbaar zijn of niet, er zal dringend theoretisch en praktisch werk moeten geleverd worden om de sociale krachten te organiseren buiten deze regeringen. De huidige inzet is de autonome opstelling en versterking van de sociale bewegingen ten einde een werkelijke tegenmacht te kunnen vormen die een nieuwe institutionele dynamiek op gang kan brengen. [37]

Frédéric Thomas, Fin de cycle, fin de partie? Bilan du virage à gauche latino-américain in Centre Tricontinental van 11 mei 2017 (vrije vertaling van Walter Lotens)

Noten

[1] Bernard Duterme, « Toujours rebelle l’Amérique latine ? Mouvements sociaux, contestations et pouvoirs de Tijuana à Ushuaïa », Alternatives Sud – État des résistances dans le Sud : Amérique latine, Vol. XVIII, 2011/4.
[2] Alternatives Sud – État des résistances dans le Sud : Amérique latine, Vol. XVIII, 2011/4.
[3] Frédéric Thomas, « Chine – Amérique latine : enjeux conflictuels d’une relation », 2013, http://www.cetri.be/.
[4] Maristella Svampa, Edgardo Lander, Eduardo Gudynas, Pablo Stefanoni… sont parmi les intellectuels qui participent de ce débat, auquel le site du Cetri (www.cetri.be) fait un large écho.
[5] Eduardo Gudynas, Extractivismos. Ecologia, economia y politica de un modo de entender el desarrollo y la Naturaleza, Claes/Cedib, Cochabamba, 2015.
[6] Laurent Delcourt y voit la « clé du miracle bolivien » : « en dépit de sa portée limitée et de son caractère « inachevé », cette « nationalisation » n’en a pas moins constitué un tournant dans l’histoire du pays », La Bolivie d’Evo : des idéaux indianistes à la realpolitik néodéveloppementiste, 2015, www.cetri.be.
[7] Eclac, Economic and social panorama of the Community of Latin America and Caribean states, 2015.
[8] UNCTAD, The State of commodity dependance 2012, United Nations, 2012.
[9] Cepal, America latina y el Caribe y China. Hacia una nueva era de cooperación economica, 2015.
[10] Cepal, China y America Latina y el Caribe : Hacia una relación económica y comercial estratégica, 2012.
[11] Chiffres provenant de http://estadisticas.cepal.org/cepalstat/ pour l’année 2015, sauf pour le Venezuela (2013).
[12] Cepal, Impacto fiscal de la volatilidad del precio del petróleo en América Latina y el Caribe, 2015.
[13] Sur cette dernière thématique, lire José Luis Corragio, « La economia social y solidaria (ess) en America Latina », http://www.econo.unlp.edu.ar/ et Frédéric Thomas, « L’économie sociale et solidaire au prisme du tournant post-néolibéral latino-américain », www.cetri.be.
[14] )Plateforme d’intégration régionale créée en 2004, à l’initiative de Cuba et du Venezuela, regroupant (après le retrait du Honduras suite au coup d’État) neuf pays : la Bolivie, l’Équateur, le Venezuela, le Nicaragua, Cuba, Antigua-et-Barbuda, La Dominique, Sainte-Lucie, Saint-Vincent-et-les-Grenadines.
[15] Le communiqué est accessible ici : https://www.urjc.es/images/ceib/revista_electronica/vol_7_2013_2/REIB_07_02_Doc04.pdf.
[16] Dans un entretien, « Le Brésil et la crise du système » pour la revue Iris, Christophe Ventura offre une belle synthèse de ce type d’analyse. À la question, l’émergence brésilienne aurait-elle dû/pu se traduire par un changement de modèle économique, il répond : « « Dû », oui. Et les événements actuels sont là pour le rappeler douloureusement. Le problème du Brésil est celui de tous les pays latino-américains. (…) « Pu » est une autre question. (…) Comme les autres gouvernements progressistes, le gouvernement brésilien a cherché à répondre à l’urgence sociale. C’était son mandat impératif, celui pour lequel il a été élu, et celui qu’il a respecté », dans IRIS 103, automne 2016, « Le Brésil et la crise du système », pages 131-132.
Le discours de Garcia Linera est accessible ici : https://www.youtube.com/watch?v=DeZ7xtBJT8U.
[17] Le discours de Garcia Linera est accessible ici : https://www.youtube.com/watch?v=DeZ7xtBJT8U.
[18] http://www.eldiario.ec/noticias-manabi-ecuador/105873-correa-arremete-contra-izquierdismo-infantil/.
[19] Garcia Linera, Ibidem.
[20] http://ipevs.org.br/blog/?p=509.
[21] Saulo Ferreira Feitosa, « Lula, os índios e as pererecas », http://www.cimi.org.br/.
[22] Maristella Svampa, Debates latinoamericanos. Indianismo, desarrollo, dependencia y populismo, Argentine, Edhasa, 2016, page 166.
[23] Raul Zibechi, « El Estado fuerte y la criminalización a los movimientos », www.cetri.be.
[24] Discours du président du 5 juin 2009, http://www.biblioteca.presidencia.gov.br/.
[25] Accord international signé en 1997 et visant à lutter contre le changement climatique en réduisant les émissions de gaz carbonique.
[26] Discours du président du 31 août 2010, http://www.biblioteca.presidencia.gov.br/.
[27] Le document stratégique du RedGe et de Cooperacción, Propuestas para transitar al postextractivismo a nivel regional, RedGe, Lima, 2015, constitue une bonne synthèse vulgarisée des mesures de transition proposées.
[28] Svampa, Ibidem, page 347.
[29] Cepal, Panorama social, 2012.
[30] Le cas du Venezuela constitue un cas particulier : on a évoqué à son propos la création d’une boliburguesía (la « bourgeoisie bolivarienne ») en situation de concurrente face à l’oligarchie traditionnelle (Saint-Upéry, 2012).
[31] Pour le cas du Brésil, je renvoie à l’entretien déjà cité de Christophe Ventura dans IRIS 103, automne 2016, Le Brésil et la crise du système, pages 131-132.
[32] Et, de fait, si les rentrées financières de l’extractivisme ont effectivement diminué, le volume et l’exportation des ressources naturelles ont, eux, augmenté.
[33] Edgardo Lander, « El Neoextractivismo como modelo de desarrollo en América Latina y sus contradicciones », 2014.
[34] Maristella Svampa, « Consensus des matières premières, tournant éco-territorial et pensée critique en Amérique latine », Alternatives Sud, Industries minières – Extraire à tout prix ?, Vol. XX – 2013/2.
[35] Pour le cas bolivien, je renvoie à Laurent Delcourt, La Bolivie d’Evo : des idéaux indianistes à la realpolitik néodéveloppementiste, 2015, www.cetri.be.
[36] Sous ce vocable en langue quechua, nous entendons l’ensemble des concepts-horizons (Svampa) – Buen Vivir, « droits de la Nature », etc. – mis en avant, particulièrement par les gouvernements bolivien et équatorien, pour modeler un développement alternatif, voire une alternative au développement
[37] Alberto Acosta, La maldición de la abundancia, Quito, Abya-Yala, 2015.