Boksen voor een betere wereld. Over de staat van de hopeloosheid

Zoeken naar verandering.
Facebooktwittergoogle_plusmail

Een pessimistisch verhaal met een optimistisch einde.

De linkerzijde is bijzonder sterk in analyseren. Bij de minste beweging op het economisch front en meer en meer het ecologisch front volgt een analyse van het kapitalisme met als besluit dat het weg moet om de problemen te kunnen oplossen. Hoe dat moet is minder duidelijk en de zoektocht naar het ‘revolutionaire subject’ gaat onverminderd door. De linkerzijde staat voor sociale rechtvaardigheid, verwijst – alweer – naar het kapitalisme om uit te leggen dat het rechtvaardigheid in de weg staat, maar staat zeer terughoudend tegenover denkwerk over sociale bescherming.
Zou het kunnen dat er té veel wordt weg geanalyseerd? Dat er té weinig wordt nagedacht over welke concrete politiek de linkerzijde kan volgen? Over wat socialisme vandaag is of kan en moet zijn? En over de strategie om daar te geraken?
Ik wil in dit artikel een paar echte en vermeende problemen aankaarten, wijzen op de hinderpalen voor links en voorstellen om toch echt eens over de sociale kwestie na te denken.

Het moorddadig kapitalisme

Er kan geen twijfel over bestaan. De ellende in het Zuiden, de moordende conflicten, de onmenselijke arbeidsomstandigheden van zij die onze t-shirts, sneakers en tablets maken, ze zijn een gevolg van een kapitalisme dat mens en natuur vernietigt. Voortdurend worden bij de VN of de Wereldbank nieuwe programma’s en projecten voorgesteld, wordt ons met cijfers bewezen dat het leven nooit zo goed is geweest als vandaag, maar veel meer dan doekjes voor het bloeden zijn het niet. Terwijl mensen uit de extreme armoede worden gehaald verdampen de middenklassen die de democratie, de mensenrechten en de verzorgingsstaten in stand hielden. We zijn op weg naar een gedualiseerde maatschappij met erg veel mensen net boven of op de armoedegrens, en een kleine groep superrijken. Herverdeling staat niet langer op de internationale agenda, terwijl de ongelijkheid nooit eerder geziene pieken haalt.
Er wordt opvallend weinig aandacht besteed aan de veranderingen van het kapitalisme. We leven vandaag in een rentenierskapitalisme. Er wordt minder geproduceerd dan er wordt geteerd op rente uit kapitaal, octrooien, copyrights en ‘bemiddeling’. Uber, Airbnb, Booking of Amazon produceren niets, maar brengen enkel, tegen vergoeding, het aanbod in contact met de vraag.
Er is natuurlijk wel productie: de zware verwerkingsindustrie, vliegtuig- en autobouw, oude en nieuwe elektriciteitscentrales. En robots. Zij zullen de komende decennia voor een grondige maatschappelijke verandering zorgen. Auto’s, koelkasten en huissleutels worden (verder) geïnformatiseerd, hoewel het niet waarschijnlijk is dat de rijken het ook zonder knechten en meiden zullen doen. Want uiteindelijk gaat het toch om macht? Van mensen over mensen?
De arbeidsmarkt van de toekomst zal er fundamenteel anders uitzien, zonder twijfel. Ook hier een dualisering: hooggeschoolde ingenieurs en informatici vinden makkelijk goed betaalde banen, daaronder wordt het een woestijn van precair en tijdelijk werk in fabrieken zowel als in de zorg of de schoonmaak. ‘Jobs are so very yesterday’, of ‘Nine to five is for losers’…
De hedendaagse migratiestromen hebben minder te maken met de oude kolonisering, dan wel met de valse beloften van ‘ontwikkeling’, met de samenwerking tussen multinationale ondernemingen en regeringen, met het totale gebrek aan enig perspectief voor tientallen miljoenen mensen. Vandaag is er weer een schuchtere kritiek mogelijk op ontwikkelingssamenwerking, maar levensvatbare alternatieven blijven uit. Ontwikkeling wordt een ‘goed doel’. Nulkommazeven procent, een grap?
Ondertussen gaan milieuvriendelijke jongens en meisjes werken aan ‘commons’ in fablabs en P2P-netwerken, organiseren ze stadstuintjes en lokaal geld en pleiten voor een basisinkomen en ‘verbondenheid’. Kortom, ze proberen opnieuw met kleinschalige initiatieven aan het systeem te ontsnappen en denken niet langer na over hoe het systeem kan en moet veranderen.
De sociale bewegingen die vanaf de jaren ’80 van vorige eeuw zijn begonnen met mondiale mobilisaties en organisaties zijn vandaag nagenoeg unaniem terug gekropen in de lokale moederschoot om alvast de directe omgeving eerst te veranderen. De wereld volgt wel, of niet.
De tijd dat sociale strijd ging over het verwerven van meer rechten is lang voorbij. Met moeite wordt de afbraak van de verzorgingsstaten afgeremd, openbare diensten verdwijnen en worden geprivatiseerd, het arbeidsrecht wordt afgekalfd.
De ecologische crisis wordt elk jaar duidelijker met uitstervende soorten, verwoestende orkanen, stijgende temperaturen en toenemende droogte.
Kortom, het kapitalisme van de 20ste eeuw is niet meer wat het ooit was. We gaan naar een nieuwe uitbuiting die helaas niet altijd zo wordt begrepen. Grote bedrijven als Monsanto of Unilever of Boeing zijn nog enigszins vatbaar voor actie en reactie, maar hoe pak je Google en Apple aan? En vooral, hoe pak je de financiële sector aan? Het anti-kapitalisme is een heel stuk moeilijker geworden. Ja, er zijn actiegroepen die zich inzetten voor rechtvaardige belastingen, maar alle nationale overheden – de enigen met formele beslissingsmacht op de internationale scène – laten zich opsluiten in het keurslijf dat financiën en bedrijven hen opleggen.
Het neoliberalisme is nog lang niet uitgeteld, ook al zijn alle academische bewijzen voor zijn ondoeltreffendheid en zijn negatieve sociale gevolgen beschikbaar. De neoliberale boer, hij ploegde voort en kan zijn “winst” slechts vrijwaren door meer repressie.
Bovendien, de zwaarste oppositie tegen de neoliberale mondialisering komt niet van links maar van rechts. Neo-conservatieven willen terug naar een veilig, nationaal onderdak, met protectionisme en minder rechten. Er is een smalle scheidslijn tussen neoliberalen en conservatieven, een die makkelijk kan doorgeknipt worden met een autoritaire aanpak van al wie in de weg staat. We zijn snel op weg naar autoritaire, rechtse regimes waarin de liberale vrijheden zwaar onder druk staan.
Dit wordt bevorderd door een cultuur van ‘post-truth’ verhalen, bewust misleidende informatie die de onwetende burger een ‘waarheid’ opdringt die de machtsrelaties verbergt.
Aan de linkerzijde worden té veel problemen té makkelijk herleid tot de oude tegenstelling tussen arbeid en kapitaal. Die is zeker niet verdwenen maar is er niet veel meer aan de hand? Het marxistische analysekader blijft een nuttig instrument om naar het kapitalisme te kijken, maar is lang niet in staat om de vele veranderingen te vatten. Van productie naar handel naar financialisering en robotisering: dit kan niet langer tot dezelfde strategieën leiden als honderd jaar terug. En moet niet ook dringend naar die middenklassen gekeken worden, hoe moeilijk definieerbaar ze ook zijn? Welke rol hebben ze gespeeld en wat betekent hun verdwijning? Welke nieuwe strategieën zijn er nodig? En wat is het doel?

Een heterogene linkerzijde

De ‘roze golf’ die over Latijns Amerika spoelde twintig jaar geleden is stilaan uitgeblust. Brazilië en Argentinië zitten vast in een conservatieve greep. Chili en Uruguay zijn erg roze. Venezuela heeft, helaas, economisch gefaald met zware politieke en sociale gevolgen. Ecuador en Bolivië houden stand, maar voor hoe lang? En voor alle duidelijkheid: dit zijn misschien post-neoliberale regimes, maar geen post-kapitalistische. De conflicten met vooral inheemse groepen hebben er te maken met het extractivisme in de mijnbouw en de landbouwsector.
In de V.S. was er even Bernie Sanders. In Europa is er lichte hoop: Syriza, Podemos, Bloco, Corbyn, Mélenchon, PVDA/PTB … Maar toch. Deze groepen zijn het lang niet met elkaar eens en staan, met uitzondering van het Portugese Bloco, beslist niet dicht bij de macht. De sociaal-democratie is in veel landen op sterven na dood.
Het grootste struikelblok voor linkse eensgezindheid is, naast het theoretisch sectarisme, het Europese integratieproces. Kritiek op het ‘ordoliberale’ soberheidsbeleid wordt gedeeld, maar hoe dit moet worden opgelost geenszins. ‘Ongehoorzaamheid’, zegt Mélenchon, vanuit een land dat de begrotingsnormen al twintig jaar lang met voeten treedt. ‘Remain’, maar nee, ‘leave’, zegt Corbyn in een poging om aan geloofwaardigheid te winnen. En het Bloco regeert, met succes, terwijl Syriza door velen als ‘verrader’ wordt bestempeld. Die Linke is verdeeld. Links is verdeeld.
De verdeeldheid heeft veel te maken met een mank analysekader. Wie niet ziet dat ‘Europa’ veel verschillende vaders heeft, net als in de mythologie, en enkel het kapitalisme aan het werk ziet, kan niet anders dan die constructie veroordelen. Wie enkel de Europese Commissie aan het werk ziet, pleit de nationale regeringen vrij, zeer ten onrechte. Hoe het dan verder moet, dat komen we niet te weten. Tabula rasa en opnieuw beginnen?
Het is meer dan triest vast te stellen dat vijfentwintig jaar na het Verdrag van Maastricht, waarmee de EU resoluut de neoliberale weg is opgegaan, er géén gedeelde alternatieven beschikbaar zijn. De linkerzijde blijft zich wentelen in beklag en geklaag, want iets afwijzen is zoveel makkelijker dan opbouwen. Er is ook géén analyse van het nieuwe en veranderende kapitalisme en neoliberalisme en dat is zo mogelijk nog erger.
Elke maatregel van regeringen in West-Europa om de bestaande verzorgingsstaten af te bouwen wordt op groot protest onthaald. Men beseft echter niet of nauwelijks dat landen als Frankrijk en België de laatste zijn om mee te worden opgenomen in de ‘vaart der volkeren’ op weg naar deregulering, privatisering en dualisering. De hele wereld kent de ‘Washington Consensus’, maar de Brussels of Frankfurt consensus wijkt daar nauwelijks van af.
Het is dan ook een illusie te denken dat één land zal kunnen ontsnappen aan die logica of dat een rechtse regering er een eind aan maakt. Zoals het een verdacht sprookje is te stellen dat dat ‘nu eenmaal moet’ van ‘Europa’, alsof onze regeringen niet staan te springen om de arbeidsmarkt te dereguleren en werklozen hun uitkering af te nemen. Nationale soevereiniteit is allesbehalve een oplossing.
De linkerzijde is vast overtuigd van haar grote gelijk, en misschien heeft ze ook gelijk. Alleen, aan jonge mensen raakt ze haar verhaal over socialisme niet makkelijk kwijt. Hel vaak vrágen ze flexibiliteit en kortlopende jobs. Zij malen niet om pensioenen en betaalde vakantie.
Mij lijkt het duidelijk dat zolang de linkerzijde haar analysekader niet aanpast om rekening te houden met de veranderingen van het kapitalisme én met de maatschappelijke verschuivingen, zij reddeloos de dieperik in gaat.
Als men in 2017 wel een zeer gedetailleerde analyse kan maken van het ecologische onheil dat het kapitalisme aanricht, maar geen strategie kan aanstippen om dat kapitalisme te doen veranderen of verdwijnen, dan is er toch een probleem. Want de woede over de mank lopende democratie, de graaicultuur van veel politici, de onrechtvaardige samenleving die zowel met de vluchtelingen als met elk nieuw belastingschandaal aan het licht wordt gebracht, is groot. Er is vraag naar verandering, maar is er ook vraag naar socialisme? En is er een coherent en gezamenlijk alternatief?

De grote verwarring

Links en rechts zijn niet langer relevante categorieën, zo wordt ons al decennialang ingepeperd. Het vaakst door neoliberalen die het progressieve gedachtengoed het liefst zien verdwijnen, soms door academici die zien dat verschillen in ethisch culturele waarden niet langer samenvallen met klassenverschillen, en vaak door jonge mensen die digitaal denken, alles ‘deleten’ en denken opnieuw te kunnen beginnen. Zij dwalen.
Wat niet betekent dat er geen verwarring is tussen links en rechts.
Een eerste belangrijke punt is de verwerping van de moderniteit. Het is één ding om te wijzen op de eenheid tussen mens en natuur of op de onmogelijkheid van lineaire vooruitgang, het is iets helemaal anders om daarom de moderniteit in haar geheel af te wijzen. Want het is die moderniteit die ons het ‘sapere aude’ van Kant heeft bijgebracht, ons universele mensenrechten heeft bezorgd, het idee dat alle mensen gelijk zijn, net als een scheiding van kerk en staat, het einde aan de absolute monarchie die macht aan ‘God’ ontleende. Het klopt dat die moderniteit haar beloften niet heeft waar gemaakt, en ja, de koloniserende mogendheden hebben hun moderniteit opgedrongen aan volken die er lang niet klaar voor waren. Nee zeggen tegen die moderniteit betekent echter een terug plooien op de feodaliteit, op prekapitalistische structuren die nog meer uitbuiting met minder kans op verzet in houden. Het is één ding de Westerse dominantie aan te klagen, het is iets helemaal anders het Westers ideeëngoed en vrac af te schrijven.
Een tweede punt is alles wat met mondialisering, vrijhandel en nationalisme heeft te maken. De verschillen tussen de discours van radicaal links en extreem-rechts zijn niet altijd duidelijk, hoewel hun oogmerken dat natuurlijk wél zijn. Maar nooit wordt er uitleg gegeven bij wat er precies wordt bedoeld. Conservatieven willen nationale veiligheid en protectionisme. Wat wil links? Een ander soort mondialisering, hoe dan? Een andere internationale handel, wat betekent het concreet? Meer soevereiniteit voor nationale staten? Goed, tot waar? Het zijn belangrijke vragen die moeten beantwoord worden om te vermijden dat goedmenende mensen denken extreem-rechts te kunnen stemmen.
Tenslotte is er een niet altijd goed doordacht discours over identiteit en anti-racisme. Dat laatste staat terecht hoog op de linkse agenda, maar waarom niet willen nadenken over hoe het identiteitsverhaal al dan niet haaks kan staan op het klassenverhaal, waarom meer aandacht voor de aanwezigheid van allochtonen dan voor genderpariteit? Waarom de gevaren van de radicale islam onderschatten die wel degelijk de liberale vrijheden onderuit kan halen? Het klassenverschil blijft wel degelijk relevant, hoewel het opnieuw gedefinieerd mag worden, met aandacht voor de middenklassen, met aandacht voor de tientallen miljoenen mensen die voor het kapitalisme overtollig zijn geworden en met aandacht voor de andere simultane tegenstellingen in onze samenlevingen, met name mens en natuur, enerzijds, gender en diversiteit anderzijds.
De verwarring tussen links en rechts komt zeer duidelijk tot uiting in een aantal actuele politieke dossiers, zeker voor alles wat met het Europese integratieproces te maken heeft. Linkse mensen steunen probleemloos het discours van UKIP, conservatieve Britse nationalisten. Linkse mensen hadden problemen met de VS-presidentskandidaat Clinton, en begrepen niet dat ze zo Trump aan de macht hebben gebracht. Idem met de presidentsverkiezingen in Frankrijk, Macron is liberaal, dan maar de deur open houden voor Marine Le Pen? Het zijn beslist verwarrende tijden.

Valse alternatieven

Bijzonder pijnlijk is de vaststelling dat veel van de ‘alternatieven’ die door sommigen worden aangereikt, in feite niet anders kunnen dat het systeem versterken en bestendigen. Ik wees twintig jaar geleden op de mondiale armoedestrategie die een universele sociale bescherming in de weg zou staan. Dat was uit den boze. Nu de ongelijkheid uit de pan rijst, beseft men wat er mis ging. Vandaag zetten sommigen zich onvoorwaardelijk achter de minimale voorstellen voor ‘sokkels van sociale bescherming’, zeer zeker een nobel doel, maar in huidige vorm en met de huidige machtsverhoudingen een instrument ter versterking van de economische groei. Het huidige en nakende conflict tussen IMF en Wereldbank over ‘universele’ sociale bescherming spreekt boekdelen. Hetzelfde geldt voor de vele initiatieven rond commons en deeleconomie. Met hun lokale verankering zijn ze niets meer dan een poging om te ontsnappen aan het kapitalisme, en de ambitie om het te veranderen is verdwenen. Gent, stad van de commons. In de schaduw van Arcelor Mittal, één van de meest vervuilende fabrieken van Europa? Terwijl het OCMW zijn gronden verkoopt aan Fernand Huts?
Sociale bescherming is niet sexy. Voor jonge mensen is ze paternalistisch en de leeflonen zijn stigmatiserend. Leve het basisinkomen dan maar, de natte droom van neoliberalen die mensen gratis of voor een habbekrats willen inzetten in mini-jobs. Ze zetten zich af tegen vakbonden – ‘zó negentiende-eeuws’ of ’oud links’ – terwijl ze meewerken aan de afbouw van loonarbeid en arbeidsrecht en de negentiende eeuwse uitbuiting zo weer actueel maken. De representatieve democratie? Een voedingsbodem voor de graaicultuur, leve de rechtstreekse volksraadpleging…
Of ach, zo mogelijk nóg pijnlijker: de vele initiatieven waarmee jonge mensen worden gelokt en verleid om mee te denken over de toekomst: oefeningen in de-ideologisering en depolitisering, verhalen over de grote harmonie, de holistiek en de spiritualiteit, weg van elk machtsdenken, geloof in locale projecten met enkel mensen van goede wil… Men kan zich inzetten voor vrijwilligerswerk, gratis arbeid, zeg maar, of enkele uurtjes bijklussen bij Uber of Deliveroo. De toekomst?
Bevolkingsgroepen die geloven dat verandering moet maar geen enkel houvast hebben om aan die verandering te werken, zullen uiteindelijk geen andere middelen meer hebben dan geweld. En dat geweld is begonnen.

Ondertussen

Het eerste geweld is te merken op de sociale media. Onvoorstelbaar hoe grof mensen omgaan met andere mensen, hoe brutale verwijten de pan uitrijzen.

Omdat ik een groot verdediger ben van universele sociale bescherming en niet geloof in de voorstellen voor een ‘basisinkomen’ werd me vorig jaar herhaaldelijk verweten dat ik ‘bloed aan de handen’ heb… Omdat ik er vrij neutraal op wees dat in diverse panels voor debatten te weinig vrouwen aanwezig waren, werd me gezegd dat ik ‘totalitair’ ben. Onschadelijk, kan je denken, maar het doet wel iets met mensen. Als de aan alzheimer lijdende vader van een minister verloren loopt en terug gevonden wordt, regent het verwijten over te dure zoekacties. We spreken dan nog niet over ministers die ’vuile wijven’ of ‘domme trutten’ worden genoemd, en zeker niet over de ironisch bedoelde oproepen om mensen tegen de muur te zetten of hoofden af te hakken. Grappig bedoeld, wellicht, maar het zegt iets over wat er in de hoofden van mensen zit. Was dit mogelijk tien jaar geleden?
Buitensporig geweld bij protestbetogingen, zoals bij de jongste anti-G20 betogingen in Hamburg, wordt door heel veel linksen goedgepraat, want ‘het kapitalisme’ en ‘de politie’ zijn ook gewelddadig… Oog om oog maakt de hele wereld blind, toch? Alweer, was dit mogelijk tien of twintig jaar geleden? Geweld is er altijd geweest. Terwijl de hippies na mei ’68 zongen over ‘the age of acquarius’ en bloemen droegen in het haar voor ‘vrede’ en ‘geweldloosheid’ hielden de RAF en de Brigate Rosse lelijk huis in Europa. Het djihadistisch geweld in West-Europa en het oorlogsgeweld in het Midden-Oosten, het zou de linkerzijde moeten aanzetten tot een uitgekiende strategie van geweldloosheid. Geen naïef pacifisme, wel een moreel superieure en overtuigende strategie om de tegenstander te tonen hoe het anders kan.

En ja, het systeem ís gewelddadig. Maar men kan zich best niet vergissen: niet de linkerzijde wordt vervolgd, wel iedereen die de machthebbers een strobreed in de weg staat: vakbonden, zeer zeker, maar ook journalisten, mensenrechtenverdedigers, academici, inheemsen die vechten voor hun grond en hun bestaan. In dit toenemend autoritarisme is het de democratie die wordt bedreigd. De aanvallen op de zogenaamde ‘cultuurmarxisten’ zijn beangstigend.
Een doel, een strategie, instrumenten, hoe komt het dat dit zo moeilijk is? Heeft het enkel met de psychologie van linksdenkende mensen te maken, zonder verschil tussen politieke overtuiging en identiteit? Heeft het te maken met het vasthangen aan het marxisme, dat al bij al toch vrij deterministisch is? Heeft het te maken met een zekere intellectuele luiheid, waardoor men niet langer de wereld maar nog enkel de lokale omgeving ziet en begrijpt? Heeft het te maken met een groeiend gevoel van machteloosheid? Ik weet het niet.

Sociale rechtvaardigheid?

Ik blijf geloven dat er wel een uitweg mogelijk is. Er is één ding waar alle progressieven het over eens zijn: het belang van sociale rechtvaardigheid. Hoe dat concreet moet worden ingevuld, men weet het niet en er is een grote terughoudendheid om het op hun internationale agenda te zetten. En te groot sissi-gehalte? Maar herverdeling staat niet langer op de internationale agenda en daarom is de sociaal-democratie haar bestaansreden kwijt.

Toch is dit de weg die het socialisme meer dan honderd jaar geleden heeft gevolgd. Mensen worden niet verliefd op een ‘interne markt’, zoals Delors al zei, en je zal ze niet kunnen mobiliseren tegen de begrotingsnorm van 3 %.

Mensen, overal, zijn bezorgd om hun baan, hun inkomen, hun ziekteverzekering, hun pensioen, een school voor de kinderen … kortom sociale eisen.
Vandaar dat ik met veel passie een universele sociale bescherming wil verdedigen.
Het probleem is echter dat veel jonge mensen ook daar niet meer warm voor lopen, het klinkt oubollig, hoewel ze toch genoeg willen verdienen en verzekerd willen zijn tegen arbeidsongevallen.
Ze vallen voor commons? Waarom zou sociale bescherming geen commons zijn? De sociale bescherming is van ons, we moeten ze vernieuwen en versterken, de-bureaucratiseren en democratiseren. Dat kan perfect.
Daar kan je mensen voor op straat krijgen. Sociale commons waar ze zelf iets over te zeggen hebben, een structurele solidariteit die niemand uit de boot doet vallen en die bovendien transformatief kan zijn.
Want wie sociale rechtvaardigheid echt wil verwezenlijken, wie de ongelijkheid wil verminderen en de armoede wil uitroeien, kan niet anders dan sleutelen aan het economisch systeem, en kan niet anders dan kijken naar de milieuproblemen die eveneens sociaal zijn. Of m.a.w., de milieubeweging is er en is actief, als ook sterker kan ingezet worden op economische hervorming en als er een sterke mondiale beweging voor een transformatieve en universele sociale commons kan ontstaan, dan werken die drie op elkaar in en wordt verandering mogelijk.
De ecologische crisis is een nieuwe opportuniteit voor de linkerzijde, net zoals de vraag naar sociale rechtvaardigheid. Ze moet dan wel meer kunnen voorstellen dan een ‘weg met het kapitalisme’. Er zijn concrete voorstellen nodig voor een goed sociaal beleid, uit te werken met lokale gemeenschappen, steden en landen. Er zijn concrete voorstellen nodig om uit te leggen wat er precies moet veranderen om meer schone lucht en meer biologische diversiteit te krijgen, en hoe dat alles past in een breed project van politieke, sociale en economische veranderingen. De vakbonden moeten hierin een eersterangs rol spelen, niet enkel voor de sociaal-economische veranderingen, maar ook voor het milieu en de grote maatschappelijke problemen. Waar we moeten toe komen is dat er grote betogingen zijn voor een beter migratiebeleid, voor een beter milieubeleid, net zoals voor de sociale eisen zoals een arbeidstijdverkorting. Waarom zou dat niet kunnen?
De Val van de Muur is voor de linkerzijde een verloren kans gebleken. Het gedachtengoed werd niet echt vernieuwd. Wat de kreten tégen het kapitalisme precies betekenen in termen van bedrijven, eigendom en winst, we weten het niet, tenzij de eisen van een halve eeuw terug onveranderd blijven. Maar niets is verloren. Waar behoefte aan is, is een brede internationale beweging met een lokale en stedelijke verankering. De linkerzijde is internationalistisch en moet daarom voorstellen doen voor het soort mondialisering wat nodig is, welke migratie er wenselijk is, welk ‘Europa’ we willen. Het is het enige wapen waarover links beschikt om de autoritaire rechterzijde tegen te houden. Het instrument moet in de eerste plaats een sociaal beleid zijn, gestoeld op zelfbeheer, dat mensen beschermt tegen sociale en milieurampen en de linkerzijde aan een meerderheid kan helpen.
Of een dergelijk project nog ‘socialistisch’ genoemd kan worden, laat ik in het midden. Het probleem is dat de linkerzijde geen enkel geslaagd economisch model heeft om naar te verwijzen. Na honderdvijftig jaar. Om over na te denken. Vandaag is Europees radicaal links niet langer anti-kapitalistisch maar is geworden wat een linkse, radicale sociaal-democratie vroeger was.
Helaas, vandaag staan vooral de goede doelen hoog op de agenda. We gooien een emmer koud water over het hoofd, we brengen koffiekoeken naar de vluchtelingen, we zetten een rode neus op tegen dierenleed, we boksen voor een betere wereld. Denkt er iemand dat het kan lukken? Het kan echt anders, daar ben ik zeker van. Links is niet reddeloos verloren. En ik geloof in verandering.

Francine Mestrum is doctor in de sociale wetenschappen en doet onderzoek naar sociale rechtvaardigheid, ontwikkeling en samenwerking, armoede, ongelijkheid en mondialisering. Zij is voorzitter van het mondiale netwerk van Global Social Justice (www.globalsocialjustice.eu) en werkt momenteel aan een project voor ‘social commons’ (www.socialcommons.eu ) voor een transformatieve en universele sociale bescherming.