Einde van de westerse (joods-christelijke) beschaving

Facebooktwittergoogle_plusmail

‘Het Westen zal nooit ten onder gaan.’ Dat zei de Amerikaanse president Donald Trump tijdens zijn bezoek aan Warschau op 6 juli 2017. Dat het met de zogenaamde westerse of joods-christelijke beschaving nu al gedaan is, is precies wat de Franse filosoof Michel Onfray in zijn boek Décadance (Verval) wil aantonen. Dat verval van de westerse beschaving hoeft op zich niet te verbazen. Vroeg of laat verdwijnt iedere beschaving (de Babylonische, de Romeinse enz.) Dat de westerse beschaving haar laatste adem uitblaast is des te begrijpelijker omdat de motor van die beschaving, het christendom, het definitief laat afweten.

Alles wat leeft sterft. Zo eenvoudig is dat. Iets ontstaat, bestaat, groeit, bereikt zijn hoogtepunt, raakt in verval en verdwijnt. Dat geldt ook voor beschavingen. Daarom pleit Michel Onfray voor een andere visie op het historisch-dialectisch materialisme dan die van Marx en Engels. Die zagen een opwaartse beweging in de gang van de geschiedenis. Ooit zou een betere, socialistische samenleving ontstaan. Ook de meeste godsdiensten denken in die richting. Ooit komt, aan het einde der tijden, het Rijk Gods, de Messias enz. Het nationaal-socialisme van Adolf Hitler was in hetzelfde bedje ziek. Het voorspelde de komst van een duizendjarig rijk.

De optimist gelooft in de glorievolle toekomst en heeft er alles voor over om die waar te maken (oorlogen, vervolgingen, concentratiekampen enz.) De pessimist ziet wel in dat de zaken er op achteruitgaan, maar wil al het mogelijke doen om die achteruitgang tegen te gaan. Onfray zegt dat we realist moeten zijn en de zaken moeten nemen zoals ze zijn. Dat is het fatum waarover de Romeinen het hadden. De auteur maakt in dit opzicht brandhout van het begrip ‘vrije wil’, essentieel in het joods-christelijke denken. Wij maken de geschiedenis niet, wij ondergaan ze.

Iedere beschaving gaat samen met een godsdienst die haar legitimeert. Voor de westerse beschaving is dat het christendom. Onfray wil een misverstand uit de wereld helpen: het is niet een beschaving die een godsdienst doet ontstaan, wel het omgekeerde. Als een godsdienst in volle bloei is, geldt dat ook voor de beschaving. Gaat de godsdienst ten onder, dan ondergaat de beschaving hetzelfde lot.

Godsdienst van het zwaard

 Onfray wijst er op hoezeer de joods-christelijke beschaving op een fictie is gebaseerd. Die fictie heet Jezus van Nazareth, wiens bestaan historisch niet te bewijzen valt, maar die gedurende bijna tweeduizend jaar de westerse geschiedenis gestalte heeft gegeven. Alles wat in het Nieuwe Testament over Jezus werd geschreven is een herhaling van wat in het Oude Testament over de Messias werd geschreven, om aldus te bewijzen dat die Jezus werkelijk de Messias was. Jezus-Christus is alleen maar een begrip dat het christendom gedurende anderhalf millennium een vorm heeft proberen te geven. Die vorm is onze westerse beschaving.

Hoe heeft het christendom zich kunnen doorzetten en gestalte kunnen geven aan een beschaving? Het antwoord van Onfray is duidelijk: door het geweld. Iedere beschaving ontwikkelt zich door het geweld. Voor het christendom legde Paulus de grondslag van dit gewelddadig christendom. Hij was de man van het zwaard. Het christendom moest zich over de hele wereld verspreiden. Iedereen moest tot het christendom worden bekeerd. Zo werd het christendom, na nauwelijks drie eeuwen, niet langer de godsdienst van de vervolgden, maar van de vervolgers. Het waren niet langer de christenen die voor hun geloof stierven, maar de heidenen die er het hachje bij inschoten omdat ze niet het ware geloof aankleefden. Ook de joden mochten dat ondervinden. Adolf Hitler verwees in ‘Mein Kampf’ naar uitspraken van kerkvaders om de jodenvervolgingen te verantwoorden.

Het was de Romeinse keizer Constantijn die voor de ware bekering van het Westen zorgde. Hij zag in hoe handig een godsdienst kon zijn met maar één God, van wie bovendien alle macht kwam, in zijn geval de macht van de keizer. Zeer snel kwam het tot een verstandhouding tussen de wereldlijke en de geestelijke macht. De paus en de clerus steunden de keizers, koningen en prinsen en vice versa. Van de stelling dat alle macht van God komt hebben alle machthebbers gedurende vele eeuwen maar al te graag gebruik gemaakt. Zij voerden hun veroveringstochten in naam van het christendom (kruistochten, godsdienstoorlogen, koloniseringen en hedendaagse imperialistische oorlogen). Steeds klonk en klinkt het tot op de dag van vandaag: ‘God met ons’.

Alle macht kwam van God

Was er in een beschaving die gedreven werd door een godsdienst nog plaats voor zelfstandig denken? Vanzelfsprekend niet. Al gauw besliste de katholieke kerk dat de filosofie de dienstmaagd van de theologie moest worden. De rede werd onderworpen aan het geloof. Maar ook de grondlegger van het protestantisme, Martin Luther, had geen goed woord over voor de rede. Hij noemde haar ‘de grootste hoer van de duivel’. Luther was voorstander van de autoritaire staat. Ook voor hem kwam alle macht van God.

Onfray beschrijft hoe na de bloei van het christendom, in casu de katholieke kerk, het verval intrad. Daar zorgde die katholieke kerk zelf voor. Reeds in de tiende eeuw werd het Vaticaan een waar bordeel. Enkele eeuwen later waren er niet minder dan drie pausen. Dat kon niet blijven duren en het protest kwam op gang. In Engeland gebeurde dat bij monde van John Wyclif (1331-1384), in Bohemen door Jan Hus (1370-1415), later door Martin Luther (1483-1546) en Jan Calvijn (1509-1564).

Maar niet alleen het kerkelijk gezag werd aangevallen, ook het wereldlijk gezag onderging in de loop der eeuwen hetzelfde lot. De Franse jurist en theoloog François Hotman schreef in de zestiende eeuw dat niet de koning soeverein was, maar het volk. Het volk kon de koning dus afzetten. Etienne de La Boétie, medestudent van Hotman, schreef in 1549 dat koningen en tirannen alleen maar macht hebben omdat het volk waarover ze hun macht uitoefenen hiermee instemt. Voor La Boétie volstaat het dat het volk de heerser niet langer steunt om hem van het toneel te doen verdwijnen.

Nadien zou men hetzelfde over God zeggen. De Franse revolutionair Louis Antoine de Saint-Just zei in 1794 dat God niet meer nodig is, omdat de mensen het hele speelveld willen beheersen. De Franse revolutie droeg in hoge mate bij tot de teloorgang van het christendom. De koning regeerde immers namens God. Maar toen de koning werd onthoofd, gaf God geen kik. De weg lag open voor een politiek zonder God.

Voor de Franse revolutie hadden de filosofen van de Verlichting al hun duit in het zakje gedaan. Volgens Onfray speelde de aardbeving die op 1 november 1755 Lissabon teisterde hierin een grote rol. Iedereen vroeg zich af hoe God zo iets kon toelaten. De filosofen van de Verlichting kwamen met een antwoord: het deïsme. Dat zei dat God vrije mensen heeft geschapen en dat alles wat gebeurt het resultaat is van de vrijheid van de mens en niet van de wil van God. Dat deïsme gaf dus een flinke knauw aan het joods-christelijk theïsme dat beweerde dat God alles beslist wat gebeurt. Met het deïsme werd meteen een grote stap gezet naar het atheïsme. Onfray formuleert het als volgt: ‘In Lissabon deed God een ziekte op waaraan hij weldra zou sterven.’

Het Westen staat te koop

Zorgde de Franse revolutie voor een volledig nieuwe samenleving? Michel Onfray meent van niet. De aristocratische feodaliteit werd weliswaar afgeschaft, maar werd zijns inziens vervangen door de burgerlijke feodaliteit. Het kapitaal werd de nieuwe meester. Over Hegel en het marxisme krijgt Onfray geen goed woord over zijn lippen. De overtuiging van Hegel dat de geschiedenis in de richting van de vooruitgang gaat, werd door Marx en Lenin overgenomen. Voor hen gold alleen het bereiken van de nieuwe samenleving. Welke offers daartoe moesten worden gebracht speelde geen rol. Onfray verwijt de bolsjewistische revolutie alleen maar tot tirannie, algemene onderdrukking, hongersnood, burgeroorlog, concentratiekampen, de dictatuur van de partij (en niet van het proletariaat) te hebben geleid.

De auteur is even scherp voor het fascisme dat eveneens een gouden toekomst voorspelde. Onfray hekelt vooral de steun die de katholieke kerk het fascisme verleende. Paus Pius XII stak zijn sympathie voor het fascisme niet onder stoelen of banken. Door de fascistische weg te volgen, schreef de joods-christelijke beschaving volgens Onfray haar doodvonnis. Over het Tweede Vaticaanse Concilie (1962-1965), een poging om de katholieke kerk een nieuwe adem te bezorgen, is Onfray kort en bondig: het concilie wou de mensen dichter bij God brengen, maar bereikte net het omgekeerde.

Mei 68 droeg eveneens in hoge mate bij tot de dechristianisering. De traditionele waarden Arbeid, Familie, Vaderland en de burgerlijke seksualiteit moesten eraan geloven. En de val van de Berlijnse Muur en de ineenstorting van het marxisme-leninisme in Europa? Die leidden geenszins tot een herleving van het christendom, maar tot de veralgemening van het liberaal kapitalisme, het consumerisme en uiteindelijk het nihilisme. De markt of met andere woorden het geld stelt voortaan de wet.

Zoals het gelijkheidsideaal van de Franse revolutie in de Terreur uitmondde, zo eindigde het vrijheidsideaal van Mei 68 in de totale triomf van de markt. Het Westen staat voortaan te koop. Terwijl de islam in opgang is, verdwijnt de christelijke beschaving. Die heeft het uiteindelijk bijna twee millenia volgehouden. Niet slecht voor een beschaving. Maar nu is de boot aan het zinken. Voor Michel Onfray komt het er nu op aan op een elegante manier te vergaan.

 

Décadance
Michel Onfray
Flammarion
2017
652 blz., 22,90 euro