Ook jongens worden lief geboren

Facebooktwittergoogle_plusmail

Het gebeurt niet vaak dat je een non-fictieboek in één trek uitleest, instemmend knikkend op elke pagina. Ik geef toe: ik ben een fan van Anja Meulenbelt. En zelden had ik de indruk dat een boek zo dringend en zo juist op tijd wordt uitgegeven. Vrouwenrechten worden, overal in de wereld, terug geschroefd, oude, schandelijke praktijken zoals sexueel geweld of kindhuwelijken, waarvan we dachten dat ze aan het verdwijnen waren, zijn meer dan ooit terug, ook in ons “superieure” Westen. Meer en meer mannen noemen zich “feminist”, maar genderpariteit bespreken is “not done”. “Feminisme. Terug van nooit weg geweest” is gewoon een noodzakelijk boek.

Anja Meulenbelt’s uitgangspunt, verschillend van wat zijzelf en met haar de tweede feministische golf in de jaren ’70 dacht, is dat feminisme zonder socialisme niet mogelijk is, evenmin als socialisme zonder feminisme. Dat zei men weliswaar toen ook al, maar vandaag is de kwestie vervlochten tot een geheel van problemen die niet langer los van elkaar kunnen bekeken worden: feminisme, anti-racisme, ecologie, socialisme. De vraag is daarom niet langer: wat is goed voor vrouwen, maar: in wat voor wereld willen we leven? Feminisme is noodgedwongen ook systeemkritiek.

Meulenbelt beschrijft de “blinde vlek” van Marx. Hij zag wel dat de reproductie van de arbeidskracht een voorwaarde was voor de reproductie van het kapitaal, maar zag niet dat het vrouwen waren die de arbeidskracht van mannen goedkoop hield en sprak enkel over consumptie. Reproductieve arbeid wordt onderbetaald en ondergewaardeerd, tot vandaag. Daarenboven, zo stelt ze, vinden kapitalistische én socialistische mannen het fijn dat er voor hen gezorgd wordt.

Mannelijkheid, zo stelt ze verder, is een probleem op zich. Het zou mannen helpen als ze minder afhankelijk waren van hun mannelijkheidsvertoon voor hun eigenwaarde. Mannen zijn liever werkloos dan dat ze “wijvenwerk” doen, zo citeert ze een Brits auteur. Het zijn die boze mannen die een vruchtbare voedingsbodem vormen voor het rechts populisme.

Ze legt ook uit hoe klasse blanke en zwarte mannen en vrouwen verdeelt, net zoals inheemsen en allochtonen. Ze hebben niet dezelfde belangen. Armoede vreet aan een mens en juist daarom was de arbeidersbeweging zo belangrijk. Ze gaf mensen hun waardigheid terug en Meulenbelt vraagt zich af of dat in de huidige tijd nog kan. Hoe dan ook, de eerste stap van vrouwen naar een beter leven is niet voor alle vrouwen dezelfde.

In een hoofdstuk over de economie beschrijft ze alle gevolgen van de neoliberale besparingsdrift, de afbouw van de verzorgingsstaat en hoe dit mensen in hun eigenheid raakt.

Tenslotte heeft ze het over het racisme en het kolonialisme, de vanzelfsprekende “superioriteit” van blanke/witte mensen (ik heb het moeilijk met die “witte” mensen: blank komt van het Frans, wit van het Engels, meer moet men daar m.i. niet achter zoeken). Ook blanken kunnen/moeten zich aanpassen aan de nieuwe tijd, we moeten leren aanvaarden dat er verschillen zijn en dat al die verschillende vrouwen zelf bepalen wat voor toekomst ze willen. “Wij van links” moeten daarom elkaar vinden in een gemeenschappelijke strijd tegen discriminatie, uitsluiting, islamofobie en racisme.

Maar wat is socialisme?

De hamvraag staat in hoofdstuk tien, stukjes van antwoorden worden gegeven in de volgende twee hoofdstukken: want wat is dat nog vandaag “socialisme”? Is het niet dood? Nergens ter wereld is er een geslaagd voorbeeld van een werkelijk rechtvaardige samenleving. Links is dus zeker aan een herdefinitie toe. “Solidariteit” klinkt vandaag de dag stoffig in Nederland en de klassenstrijd lijkt uit een andere tijd te komen. Radicaal feminisme, radicaal antiracisme en antikapitalistisch feminisme zouden kunnen helpen om links weer op te bouwen, aldus Angela Davis. Bovendien is de klimaatverandering net zo racistisch als de eeuwen van roof, uitbuiting en vernietiging door het kolonialisme.

Meulenbelt pleit uiteindelijk voor een “alliantie van subversieven” en pleit voor sociale rechtvaardigheid en emancipatie. Ze bespreekt de voor- en nadelen van een identiteitspolitiek en probeert het ietwat moeilijker concept van “intersectionaliteit” te verdedigen. Het gaat er dan om niet enkel de hoofdtegenstelling te zien (klasse? Gender?…) en te vermijden dat mensen uit de boot vallen. We hebben allemaal een veelheid aan identiteiten en ze zijn allemaal contextueel bepaald. Niemand zou zich mogen opsluiten in een zelfgekozen ghetto. Daarom moeten we simultaan ijveren voor alle vormen van gelijkheid.

Anja Meulenbelt pleit voor een hernieuwd feminisme, een beweging die leert van het antiracisme, het feminisme en het socialisme maar geeft toe geen strategie te kunnen voorstellen.

Voorzichtigheid

Dit is een boek dat hoop geeft, en dat doet goed. Instemmend knikken op elke bladzijde betekent echter nog niet dat men het met alles volmondig eens is. Vandaar toch een paar vragen.

Ik was geweldig blij om te lezen dat ook Anja Meulenbelt zich afvraagt wat het nu precies betekent om “links” te zijn. Het is een vraag die zelden of nooit mag worden gesteld in dit land. Toch lijkt ze me van levensbelang voor de toekomst van links. Ik ben niet gehecht aan woorden, maar als we met “socialisme” vandaag iets anders bedoelen dan dertig, veertig jaar geleden, dan moeten we dat duidelijk kunnen maken en, of een ander woord kiezen.

Meulenbelt haalt scherp uit naar “het feminisme van rechts” en de “burgerlijke vrouwen” die aan de kant van het kapitaal staan. Daar kan je begrip voor opbrengen, maar toch lijkt het me beter nooit te vergeten dat ook die vrouwen gediscrimineerd en onderdrukt worden. Hun strijd is niet dezelfde als die van arbeidersvrouwen, wat niet betekent dat hun strijd waardeloos is. Ik vind het wél belangrijk dat vrouwen toegang krijgen tot hogere functies, en als we dan toch “intersectioneel” moeten zijn, dan past het m.i. de strijd van die rijkere vrouwen ook te erkennen.

Een tweede punt betreft precies die intersectionaliteit. Het is het nieuwe modewoord dat, m.i., toch ook risico’s in zich houdt. In een schitterend boek van twintig jaar geleden heeft Jean Curthoys uitgelegd hoe postmoderne feministen met hun vlucht vooruit in alsmaar abstractere vormen van theoretisering de uitgangspunten zelf van het feminisme uit het oog zijn verloren. Het gaat over bevrijding en emancipatie, en daarom is het volkomen onbelangrijk wie er spreekt en vanuit welke identiteit, op voorwaarde dat de boodschap die hoofddoelstellingen vooraan plaatst.

Ik zie in de redenering van Meulenbelt én en bij de intersectionaliteitsdenkers dan ook een risico dat door alle problemen van klasse, gender en racisme door elkaar te klutsen, het feminisme zelf weer ondergesneeuwd raakt. In haar laatste hoofdstuk ziet Meulenbelt het neoliberalisme als het eerste obstakel voor haar hernieuwd feminisme. Ik geloof dat niet. Het neoliberalisme moet weg, laat daar geen twijfel over bestaan, maar de grootste hinderpaal voor de emancipatie van vrouwen blijft de machtsrelatie tegenover mannen, en mannen, zoals ze zelf ook zegt, zijn het slachtoffer van hun mannelijkheid. Een hernieuwd feminisme moet daarom, m.i., werken met mannen én vrouwen, en die machtsrelatie én die mannelijkheid bespreekbaar maken. Intersectionaliteit is nuttig en nodig, maar vrouwen moeten opletten dat ze hun strijd niet eens te meer ondergeschikt maken aan de door mannen beheerste klassenstrijd en het door mannen gevoerde racismedebat. We kunnen beter. Gendergelijkheid is niet synoniem met socialisme, noch met diversiteit.

Feminisme. Terug van nooit weg geweest
Anja Meulenbelt
EPO
2017
198
Francine Mestrum is doctor in de sociale wetenschappen en doet onderzoek naar sociale rechtvaardigheid, ontwikkeling en samenwerking, armoede, ongelijkheid en mondialisering. Zij is voorzitter van het mondiale netwerk van Global Social Justice (www.globalsocialjustice.eu) en werkt momenteel aan een project voor ‘social commons’ (www.socialcommons.eu ) voor een transformatieve en universele sociale bescherming.