De Messias en zijn profeet

Facebooktwittergoogle_plusmail

Door vele van zijn tijdgenoten werd Frans van Cauwelaert in blinde verering op de handen gedragen, door vele anderen bitter verguisd. Maar dat hij in de eerste helft van de twintigste eeuw een mee-bepalende rol heeft gespeeld in de Belgische en Vlaamse politiek kan niet worden ontkend. De Leuvense historicus Lode Wils schreef – na zijn emeritaat ! – een biografie van de man in vijf kloeke delen. Om vele lezers het doorworstelen van die vijf delen te besparen was het een uitstekend idee dat indrukwekkende materiaal te herleiden tot een politieke biografie in één kanjer van net geen duizend bladzijden.

Naar aanleiding van dit nieuwe boek werd (weer) her en der betreurd dat Van Cauwelaert nog nergens in Vlaanderen een standbeeld heeft gekregen. Of die zes boeken (en meer bescheiden ouder werk van andere auteurs) volstaan als compensatie mag een open vraag blijven. Er staan standbeelden voor minder verdienstelijke figuren, er ontbreken er heel wat voor mensen die het minstens evenzeer verdienen. En hoe relatief zo’n eerbetoon in brons of steen is, wordt pijnlijk geïllustreerd door beelden van Leopold II en de discussies daaromtrent. Pijnlijker nog: op steen of brons heeft ‘de tand des tijds’ vaak minder effect dan op het collectieve geheugen van een gemeenschap.

Ooit werd Frans van Cauwelaert door een enthousiaste aanhanger bejubeld als ‘de Messias van Vlaanderen’, een eretitel die Wils graag en herhaaldelijk in herinnering brengt. Maar als je nu, meer dan een halve eeuw na zijn dood, aan jonge universiteitsstudenten die zich niet specialiseren in geschiedenis van Vlaamse beweging of christendemocratie zou vragen wie die Van Cauwelaert was of wat hij betekende, zouden ze vermoedelijk met de mond vol tanden staan.

De Messias

In sneltreinvaart even het geheugen opfrissen dus. Geboren in 1880, boerenzoon uit het Pajottenland, op kostschool in Hoogstraten grondig besmet met een christelijk en Vlaams strijdend virus, ontpopte Frans van Cauwelaert zich als universiteitsstudent in Leuven snel tot een steeds gezaghebbender stem in het cultuurflamingantisme rond de vorige eeuwwisseling. Aanvankelijk mikte hij – als pupil van monseigneur Mercier, jawel – op een academische carrière. Maar toen dat na vergeefse pogingen niet lukte, liet hij zich door dr. Van de Perre overtuigen om via de uitlopers van de Antwerpse Meetingpartij een parlementszetel te ambiëren. En te veroveren. Dat was in 1910; hij zou parlementslid blijven tot aan zijn dood in 1961.

Nog voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog verwierf hij grote bekendheid omdat hij zich samen met twee andere Antwerpse parlementsleden (de liberaal Louis Franck en de socialist Camille Huysmans) opwierp als ‘de drie kraaiende hanen’ die overal in Vlaanderen ageerden voor de vernederlandsing van de univeriteit van Gent.

Van Cauwelaerts parlementaire loopbaan werd wel onderbroken door twee wereldoorlogen, die hij respectievelijk in Nederland en in de VSA doorbracht; maar zijn politieke activiteit was in die periode niet geringer. Integendeel. Met name tijdens de Eerste Wereldoorlog speelde hij (vanuit Nederland, met herhaalde bezoeken aan de onbezette Westhoek) een belangrijke rol, vooral dan als fel tegenstander van de ‘activisten’ die met Duitse steun een aantal flamingantische eisen verwezenlijkten, zoals de vernederlandsing van de Gentse universiteit en de ‘bestuurlijke scheiding’ tussen Vlaanderen en Wallonië (wat nadien federalisme zou heten).

Van Cauwelaert trok daarentegen de Belgische kaart. Met zijn blad ‘Vrij België’ bestreed hij bij de Belgische vluchtelingen in Nederland de invloed van de activisten; en via contacten met gezaghebbende katholieke ministers en intellectuelen probeerde hij van koning Albert I en van de oorlogsregering toezeggingen te verkrijgen dat na de bevrijding op elementaire Vlaamse eisen zou worden ingegaan.

Maar net als de beweging van Vlaamse frontsoldaten kwam de katholieke politicus van een kale kermis thuis. Vage verklaringen kwamen er wel, harde beloften nooit. En na de oorlog had een nefaste combinatie van zegedronken Belgisch nationalisme én Vlaams diskrediet vanwege het activisme tot gevolg dat jarenlang van Vlaamse verwezenlijkingen nauwelijks sprake kon zijn. Maar Van Cauwelaert werkte gestaag door, versterkte met ‘zijn’ Katholieke Vlaamse Landsbond de Vlaamse vleugel in de katholieke partij, en lag aldus mee aan de basis van een reeks belangrijke taalwetten.

Tegelijk bewees hij dat hij ook onbetreedbaar geachte paden dierf verkennen, door in Antwerpen een bestuurscoalitie (destijds afgeschilderd als ‘mystiek huwelijk’) te vormen met de socialisten, lang voor dat op nationaal niveau werd geprobeerd. Hij werd burgemeester van 1921 tot 1932, toen de socialisten van coalitiepartner wisselden en Huysmans zijn plaats innam.

Stap voor stap was Van Cauwelaert ook op Belgisch niveau ‘incontournable’ geworden. Hij werd in 1934 minister in opeenvolgende regeringen, maar moest in 1935 opstappen omdat hij vanwege familiale belangen betrokken raakte in een politiek-financieel schandaal. De oude politieke wijsheid dat je gevaarlijkste vijanden in je eigen partij zitten, werd overduidelijk toen de krant ‘De Standaard’, die hij zelf mee had opgericht maar die in handen was gekomen van zijn politieke rivaal Gustaaf Sap, hem liet vallen.

Het waren echter hoegenaamd niet alleen interne politieke intriges die hem parten speelden. Uit de afgrondelijke teleurstelling van de ‘Fronters’ (die zich door de koning verraden voelden) en uit de verbittering van de activisten (die zich onterecht zwaar gestraft voelden) was na de oorlog een radicaal Vlaams-nationalisme gegroeid waarvoor Van Cauwelaert als veel te braaf en toegeeflijk gold. Dat de Belgische machthebbers steevast too little and too late toegaven aan Vlaamse eisen voor rechtsgelijkheid, speelde die radicalere stroming uiteraard in de kaart. Voor talrijke voormalige medestanders en bewonderaars werd de messias nu de “grootste teleurstelling”.

Inzake gelijkberechtiging van het Nederlands werd nochtans wel het Vlaamse ‘minimumprogramma’ gerealiseerd; maar aan de reëel bestaande machtsverhoudingen in België veranderde dat in wezen niet veel. Het is een merkwaardige paradox: juist terwijl hij in de jaren ‘dertig veel van zijn Vlaamse dromen realiseerde, verloor Van Cauwelaert zijn aureool bij de ‘maximalisten’, die steeds sterker werden, en… steeds verder afdreven in autoritaire richting.

Zijn gematigde opstelling en zijn bedrevenheid in het aangaan van tactische allianties leverden Van Cauwelaert in elk geval nog voldoende politieke steun op om in 1939 voorzitter te worden van de Kamer. In die functie speelde hij in Limoges een rol in het ontstaan van de Koningskwestie, en na de bevrijding van België in de afhandeling daarvan. In 1954 verloor hij het voorzitterschap van de Kamer; maar hij bleef daar wel zetelen tot aan zijn dood (in 1961), waarna hij werd opgevolgd door die andere rabiate anti-federalist, Leo Tindemans.

De profeet

Anders dan heroïsche standbeelden kan een ernstige biografie ook genuanceerd aandacht vragen voor de ‘kleinere kanten van grote mannen’. Dat heeft zelfs Wils – eventjes – gepresteerd. Hoezo “zelfs” ? Omdat de hooggeleerde heer graag aan vakgenoten verwijt dat zij zich door sentimenten en ressentimenten en/of door idelologische afkeer of sympathieën laten beïnvloeden, maar ondertussen zelf in hoge mate aan dat euvel lijdt. Daarom is het onontbeerlijk niet alleen de figuur van de ‘messias’ te belichten maar ook die van zijn profeet.

En jawel: toen professor emeritus Lode Wils eind mei in de pompeuze trouwzaal van het Antwerpse stadhuis zijn jongste kanjer voorstelde, klonk zijn stem nog precies zoals toen hij (zesenvijftig jaar geleden) voor het eerst in de Leuvense grote aula doceerde. Iets minder krachtig misschien, maar niet minder gedreven. En niet minder gelijkhebberig.

Want Wils heeft zichzelf als historicus een grote / grootse opdracht gegeven: de geschiedschrijving van de Vlaamse beweging ontdoen van allerlei mythes die daarin zijn geplant door snode anders-dan-hijzelf-denkenden. In minder academisch versluierde taal waarvoor ook de eminente emeritus zelden terugschrikt : de leugens ontmaskeren waarvan nationalisten en vrijzinnigen van vroeger en nu politieke munitie poogden en pogen te maken.

Dat hij in het vervullen van die opdracht in de voorbije zestig jaar een indrukwekkend oeuvre bij elkaar heeft geschreven én bij vele vakgenoten groot gezag heeft verworven is onmiskenbaar. Onmiskenbaar is ook dat hij bij historici (en andere lezers) die zijn uitgesproken christendemocratische sympathieën niet delen, toch with due respect behoorlijk omstreden blijft.

Voor alle duidelijkheid: de cruciale vraag is niet of een historicus (m/v) al dan niet een eigen mening mag hebben; de vraag is in hoeverre die eigen mening zijn kijk op de geschiedenis kleurt, en of een auteur daarover ook open en eerlijk is. Want

mede onder invloed van de eigentijdse sociale wetenschappen én van menige ‘Historikerstreit’ is het inzicht gegroeid dat in geschiedschrijving (evenals in andere sociaalwetenschappelijke analyses) de feiten hoegenaamd niet zomaar “voor zichzelf spreken”. Wie uit de immense hoeveelheid beschikbaar feitenmateriaal een min of meer samenhangend en ‘leesbaar’ verhaal wil te voorschijn brengen moet onvermijdelijk sommige feiten selecteren en andere ter zijde laten, sommige krachtlijnen beklemtonen en andere minimaliseren of verwaarlozen. En dan is het goed dat een auteur erkent welke criteria hij bij die selectie heeft gehanteerd.

Bij Wils kan geen twijfel bestaan over het uitgangspunt van waaruit hij ruim anderhalve eeuw Belgische / Vlaamse geschiedenis bekijkt. Ietwat oneerbiedig vereenvoudigd luidt dat: in die geschiedenis komt alle heil van de Vlaamse christendemocraten, alle onheil van de ‘linksen’. Waarbij Wils die term meer dan een halve eeuw nà de laatste schoolstrijd, die hem kennelijk zwaar heeft getraumatiseerd ! – nog steeds hanteert voor ‘vrijzinnigen’, om het even of die nu liberaal of socialist waren.

Het gaat eigenlijk om meer dan een standpunt: in vele van zijn geschriften wordt Wils te vaak (zoals een eminente collega-hoogleraar het uitdrukte) pleitbezorger in plaats van chroniqueur. Op die manier – én door de ‘tsjeverige’ toon waarop hij vervolgens polemiseert met wie hem om zijn vooringenomenheid bekritiseert brengt hij zélf serieuze schade toe aan zijn reputatie als historicus. Zo valt hij net iets te vaak uit zijn wetenschappelijke rol met smalende bedenkingen die historiografisch overbodig zijn en alleen ’s mans sjagrijnige gelijkhebberij pijnlijk illustreren. Dat is niet alleen jammer; het werkt bij een goed geïnformeerde lezer ook contraproductief. Gelukkig komen in deze ‘verkorte’ politieke biografie slechts een tiental flagrante passages van dat soort voor; daardoor wordt het monument niet àl te zeer ontsierd.

Monument

In ernst: los van de vraag of de (té ?) brave man nu al dan niet een monument verdient, is dat monumentale biografische werk in elk geval erg leerrijk. Dank zij én ondanks de auteur, en vanwege de samenhang tussen beide redenen.

Voortbouwend op veel eigen werk en op het omvangrijke archief dat Van Cauwelaert achterliet, heeft Wils een uitvoerig en genuanceerd portret geschilderd waarin hij ook van zijn bewondering geen geheim maakt. Tegelijk maakt hij met occasionele onwetenschappelijke uitingen van sentimenten en ressentimenten de wakkere lezer – allicht ongewild – ook duidelijk met wat voor bril dit boek moet gelezen worden. Zoals een goede zonnebril beschermt tegen UV-stralen, zo moet men bij het lezen van Wils door diens zelf-opgelegde christelijk-Vlaamse oogkleppen heen kunnen zien.

Wanneer dat is gebeurd, kan ook de verdienste van Wils’ werk erkend worden, juist omdat hij tot slot – en terecht – de kernvraag opwerpt die Van Cauwelaert heeft belichaamd voor ettelijke generaties: de o zo moeilijke verhouding tussen wat wenselijk is en wat mogelijk is, tussen omvattende idealen en fragmentaire realisaties.

Wat betreft de verwezenlijking van een minimumprogramma aan Vlaamse eisen heeft Van Cauweaert tot in het interbellum ongetwijfeld een doorslaggevende rol gespeeld. In de bewogen omstandigheden van voor, tijdens en na Wereldoorlog I was dat een grote en onmiskenbare verdienste. En die wordt toch niet zomaar ongedaan gemaakt door de kritiek dat het ook “meer had mogen zijn”.

Zijn evaluatie van – pardon: zijn bewondering voor – Frans van Cauwelaert stoelt Wils op een uitspraak van zijn beroede Franse vakgenoot Fernand Braudel over “de echte man van de daad”. Dat is iemand die “in staat is om de beperkingen van zijn mogelijkheden in te schatten, verkiest om binnen deze beperkingen te blijven en juist zijn doel tracht te bereiken door gebruik te maken van de zwaartekracht van wat onvermjdelijk is. Elke inspanning die tegen het heersende tij van de geschiedenis ingaat – en dat is niet altijd even gemakkelijk waar te nemen – is bij voorbaat gedoemd te mislukken”.

Dat is een bedenking die zeker tot nadenken stemt voor wie de geschiedenis van de Vlaamse beweging(en) overschouwt. Maar ontdaan van haar welluidende retoriek komt ze in feite neer op een ‘petitio principii’, een herhaling van het fundamentele probleem: het inschatten van “de zwaartekracht van wat onvermijdelijk is” en van “het heersende tij van de geschiedenis” is en blijft een subjectief oordeel. Logisch even subjectief is dus ook Wils’ slotregel, die Van Cauwelaert ziet als “inderdaad de grootste figuur uit de geschiedenis van de Vlaamse beweging”.

Na een meer kritische en evenwichtige lectuur van die geschiedenis is men veeleer geneigd terug te grijpen naar een uitspraak van Jean-Baptiste Nobels, katholiek parlementslid uit het Waasland, die het (kort voor Wereldoorlog I) over de vernederlandsing van het secundair onderwijs aan de stok kreeg met Van Cauwelaert, en zijn standpunt toen rechtvaardigde als “belge avant d’être flamand, et catholique avant tout”. Die omschrijving is, ironisch genoeg, evenzeer van toepassing op de messias en zijn profeet.

Frans van Cauwelaert. Politieke biografie
Lode Wils
Doorbraak Boeken
2017
983