De commons: een nieuwe horizon of een nieuw feodalisme?

OLYMPUS DIGITAL CAMERA
Facebooktwittergoogle_plusmail

Enkele bedenkingen bij het Commons Transitieplan van Michel Bauwens voor Gent

Toen Michel Bauwens zijn eerste Nederlandstalig boek kwam voorstellen in Brussel was ik er bij. Ik heb een grote belangstelling voor alles wat met commons te maken heeft en als iemand komt vertellen dat dit tot nieuwe productiewijzen en tot een overstijging van het kapitalisme kan leiden, dan is de positieve vooringenomenheid groot.

Het werd een beetje een koude douche want de gaten in de redenering bleken vrij groot. Kort samengevat: als iedereen van goede wil is en een ander economisch systeem wil, dan kan dat uiteraard vrij snel gerealiseerd worden. Maar willen alle “commoners” dat? Wat als er conflicten ontstaan? En wat als er ni­et aan één zeel getrokken wordt maar er tegenstrijdige belangen optreden? En wat met diegenen die niet meedoen?

Ik heb sindsdien alles op de voet gevolgd wat Michel Bauwens schreef, heb ettelijke e-mail gedachtewisselingen met hem achter de rug, en heb lang zeer veel moeite gehad om precies te begrijpen wat hij bedoelde.

Met dit in het achterhoofd is het nieuwe Commons Transitieplan dat Bauwens schreef voor de stad Gent een echte verademing. Het is helder en duidelijk en geeft precies aan wat de bedoeling is: een onderzoek “naar een potentieel nieuwe politieke, faciliterende en regulerende relatie tussen de lokale Gentse overheid en haar burgers om een verdere ontwikkeling van de commons mogelijk te maken”.

De commons worden ook meteen helder gedefinieerd: “een gedeeld materieel of immaterieel goed dat gedragen, beschermd of geproduceerd wordt door een gemeenschap, in een stadscontext vaak door burgercollectieven, en beheerd wordt door de regels en normen van die gemeenschap… De commons staan los van maar hebben natuurlijk wel relaties met de markt en met de staat”.

 

Een pragmatische aanpak

 

Het rapport begint met een inleidend en uitleggend hoofdstuk, over wat commons precies betekenen, een typologie en de uitdagingen die ze stellen voor markt, overheid én voor het klassieke middenveld. Commons, aldus het rapport zijn belangrijk voor de ecologische transitie, voor locale werkgelegenheid, voor zinvolle arbeid en voor de versterking van de democratie en de participatie.

 

De concrete voorstellen die worden geformuleerd komen al eerder voor in Bauwens werk: het oprichten van een staten-generaal van de commons (een assemblee), met daarnaast  een “chamber of the commons” waarin de economische initiatieven vertegenwoordigd zijn. Voor de stad wordt gepleit voor een “Stadslabo” dat initiatieven kan ondersteunen, een “poly-governance” structuur met vertegenwoordigers van de overheid, de civiele maatschappij en de markt, en daarnaast een reglement om commonsakkoorden af te sluiten. In het rapport wordt ook gepleit voor een bank voor de commons.

 

Het is een positieve en pragmatische benadering die ten volle kan gesteund worden. Twee punten wil ik hierbij onderstrepen.

 

Er is voor het eerst in Bauwens’ werk een duidelijke definitie van commons. Hoewel ze voor veel mensen in de commonsbeweging problematisch kan zijn is dit van groot belang omdat mensen dan tenminste weten waarover gepraat wordt. In oudere teksten van Bauwens wordt vaak een semantisch gevecht geleverd om P2P-praktijken (peer-to-peer, ofte horizontaal georganiseerde productie in zelfbeheer) en commons uit elkaar te houden en om het verband tussen beide te verhelderen.

Ten tweede is er het punt van de institutionalisering, hoewel ook hier een deel van de commonsbeweging zonder twijfel zal afhaken. Men kan uiteraard discussiëren hoe ver dit moet gaan, maar het lijkt me evident te zijn dat de overheid – op welk niveau ook – niet kan uitgeschakeld worden. Rechten moeten gegarandeerd worden en er is regulering nodig, want we kunnen toch niet aanvaarden, bijvoorbeeld, dat er burgerinitiatieven komen met crèches voor enkel blanke kindertjes? In de commonsbeweging wordt er vaak van uitgegaan dat alle banden met de overheid moeten doorgeknipt worden. De commons zijn van ons, zo heet het dan. In dit verslag wordt duidelijk gemaakt hoe de overheid een positieve en ondersteunende rol kan spelen en dat dit de vele initiatieven enkel ten goede kan komen.

Maar ook vragen

Wat niet betekent dat alles rozegeur en maneschijn is in de Gentse commonswereld.

Commons zijn geenszins een nieuwe praktijk. In het rapport ontstaat hier en daar de indruk dat Bauwens versteld staat van de veelheid aan reeds bestaande initiatieven en de vaak goede samenwerking met positief ingestelde stadsambtenaren. Het lijkt er soms op dat hij hier zelf kwam leren en vooral, dat veel van de bestaande initiatieven misschien zelf niet wisten dat ze aan commons werkten! Kortom, commons zijn een oude praktijk, vroeger vaak ondergebracht bij de non-profit of de sociale economie, maar zijn sinds kort is dit het nieuwe vertoog waarin verzetspraktijken zich herkennen, waarin wordt afgestapt van commerciële praktijken en waarin burgers inderdaad zelf het heft in handen nemen.

Met wat hier wordt beschreven gaat het nog uitsluitend over de lokale economie, ook al kunnen die initiatieven in een mondiaal netwerk zitten, cosmo-localisme noemt Bauwens dit. Er bestaan inderdaad al stedenallianties, zoals blijkt uit de conferentie van de “fearless cities” die enkele weken geleden in Barcelona werd gehouden. Het zijn verbanden waarin steden elkaar kunnen ondersteunen en versterken in het uitbouwen van een sterke en reële democratie met actieve burgerparticipatie.

Hoe nuttig en waardevol deze allianties ook zijn, men mag ze niet overschatten en men moet er vooral voorzichtig mee omspringen. Formeel gezien blijven de nationale staten het alleenrecht bezitten voor de internationale besluitvorming, en het zijn niet enkel burgers die hierover bezorgd zijn, maar vooral grote multinationale ondernemingen. Het komt hen erg goed uit om staten af te zwakken en tegelijk het platteland – waar het verzet tegen de neoliberale mondialisering het grootst is – uit de aandacht te houden. Stedenallianties zijn erg belangrijk maar mogen ons niet doen vergeten dat we ons moeten blijven inzetten voor mondiale, interstatelijke reguleringen voor het klimaat, de handel en de fiscaliteit. De articulatie tussen de verschillende politieke niveaus van besluitvorming is één van de belangrijkste uitdagingen voor iedereen die op zoek is naar alternatieven voor een betere wereld.

Een duidelijk voorbeeld hiervan is precies die ecologische transitie. Gent mag prachtige commons-initiatieven opzetten, maar wat als nauwelijks enkele kilometer verder, binnen de stadsgrenzen, een van de meest vervuilende staalbedrijven van Europa staat?

Een belangrijke vraag is daarom of deze commonspraktijken ook transformatief kunnen zijn. Bauwens heeft heel veel geschreven over hoe met P2P en commons een postkapitalisme in de maak is, iets waarover dit verslag helemaal niet praat.

Bauwens stelt vast dan er bij de honderden initiatieven die reeds eerder in kaart werden gebracht er weinig makersbedrijven zijn (wel productie van schoolmaaltijden, woningrenovatie, stadslandbouw en locale munten). Bauwens mikt vooral op de kenniseconomie en het Gentse verslag staat mijlenver af van de hoge ambities die Bauwens in andere geschriften laat zien.

Tenslotte blijft het rapport wel hier en daar redelijk abstract en kan ik me voorstellen dat niet iedereen er zich iets zal kunnen bij voorstellen. Er rijzen vragen die ook in het andere werk van Bauwens naar boven komen. Ik begrijp dat een rapport voor de stad Gent zijn beperkingen heeft, maar wat de plannen juist zijn kan ook voor Gentenaars belangrijk zijn om te weten, in welke richting ze ook gaan.

P2P en commons

Peer-to-peer productie (P2P) is makkelijk te begrijpen, het zijn mensen die gaan samenzitten – letterlijk of via de computer vanop afstand – om samen iets te bedenken en te maken. Ze werken niet met hiërarchische structuren, maar met een horizontale zelforganisatie. Maar waarom leidt dit automatisch tot commons? Hoe worden die commons dan gedefinieerd? Worden die producten ook verkocht? En waarom zouden die mensen niet moeten betaald worden? En waarom leidt dit alles tot nieuwe “ecosystemen”?

P2P zijn de “hoe” om te komen tot de “wat”, ofte de “commons”, aldus de uitleg. Maar veel meer definitie valt er niet te vinden, behalve dan dat het gaat om “gedeelde waarde(n)” en “gemeenschapsidentiteit”. Dat een P2P-samenwerking verschilt van de klassieke economie is duidelijk, maar is het verschil met de coöperaties of de sociale economie even scherp?

P2P, aldus Bauwens en medeschrijvers, is een sociale relatie én een technologische infrastructuur. Door het samengaan van die twee, ontstaat er een nieuwe productiewijze en een potentiële transitie naar een economie die generatief is voor mens en natuur. Op termijn leidt dat tot een grondige verandering voor menselijke samenlevingen. Het gaat uiteindelijk om het creëren en in standhouden van gedeelde hulpbronnen. Het verschil met vroeger zit hem in de consensus tussen de “peers” en de zelforganisatie.

Ik begrijp hieruit dat de computer centraal staat in deze werkwijze en dat die het mensen mogelijk maakt zich te organiseren. Dat klopt natuurlijk, hoewel mensen zich ook zonder computer of andere technologische middelen kunnen organiseren voor de productie van wat dan ook. Hoe die bijzondere sociale relatie – buiten markt en/of staat – tot stand komt, wordt niet verduidelijkt, maar laat ons aannemen dat mensen het goed met elkaar kunnen vinden en misschien zelfs een gemeenschappelijk doel hebben. Dat beperkt weliswaar de mogelijkheden om bij te dragen of niet bij te dragen tot zo’n groep van “peers”.

Ik begrijp ook dat dit enkel kan voor projecten die weinig startkapitaal nodig hebben, hoewel de mensen die er aan werken toch ook moeten zien te overleven. Op dit punt kunnen steden of een nationale overheid inderdaad helpen.

Zelforganisatie is een nobel doel, maar de werkers moeten toch verzekerd zijn tegen ongevallen, vergoed worden als ze ziek zijn en ook liefst niet aan zelf-uitbuiting doen. Hoe garandeer je dit?

Zelfs kleine groepen kunnen op mondiale schaal werken, aldus Bauwens, omdat computers die grootschaligheid mogelijk maken, ook zonder markt en zonder hiërarchie. Jawel, denk ik dan, misschien waar voor digitale producten, maar wat met materiële producten, in een textielatelier b.v.? Zal dat kunnen concurreren met de arbeidsters en de fabrieken in Bangladesh? Zullen de consumenten de P2P-bloesjes prefereren boven de veel goedkopere bloesjes van Primark?

Het prijssysteem van de markt wordt vervangen door wederzijdse coördinatie. Toegegeven, dat bestaat ook binnen het kapitalisme, maar, aldus Bauwens, het kan ook leiden tot nieuwe configuraties. Alweer dezelfde vraag: hoe en waarom?

Wel, het komt erop aan dat je tot “transvesteren” komt, en dat betekent dat niet het kapitalisme je commons projecten coöpteert/recupereert, maar dat het omgekeerde gebeurt en de commons-systemen het kapitalisme verdringen. Je kan op die manier van micro naar macro evolueren en een nieuw regime van waardecreatie doen ontstaan. Hoe zou waarde hier gedefinieerd worden? Je creëert gebruikswaarde, geen ruilwaarde, aldus Bauwens. Wat koop je voor die ruilwaarde? Nogmaals, hoe overleef je?

Hoe dan ook, dit verandert de toekomst van de mensheid, zo wordt gezegd. Commons Based Peer Production is een participatief proces van coordinatie met commons als output. Waarom? Hoe? Is alles wat peers maken dan per definitie een common?

Een beetje markt, een beetje kapitaal

Het wordt een beetje duidelijker als de instellingen van die nieuwe wereld – nieuwe ecosystemen (?) – worden besproken.

Boven de producerende peers, betaald of niet betaald, staan commons-georiënteerde bedrijfscoalities. Zij kunnen producten – op de markt – verkopen en met dat geld ook de producenten iets betalen. Ze werken generatief in plaats van extractief, wat betekent dat ze meerwaarde creëren voor de samenleving of voor het milieu. En daarboven staan de “voordeelverenigingen” (non profit dus), meestal stichtingen die zorgen voor het bestuur, het in stand houden van de infrastructuur en de bescherming van de commons met “licences”. Dus toch wat kapitalisme, of niet? En kan je, buiten de zuivere kenniseconomie, niet-extractief produceren?

Als het de bedoeling is, zoals Bauwens Erik Ohlin Wright citeert, het kapitalisme te temmen en te eroderen, waarom dan niet blijven werken met de oude formule van de zelf-georganiseerde en zelf-bestuurde coöperaties? En de werkers gewoon en eerlijk betalen en verzekeren? Waarom die omweg langs commons?

Bauwens gaat ervan uit dat er met zijn systeem vanzelf een nieuw soort staat zal ontstaan die dank zij de druk van de commoners ook geld en ondersteuning kan bieden. En dat we weliswaar, zo staat ergens in een halve zin, de verzorgingsstaat nodig hebben, gericht op de burgers, maar dat we ook aan “predistributie” in de vorm van een basisinkomen moeten doen. In het Gentse rapport wordt van een “transitie-inkomen” gesproken. Maar de verzorgingsstaat gaat natuurlijk niet enkel over herverdeling. En waar haalt de Staat de middelen vandaan? Zullen die commoners zoveel belasting betalen?

Meer democratie

Bauwens kent de digitale economie zeer goed. Hij gebruikt die kennis om verder te bouwen aan een “nieuw systeem” waarmee hij zichzelf helaas hopeloos vast praat in nodeloze vaak pseudo-wetenschappelijke jargontaal die meer moerassig dan ijzig glad is. Van karmascores naar phyles, stygmergische systemen en netarchisch kapitalisme met “new monastic individuals”. Terug naar de communes van vroeger? Met de hulp van technologie?

Er is vandaag, overal ter wereld, een drang naar meer democratie. Burgers zijn niet langer tevreden met het bestaande politieke bestel, de partijen en de verkiezingen. Ze willen meer inspraak en vooral, ze willen een rechtvaardiger wereld met een schoon milieu. Er valt dus inderdaad heel wat denkwerk te doen om formules en praktijken te bedenken en uit te proberen die aan die vraag kunnen voldoen.

De nieuwe commonsbeweging is een deel van het antwoord, hoewel er ook daar weinig nieuws onder de zon is en veel praktijken ook in het verleden al bestonden of vandaag enkel een antwoord zijn op de besparingsdrift van de regeringen. De “sociale innovatie” is er een goed voorbeeld van.

Bauwens verwijst graag naar de initiatieven in Bologna en Barcelona waar heel wat overheidsdiensten in de zorgsector door burgers zelf in handen zijn genomen en waar de stad inderdaad ondersteunt en financiert. Misschien is dit een goede oplossing, maar dat zal de toekomst nog moeten uitwijzen. Bovendien hebben we in dit land nog steeds vrij goed functionerende openbare diensten, die zeer zeker gedemocratiseerd kunnen worden en als commons kunnen beschouwd worden. Maar we hoeven ze daarom niet uit de handen van de overheid te halen. In de jaren ’80 ontstonden in Latijns Amerika tal van “burgerinitiatieven” – we noemden ze toen niet zo – van mensen, vooral vrouwen die wegens de schrijnende crisis collectieve keukens, schooltjes en gemeenschapscentra organiseerden. Ze verdwenen even snel als ze waren ontstaan, van zodra het ergste van de crisis voorbij was.

Dus ja, er is meer democratie en burgerparticipatie nodig, in het economisch leven en in de brede sector van de sociale bescherming, inclusief de milieubescherming. Met de commonsbeweging kan daar verder aan gewerkt worden en er moet vooral voor gezorgd worden dat men aan het strikt lokale kan ontsnappen. Ook de P2P van Bauwens kan ongetwijfeld interessante initiatieven opleveren, maar ze staan los van commons, dat blijkt ook uit het Gentse rapport. Want waar het over gaat is gewoon dat mensen, dank zij computers en internet (kapitalisme, toch?) op een andere manier kunnen gaan produceren en gemeenschappelijke kennis kunnen creëren, ze kunnen, zo ze dat willen, en ander soort sociale relatie uitbouwen, en ze kunnen, zo ze dat willen, zich horizontaal organiseren. Ze kunnen zelfs, zo ze dat willen, commons produceren, maar met b.v. mijn voorbeeld van het naaiatelier zie ik dat niet meteen zitten. De Gentse voorbeelden tonen dat ook aan.

Eén van de risico’s in het denken van Bauwens is dat hij in zijn drang het kapitalisme achterwege te laten, ook meteen de loonarbeid wil doen verdwijnen omdat het onvermijdelijk “dwangarbeid” is. Of met andere woorden, we werken dan allemaal als zelfstandige, wellicht zonder rechten en bescherming? Dat arbeid enkel emanciperend kan zijn als hij niet betaald wordt, lijkt me een gevaarlijke stelling.

Volgens Bauwens moeten we uiteraard het bewustzijn creëren bij de commoners dat ze commoners zijn. Want blijkbaar stappen ze in de nieuwe systemen zonder te weten waar ze aan beginnen? Het lijkt er op. Wat ik dan denk is dat de toekomstige slaven in het nieuwe feodale systeem de indruk moeten krijgen dat ze zelf voor dit systeem gekozen hebben en dat ze er perfect gelukkig in zijn. “Truly sustainable production”? Zeer zeker, maar voor wie?

Anti-moderniteit en spiritualisme

Het denken van Bauwens vertoont een paar gevaarlijke trekjes. Te graag verwijst hij naar de gilden van vroeger, naar pre-moderne samenlevingsvormen, naar groepen van gelijkgezinden die zich in een of andere politieke en sociale structuur opsluiten. Dit kan nooit naar een wereld van vrede leiden, wel tot nieuwe feodale structuren.

In het kapitalisme van vandaag werd de productiviteit al losgekoppeld van het inkomen, het aandeel van de lonen in het bruto binnenlands product daalt. Met de verdedigers van het basisinkomen wordt nu een nieuwe stap gezet om het inkomen eveneens los te koppelen van arbeid. In Bauwens’ systeem kan je werken zonder betaald te worden, terwijl het resultaat van die arbeid wel door bedrijven wordt verkocht, in zijn ogen weliswaar ethische bedrijven, maar de afstand tot een systeem van uitbuiting wordt wel erg klein. Dit is trouwens een deel van de verborgen logica van het basisinkomen, als de overheid een minimale tegenprestatie vraagt kan dat ook het inzetten van je energie voor privé-belangen zijn. Naast de bijna onvermijdelijke privatisering van sociale diensten, lijkt dit me een gevaarlijke economische agenda. Sociaal gezien betekent het hoe dan ook leven op de armoedegrens.

Als gevolg van zijn lang verblijf in Azië speelt spiritualiteit een grote rol in het leven van Bauwens. Hij gaat uit van de immense goedheid van alle mensen die zich verbonden voelen met “het geheel”. Bauwens wil een grote morele revolutie op basis van zijn P2P-spiritualiteit. Zijn ambities zijn mateloos en zijn geloof in de eigen mogelijkheid om ze waar te maken eveneens. “Bringing the gift of your unique self to the table of social change, which is what differentiates the western tradition from the eastern one”. Plaats dit naast de stelling van Zizek die zegt dat “western buddhism is establishing itself as the hegemonic ideology of global capitalism”.

Bauwens beweert de moderniteit te willen respecteren, de universele vrije keuze om in eender welk productieproces te stappen, de gelijkheid die ontstaat met het delen van de hulpbronnen, en de solidariteit van de wederkerigheid en de ethische relaties tussen mensen. Mooi. Waar die ethiek vandaan komt, hoe conflicten vermeden en opgelost geraken, hoe de aarde kan worden beschermd, we komen het helaas niet te weten.

Het is wellicht onvermijdelijk dat bij nieuwe en ambitieuze sociale en economische projecten het even kan duren eer alle stukjes van de puzzel in elkaar vallen. De vele contradicties die ik waarneem in het werk van Bauwens de afgelopen twee drie jaar kunnen er door verklaard worden. En, nogmaals, het Gentse verslag is helder en ontwijkt alle moeilijke punten die elders in zijn werk voorkomen. Wat me zorgen baart is wel de grenzeloze ambitie om tot een totaal nieuwe sociale orde te komen, wat uitermate utopisch lijkt. De combinatie van een grenzeloos vertrouwen in de technologie met spiritualiteit is zeer riskant.

De commonsbeweging is een zeer positieve ontwikkeling en moet zo veel als mogelijk gesteund worden. Zoals het Gentse rapport stelt: “Commons zijn niet enkel een hulpmiddel voor achtergestelde groepen van de bevolking, maar een dynamisch en economisch functionele sector, die bovendien essentieel is voor de toekomst van de maatschappij en de economie”. Toch mogen we er ok niet té veel van verwachten. De commons zullen het kapitalisme niet omver werpen. Tegelijk moeten we boven het lokale niveau zien uit te stijgen en moeten progressieven zich transnationaal organiseren. We mogen de wereld niet overlaten aan de Bloombergs en Gates van deze wereld, die hem nu trouwens al grotendeels in handen hebben. Het is een positieve ontwikkeling die wel heel makkelijk in zijn tegendeel kan kantelen.

 

 

Francine Mestrum is doctor in de sociale wetenschappen en doet onderzoek naar sociale rechtvaardigheid, ontwikkeling en samenwerking, armoede, ongelijkheid en mondialisering. Zij is voorzitter van het mondiale netwerk van Global Social Justice (www.globalsocialjustice.eu) en werkt momenteel aan een project voor ‘social commons’ (www.socialcommons.eu ) voor een transformatieve en universele sociale bescherming.