Veranderen of niet veranderen, dat is de vraag

Facebooktwittergoogle_plusmail

Een nieuw boek over het basisinkomen, het kan er nog bij. Zeker wanneer het is geschreven door één van de goeroes die de zaak al decennialang bepleiten.

En ik neem aan dat het normaal is dat ook intellectuelen, wanneer ze zich een mening vormen en argumenten uitbouwen, zich laten leiden door de situatie die ze het best kennen, die van hun eigen land, die van de regio’s of landen waar ze het vaakst komen. Het is de enige verklaring die ik vind voor de radicale stellingen van een Rutger Bregman die leeft in een land waar de verzorgingsstaat er al het bijltje heeft bij neergelegd, en dat Guy Standing stelt dat de sociale zekerheid niet langer functioneert en middelentoetsen paternalistisch zijn. Misschien is het omdat ik in België woon waar de sociale bescherming nog wél redelijk goed functioneert, dat ik denk dat ze ook best kan vernieuwd en verbeterd worden. Wie zal het zeggen?

Hoe dan ook, Guy Standing heeft het niet voor de verzorgingsstaat en het lijkt er op dat hij heel erg gebrand is op het systeem van sociale bijstand in het Verenigd Koninkrijk. Dat is begrijpelijk, maar het lijkt me ietwat overtrokken om van daaruit meteen de trein van het basisinkomen op te stappen. Het is een bezwaar dat ik tegen heel wat voorstanders heb: ze hebben best goede argumenten en wijzen terecht op soms ernstige sociale en politieke problemen, maar daarom is het basisinkomen niet noodzakelijk de enige en beste oplossing.

Met de definities van Standing zit het snor. Geen verwarring dus met de andere oplossingen, zoals de negatieve inkomensbelasting, het minimumloon of het gegarandeerd minimuminkomen. Hier en daar heb ik wel wat twijfel of de vele academici die hij aanhaalt en die achter een basisinkomen zouden staan, dat ook vanuit diezelfde definities doen.

Na het gebruikelijke historische overzicht geeft Standing zijn belangrijkste argumenten. Ze zijn sociale rechtvaardigheid, vrijheid en economische zekerheid. Ze worden elk in een apart hoofdstuk uitvoerig toegelicht. Daarna gaat hij kijken naar de economische argumenten (betaalbaarheid) en naar de gebruikelijke bezwaren die tegen het BI worden ingebracht. Volgt een hoofdstuk over werk en arbeid, over de alternatieven voor het BI die uiteraard zinloos zijn volgens hem, over de mogelijkheden van een BI voor het Zuiden, en over de vele experimenten die tot nog toe zijn uitgevoerd. Hier moet Standing wel toegeven dat die niet echt over een BI gingen, maar meestal over een minimuminkomen voor de armsten. Het laatste hoofdstuk tenslotte gaat over de manier waarop we een BI kunnen invoeren. De problemen zijn in hoofdzaak politiek, zo stelt de auteur.

Veel nieuwe ideeën heb ik in dit boek niet gevonden. Ik wil daarom in deze boekbespreking niet alle argumenten en tegenargumenten herhalen. Ik wil wel één punt behandelen dat deels ook voor andere werken over het BI gaan, met name de mogelijkheid en onmogelijkheid om dingen te veranderen. En tenslotte wil ik kort ingaan op een aantal bezwaren tegen het BI die nooit worden besproken. Ik vraag me dan af, zou het kunnen dat er iets juist in zit?

Geloven in verandering

De invoering van een basisinkomen wordt telkens voorgesteld als een belangrijke en noodzakelijke sociale hervorming. Het zal leiden tot een nieuw soort samenleving waarin mensen werken als ze daar zin in hebben, zich kunnen emanciperen met of zonder werk, een samenleving zonder stress, met zekerheid voor iedereen, waardoor er, in dit boek, meer aandacht zal zijn voor zorgtaken, er meer collectieve actie mogelijk wordt en er zelfs minder prostitutie zal zijn. Bovendien kan het de economische groei bevorderen.

Om zo’n basisinkomen in te voeren zijn er wel veranderingen nodig, in ons denken over de arbeidsmarkt – het idee van volledige werkgelegenheid moeten we opgeven – en vooral in ons fiscaal systeem. Het BI kan uit een kapitaalbelasting worden gefinancierd, hoewel Standing in dit boek vooral voorstander is van soevereine fondsen waaruit een klein BI kan betaald worden. Eén van zijn belangrijkste argumenten voor sociale rechtvaardigheid is dan ook dat we allemaal erfgenaam zijn van de collectieve rijkdom die onze voorgangers op aarde hebben verwezenlijkt. Dit is ook één van zijn argumenten tégen een gegarandeerd minimuminkomen. We hebben allemaal – arm én rijk – recht op een deeltje van de rijkdom die er is.

Progressieven vinden dit geloof in verandering per definitie geweldig. Maar sommigen, waaronder ikzelf, zijn dan wel verbaasd te merken dat dit niet veralgemeend wordt. Waarom zou de sociale bescherming niet eveneens kunnen veranderen en verbeterd worden? Waarom moet ze per definitie overboord?

Voor alle duidelijkheid: voor Standing moet de sociale bescherming niet in haar geheel verdwijnen, maar nergens wordt gesproken over mogelijke aanpassingen of verbeteringen.

Het voordeel van de beweging voor een basisinkomen is dat ze erg duidelijk de vinger heeft gelegd op de zere wonde van alle tekortkomingen in de sociale bescherming. Dat is zeer terecht en verplicht ons inderdaad om naar oplossingen te zoeken. Verder ben ik het persoonlijk ook helemaal eens met Standing dat de doelstellingen van sociale rechtvaardigheid, vrijheid en economische zekerheid zeer waardevol zijn. Van daaruit beslissen dat we “dus” naar een basisinkomen moeten, gaat me wel te ver.

Herhaaldelijk wijst Standing op het onaanvaardbaar paternalisme van de middelentoets in de bijstand. Wie de film “I, Daniel Blake” van Ken Loach heeft gezien, weet ook hoe bureaucratisch en onmenselijk het er in het Verenigd Koninkrijk aan toe gaat. Over al die dingen zijn we het eens.

Maar durft iemand beweren dat de sociale bescherming niet kan vernieuwd en verbeterd worden? Waarom moet die middelentoets zo onmenselijk zijn?  Waarom moet die drang om mensen aan het werk te krijgen zo hard zijn? Beschikken we niet over alle technologische middelen om het anders te doen? Kan de arbeidstijd niet drastisch verkort worden?

Nog twee opmerkingen in dit verband. Standing gaat – als voormalig, ambtenaar bij ILO (Internationale Arbeidsorganisatie) – uitvoerig in op het punt van werk en arbeid, nogmaals, volkomen terecht. Mensen verplichten om eerder welke job aan te nemen is inderdaad géén goede oplossing. Werk kan echter wel emanciperend zijn, een weg zijn naar volwaardige maatschappelijke integratie. Maar ook op dit punt kan Standing geen verandering zien. Hij stelt een groeiende precarisering vast, meer en meer tijdelijke en zeer kwetsbare baantjes die geen enkele zekerheid bieden. Moeten we dit als een onveranderlijk gegeven aanvaarden? Kunnen de vakbonden geen strijd voeren om het statuut, de verloning en de rechten van al die precairen te verbeteren? Waarom zou sociale bescherming vandaag niet langer mogelijk zijn?

Het tweede punt is die verdeling van collectieve rijkdom die ook als argument wordt aangehaald om een BI aan iedereen, armen en rijken, uit te betalen. Rijkdom is intrinsiek collectief, aldus Standing, maar we kunnen toch niet anders dan vaststellen dat het de rijken rijk zijn die zich het grootste deel van die rijkdom toeëigenen? En daarboven moeten ze een BI krijgen? En die toeëigening kan zonder slag of stoot veranderd worden? Zoals ook de invoering van een kapitaalbelasting en/of een soeverein fonds op wieltjes zal lopen? Dit zou verandering zijn, jazeker, maar het lijkt me niet meteen voor morgen.

Waarover men niet spreekt

Tenslotte wil ik hier nog twee argumenten aanhalen die nooit worden tegengesproken in de pleidooien voor een basisinkomen.

Het eerste is de structurele en collectieve solidariteit die de sociale bescherming ons biedt. We zijn in een samenleving solidair met elkaar zonder dat we elkaar hoeven te kennen. We betalen naar vermogen en krijgen volgens behoeften. Ik weet het, het systeem is verre van volmaakt, maar in sommige landen, zoals België, werkt het nog redelijk goed. Het kan dus en biedt een unieke combinatie van individuele vrijheid en collectieve verantwoordelijkheid. Het maakt dat wij in alle vrijheid toch een samenleving hebben.

Het tweede punt is het risico van nog meer precarisering met een basisinkomen. Als mensen een onvoldoende basisinkomen krijgen om van te overleven, zijn ze niet langer verplicht op zoek te gaan naar een voltijdse baan. De deur wordt dan wijd opengezet voor mini-jobs, voor tijdelijke en erg precaire baantjes die mensen een paar uur per dag of paar week bezig houden, naargelang het hen uitkomt en naargelang het de werkgevers uitkomt. Klusjes. Het fabeltje van de macht die werknemers daardoor zouden krijgen om hogere lonen af te dwingen gaat niet op. Ook bij Standing zullen migranten een poos moeten wachten om een BI te krijgen. Zij blijven dus beschikbaar op de arbeidsmarkt om al het vuile en onderbetaalde werk te doen.

En nog een laatste punt: Standing wijst er herhaaldelijk op dat mensen meer tijd zullen hebben voor allerhande zorgtaken, gemeenschappen worden versterkt, er zijn meer vrijwilligers én het is ook goed voor het milieu … er wordt zo op gehamerd dat er een bang vermoeden ontstaat dat Standing vooral de vrouwen weer in huis en gemeenschap wil houden.

Besluit

Dit is alweer een goed boek, met veel informatie en argumenten voor een basisinkomen. Wie er al in gelooft zal zich gesterkt weten. Maar hete blijft een kwestie van geloof.

Mijn grote vraag blijft daarom waarom dat basisinkomen er eigenlijk moet komen? Als we het eens zijn over de analyse, dit is de ernstige en verslechterende economische en sociale situatie, zowel als over de tekorten van de bestaande systemen van sociale bescherming, kunnen we dan niet op zijn minst de diverse mogelijkheden bespreken, de voor- en nadelen daarvan afwegen en ons afvragen of er geen tussenoplossingen mogelijk en wenselijk zijn?

Op het eind van zijn boek, in het besluit, lijkt Standing naar zo’n oplossing te willen gaan. Na driehonderd bladzijden bezwaren tégen sociale bescherming bepleit hij in feite een basisbescherming én een klein basisinkomen. Daar kunnen goede argumenten voor zijn, die we in dit boek echter niet te lezen krijgen – tenzij het de betaalbaarheid is -, maar het is een punt dat wel dringend moet besproken worden. Als het er enkel om gaat de bijstand te hervormen, dan staan we terug bij het startpunt: geef arme mensen geld, en neem het van de rijken in plaats van ook aan hen te geven. Waarvoor dient zo’n basisinkomen nu eigenlijk?

Basic Income: And How We Can Make it Happen Boek omslag Basic Income: And How We Can Make it Happen
Guy Standing
Pelican, Penguin Books
2017
Kindle
Francine Mestrum is doctor in de sociale wetenschappen en doet onderzoek naar sociale rechtvaardigheid, ontwikkeling en samenwerking, armoede, ongelijkheid en mondialisering. Zij is voorzitter van het mondiale netwerk van Global Social Justice (www.globalsocialjustice.eu) en werkt momenteel aan een project voor ‘social commons’ (www.socialcommons.eu ) voor een transformatieve en universele sociale bescherming.