Macron krijgt zwakke concurrentie

Vorig jaar betoogden de Fransen massaal tegen hervorming van de arbeidswet.
Facebooktwittergoogle_plusmail

De Franse parlementsverkiezingen van deze maand (11 en 18 juni) gaan het resultaat van de presidentsverkiezingen aandikken. Na zijn zege in mei, leek het dat president Emmanuel Macron links en rechts zou moeten vissen om aan  een  parlementaire meerderheid te geraken. Maar de concurrenten voor zijn ‘La République en Marche!’ zijn zo zwak, dat Macron hen als bedelaars kan wegsturen. Macron kan snel aan de slag, en die eerste slag gaat om de arbeidswetgeving. De vakbonden krijgen geen vakantie.

Troef

Macrons grootste troef: de concurrentie is bijna even zwak als bij het einde van de Vierde Republiek, in 1958.  Charles de Gaulle kreeg toen na zijn machtsgreep een parlement waarin de oppositie ver te zoeken was. Zoals Macron nu, had de Gaulle een partij die hem volkomen was toegewijd. De partijen die de dienst hadden uitgemaakt in de IVe Republiek kwamen er niet meer aan te pas. Alleen de communistische PCF overleefde de storm, de socialistische SFIO  verdween in 1971 in de nieuwe PS van François Mitterrand.

Deze keer hebben talrijke politici uit de stal van de Ve Republiek snel eieren voor hun geld gekozen. Sommigen, vooral uit de PS, kozen voor En Marche! terwijl ze nog formeel bij de PS zaten. De koplopers zijn beloond met ministerposten. Rechtse kopstukken, zoals huidig premier Edouard Philippe, namen gretig de aangeboden ministerportefeuilles aan, wie aarzelde had ongelijk, want na 18 juni heeft Macron hen waarschijnlijk niet nodig..

In het midden

Macron wordt gediend door het Franse kiessysteem. Als presidentskandidaat haalde hij in de eerste ronde 24 % van de stemmen. République en Marche moet niet zoveel meer halen om aan een ruime parlementaire meerderheid te komen. In 2012 haalde de PS met minder dan 30 % van de stemmen een volstrekte meerderheid.

Met de nieuwe regeling moet een kandidaat minimum 12,5 % van de ingeschreven kiezers halen om naar de tweede ronde te mogen. Er wordt een lage opkomst verwacht, in sommige regio’s nauwelijks meer dan de helft. Bij bij voorbeeld een opkomst van 60 %, moet een kandidaat minstens een vijfde van de uitgebrachte stemmen halen, om naar de beslissende ronde te kunnen. In de meeste kiesdistricten zijn er veel kandidaten, tot 25. Het wordt drummen.

Deze grote versnippering zal tot gevolg hebben dat er in veel gevallen slechts twee, hoogstens drie, kandidaten naar de tweede ronde gaan. Daar zullen weinig linkse kandidaten bij zijn, want links gaat erg verdeeld naar de kiezer. Tot in het absurde toe, met soms 12 (twaalf) linkse kandidaten per zetel, met 3 of 4 van uiterst-links, la Francer insoumise, 3 of 4 groenen, de PCF, de PS, divers links…. In zo een geval maken ze alle 12 weinig kans om door te gaan.

De ‘macronisten’ zitten op rozen, want in het midden. In het geval ze in een tweede ronde moeten uitkomen tegen een linkse kandidaat, zullen ze rechtse stemmen rapen, en winnen. En omgekeerd. In geval van een “triangulaire”, met nog drie overlevende kandidaten, zijn ze in de meeste gevallen ook in het voordeel, want de sterkste op eigen kracht omdat nogal wat kiezers vinden dat men de nieuwe president “een kans moet geven”.

Concurrentie

La République en Marche! zal dus waarschijnlijk niet zoveel zetels overlaten aan anderen.

Het uiterst-rechtse Front National (FN) had het nochtans goed gedaan in de presidentsverkiezingen, met Marine Le Pen die met 21 % was doorgestoten naar de tweede ronde. Haar nederlaag met 35 % in de eindronde heeft bij het FN echter de bestaande wonden opengereten. De “identitaires” zijn ongeduldig om af te rekenen met Florian Philippot, de nummer twee van de partij, die intussen een eigen beweging “Les Patriottes” heeft opgericht.

Twee strekkingen staan er nu duidelijk tegenover elkaar. Philippot die beweert de tegenstelling links-rechts te overstijgen met de tegenstellingen mondialisten-patriotten. Hij kan erop bogen dat die lijn voor succes heeft gezorgd in het noorden en noordoosten waar het FN nu zeer sterk staat. En dan is er de strekking rond Marion Maréchal-Le Pen, nicht van Marine Le Pen, die geen kandidaat meer is maar haar moment afwacht met haar project “l’union des droites”, de eenheid van rechts, het FN en een deel van klassiek rechts.

Rechts is daar ook over verdeeld. Een deel van Les Républicains (LR) zit al, samen met premier Philippe, in het kamp van Macron. Anderen, de mensen rond ex-premier Alain Juppé, wachten af, maar hebben misschien te lang gewacht, want Macron heeft hen wellicht niet meer nodig voor een meerderheid. Campagneleider François Baroin wil van samenwerking met Macron niet horen, maar pleit wel voor een strategie tegen het FN: overal in de tweede ronde het FN van de zege houden.  Laurent Wauqiez, chef van radicaal-rechts bij LR, is woedend, hij ziet die samenwerking met uiterst-rechts wel zitten.

Palliatief

Rechts trekt dus onderling verdeeld en ontmoedigd naar de kiezer. Rechts kan wel hopen het toch stukken beter te doen dan de PS, de partij die enkele jaren geleden het Elysée, de Assemblée, de senaat, bijna alle grote steden  en op één na alle regio’s van het land in handen had. De PS die  nu met lege handen zal staan. Ex-president François Hollande en zijn toenmalige premier Manuel Valls maakten van de PS een palliatieve partij. Ze trekt KO geslagen en  verdeelder dan ooit naar de stembus in de hoop nog enkele tientallen zetels te behouden. Maar 57, zoals in rampjaar 1993, lijkt deze keer hoog gegrepen.

Die PS maakt zich geen illusies meer, Macron heeft ze niet nodig. Hij heeft eerder al genomen wat bruikbaar was voor zijn En Marche!. De PS heeft zelfs de illusie niet meer dat ze oppositie zal kunnen voeren. Want op welke lijn, verdeeld en ontredderd zoals ze uit de presidentsverkiezingen is gekomen – 6,3 % voor haar kandidaat Benoit Hamon, het percentage dat Hollande wellicht zou hebben gehaald ware hij zelf kandidaat geweest.

De PS kan alleen maar hopen dat “omstandigheden” tot een heropleving leiden, zoals gebeurde na het debacle van de SFIO in 1969 (5% in de presidentsverkiezingen) of na 1993. Maar wie gelooft daar nog in. Zeker Martine Aubrey, burgemeester van Rijsel en een boegbeeld van de PS, niet meer. Ze huilt nu dat alles waar zij voor gestaan en gestreden heeft, naar de vaantjes is.

Insoumis

De PS heeft overal een pak min of meer linkse concurrenten. Soms van de groene EELV die zelf al even verdeeld en ontmoedigd is als de PS. Ze had bij de presidentsverkiezingen haar eigen kandidaat teruggetrokken om Hamon te steunen… Voorwaar geen succes. De EELV sleept zich van crisis naar crisis.

Jean-Luc Mélenchon, 19,6 % bij de presidentsverkiezingen, hoopt dat La France insoumise hetzelfde resultaat haalt voor het parlement en dé linkse oppositie kan worden. Maar dat lijkt erg hoog gegrepen, en zelfs als dat wordt benaderd, vertaalt zich dat niet in veel zetels. Mélenchon is sinds de presidentsverkiezingen krediet kwijtgeraakt. In plaats van die hoge 19,6% te beschouwen als een springplank om een sterke linkse oppositie uit te bouwen, stelde hij het zelf voor als een teleurstelling.

Daar bovenop kwam zijn sectaire houding tegenover de rest van links. Er is alleen plaats voor het etiket La France insoumise, moest onder meer de PCF – die strijdt om te overleven – ondervinden.  Dat is geen ideale start voor een sterke linkse oppositie tegen het te verwachten neoliberale beleid van de ploeg Macron en Philippe. Die PCF zelf kan alleen maar hopen enkele zetels te redden, maar zelfs dat is verre van zeker. Voor die partij luiden de doodsklokken al.

Arbeid

Een links antwoord zal nochtans dringend nodig zijn op de eerste golf hervormingen die nog eind deze maand van start gaat. Zoals hij in zijn campagne heeft gezegd, wil Macron snel met ordonnanties de arbeidswetgeving hervormen. Onder Valls was er al de hervorming van minister van Arbeid El Khomri geweest, doorgedrukt met artikel 49.3 om het verzet binnen de PS te smoren en de syndicale protesten te negeren. Nu zal het gebeuren met ordonnanties, wat grondwettelijk gezien kan, maar niet veel ruimte laat voor democratische overlegprocessen.

De nieuwe minister van Arbeid, Muriel Pénicaud,  en Macron zweren wel bij overleg. Er zal uitvoerig maar snel, vlak voor de vakantie, met de vakbonden onderhandeld vooraleer de ordonnanties te schrijven. Maar aan de kern ervan zal niet getornd worden. Een van die kernpunten is net als bij de wet El Khomri de hiërarchie van arbeidsovereenkomsten. In de filosofie van Valls en Macron moeten overeenkomsten op bedrijfsvlak voorrang hebben op sectoriële en nationale arbeidsovereenkomsten.

Dat is de droom van elke ondernemer. Want die gaat ervan uit dat het personeel van zijn onderneming bij onderhandelingen over loon en arbeidsvoorwaarden in een zwakkere, afhankelijker positie staat dan bij bredere onderhandelingen. Dat is zeker het geval in ondernemingen waar vakbonden zwak of zelfs niet aanwezig zijn.

CFDT

In Frankrijk is dat in nogal wat bedrijven het geval. De syndicalisatie ligt in de privésector op minder dan tien percent. Bovendien is de syndicale wereld heel erg verdeeld, in acht vakbondsfederaties die niet altijd aan hetzelfde zeel trekken. Vorig jaar ging de CFDT (Confédération Française Démocratique du Travail) grotendeels mee met het voorstel El Khomri, in ruil voor enkele toegevingen, zoals het niet plafonneren van ontslagvergoedingen bij onterecht ontslag.

Macron en Pénicaud rekenen sterk op de CFDT voor de verdere hervorming. De CFDT is ontstaan als afsplitsing in de jaren 1960 van de christelijke CFTC en ging de radicale toer op na Mei 1968 als de vakbond van het socialistisch zelfbeheer. Dat is allang vervlogen tijd, de CFDT is steeds meer gaan aanleunen bij de PS en zelfs bij rechts. De huidige leiding van de CFDT heeft alleszins weinig problemen met de aanpak van Macron.

In deze context van syndicale zwakte en verdeeldheid, is de nood aan  een sterk links politiek alternatief des te dringender. De kans dat dit uit de stembus komt, is gering, het alternatief zal vooral uit mobilisaties daarbuiten moeten komen. Mélenchon en La France insoumise hebben het voorbije jaar voor een sterk elan gezorgd, ze hebben de verantwoordelijkheid om daar verder op te bouwen en anderen daarin mee te trekken in plaats van ze uit te sluiten.

Freddy De Pauw was van 1972 tot 2002 redacteur buitenland bij De Standaard. Hij volgde jarenlang Centraal- en Oost-Europa, een groot deel van Azië (o.m. China) en Italië. Hij publiceerde o.m. bij het Davidsfonds ‘Volken zonder Vaderland’ over de ‘etnische kwesties’ in Centraal- en Oost-Europa; De firma maffia; Italië, moeder van alle smeer; Russische mafija; Handelaars in mensen; Maffia in België en Handelaars in nieuws over trens in de berichtgeving. Werkt sinds de start in 1999 mee aan Uitpers.