Inno 1967: het inferno dat niet zomaar een ‘technisch ongeval’ was

Facebooktwittergoogle_plusmail

Johan SWINNEN, Happening. De aanslag in de Inno, Antwerpen, Uitg. Vrijdag, 2017; 358 blz.

Geert DE VRIESE & Frank VAN LAEKEN, Inferno. De brand in de Innovation, Antwerpen, Houtekiet, 2017; 250 blz.

Siegfried EVENS, De brand in de Innovation. De geschiedenis van de ramp die België veranderde, s.l., Witsand Uitgevers, 2017; 455 blz.

Op 22 mei 1967 steeg boven het centrum van Brussel een geweldige, angstaanjagende rookwolk op : aan de Nieuwstraat stond het één-hectare grote Innovation-complex in lichterlaaie. Het inferno kostte het leven aan (wellicht) meer dan driehonderd mensen, en zou volgens de uiteindelijke officiële versie te wijten zijn geweest aan een jammerlijk “ongeluk van technische aard”. Vreemd, want uit tal van getuigenissen van overlevenden viel een heel ander verhaal te distilleren.

Nu ja, “geschiedenis is nooit geschiedenis” schrijft een gezaghebbend historicus. Dat geldt ook hier: de precieze toedracht van de catastrofale brand zorgt vijftig jaar nadien voor evenveel controverse als toen. Er is een boek (Evens) dat omstandig de officiële stelling probeert te staven; er is een boek (De Vriese & Van Laeken) dat de vraag open laat of het nu om een technisch falen ging, dan wel om een aanslag (maar wel tal van aanwijzingen opsomt voor die laatste hypothese), er is een boek (Swinnen) dat “in romanvorm, maar gebaseerd op stapels bewijsmateriaal” het verhaal achter de aanslag brengt. Een aanslag overigens, die kort nadien ook de voorlopers van de Duitse RAF (Rote Armee Fraktion) zou inspireren tot brandstichting in warenhuizen als ‘politieke happening’.

Opvallend is alleszins dat op deze vijftigste verjaardag de vraag naar de ware oorzaak van de brand weer helemaal wordt opengegooid. Bij eerdere verjaardagen overheerste daarentegen vooral het melodramatische register: emotionele getuigenissen van overlevenden, nabestaanden van slachtoffers, brandweerlui, verraste voorbijgangers. Pakkende beelden, nog grotendeels in zwart-wit. Maar weinig of geen onderzoek van de stapels gerechtelijke of andere dossiers die in de weken nadien werden aangelegd. Weinig of geen kritische vragen bij de officiële versie waarover de Inno-directie het al enkele dagen na de ramp eens werd met hooggeplaatste politici en magistraten … hoe onwaarschijnlijk die versie ook klonk.

Dat – of liever : waarom – ernstig en doorgedreven onderzoek naar andere dan ‘technische’ oorzaken al spoedig na de brand werd stilgelegd blijft dan ook een van de levensgrote raadsels in dit verhaal.

Eén element van het antwoord wordt in elk geval overduidelijk na lectuur van de diverse boeken: de verpletterende verantwoordelijkheid van de Inno-bazen en hun aandeelhouders. Want om het even of het nu om een “ongeluk van technische aard” ging of om een aanslag, in beide gevallen was het ontbreken van voldoende veiligheidsvoorzieningen verantwoordelijk voor de dramatische omvang van de ramp, met een dodentol die deze van de mijnramp in Marcinelle in 1956 wellicht nog overtrof. Dat de eigenaars van de Inno op zijn minst ‘schuldig door verzuim’ waren, valt uit alle rapporten van experts af te leiden. Althans: voor wie aandachtig – en desnoods tussen de regels – kan lezen. Want een expliciete en gerichte schuldtoewijzing staat er niet; en de Inno-bazen werden door de Belgische justitie nooit verontrust.

Tegenwoordig zouden woorden vallen als ‘omertà’ of ‘failed state’; destijds kwam het er – onder de beruchte premier Vanden Boeynants – vooral op aan zo snel mogelijk naar ‘business as usual’ terug te keren. Onder meer omdat daarbij ook verzekeringstechnische overwegingen een doorslaggevende rol speelden. Tegen een aanslag of ‘daden van terrorisme’ kon men zich toen in België niet verzekeren. De verwoestende brand én de schadevergoedingen aan slachtoffers en nabestaanden zouden met andere woorden voor de Inno het totale bankroet betekend hebben.
Reden genoeg dus voor zakenlui en beleggers om de hypothese van een aanslag naar de dubieuze sferen van complottheorieën te verdringen … hoewel de Inno-directie wel gewaarschuwd was. Nu ja, wat heet ‘gewaarschuwd’?

Even terug in de tijd. Halfweg de jaren ‘zestig van vorige eeuw stond in deze contreien de consumptiemaatschappij nog in de kinderschoenen, en werd (althans door mensen die daar hoog mee opliepen) vol bewondering gekeken naar de bakermat van alle klatergoud, de Verenigde Staten van Amerika. Dus vond de Inno-warenhuizenketen het een puik idee om die VSA even in de bloemetjes te zetten en allerlei VS-verschijnselen te gebruiken als magneet om klanten naar de eigen winkels te lokken, met name dan in de grote, nog door Horta gebouwde kooptempel aan de Brusselse Nieuwstraat.

Alleen voerden diezelfde VSA toen in Vietnam een niets-ontziende neo-koloniale oorlog waartegen in eigen land én overal in Europa steeds heviger protest rees. Tegen de veertiendaagse “US Parade” in de Brusselse Inno was al eerder in mei geprotesteerd, met pamfletten, voetzoekers en zelfs een heuse rookbom vlak voor de tegenoverliggende Finisterrae-kerk. Er waren ook ‘dreigbrieven’ gestuurd waarin de Inno-directie werd aangemaand die propaganda voor het moorddadige VS-regime te staken, of anders … Met die dreigbrieven was echter (uiteraard?) geen rekening gehouden. Niet eens omdat men inzake Vietnam zo fanatiek achter de VS zou staan, maar omdat dit alles werd afgedaan als stoerdoenerij van een handvol ‘geëxalteerde’ jongelui.

Hoewel (in die tijd uitgesproken rechtse) kranten als ‘Gazet van Antwerpen’ of ‘La Libre Belgique’ aanvankelijk bleven hameren op de vele elementen die in de richting van een aanslag wezen, draaiden ze nauwelijks een maand later plots bij, en meldden hun lezers nu dat de gerechtelijke politie niet meer geloofde in “kwaadwillig opzet”. In de daaropvolgende decennia hielden slechts enkele schaarse individuen koppig vol dat de mogelijkheid van een aanslag veel te snel was opgegeven door de onderzoekers. Hooguit een onderzoeksjournalist of een paar nabestaanden, die zich niet wilden neerleggen bij de officiële versie van Inno- of ander establishment.

Een van die nabestaanden is Johan Swinnen (thans hoogleraar-emeritus van de VUB), die in 1967 zijn beide ouders verloor in de brand. Maar, zo beklemtoont hij, bij zijn onderzoek en zijn boek werd of wordt hij niet gedreven door wraakzucht of door de wil om het hele gerechtelijk onderzoek te laten heropenen. Integendeel: het bij wijlen heftige protest tegen de Vietnam-oorlog vond en vindt hij volkomen gerechtvaardigd. Maar tegelijk wil hij duidelijk maken hoe dolgedraaide radicalisering sneller dan men voor mogelijk houdt kan uitmonden in blind negeren van redelijkheid en menselijkheid. Natuurlijk waren die brandstichters niet van plan honderden slachtoffers te maken. Maar ze waren wel bereid enkele levens (van anderen…) op het spel te zetten met hun actie ‘om de oorlog naar hier te brengen’.

Zelfs een halve eeuw later achten zij zichzelf “wel verantwoordelijk, maar niet schuldig”.
Hoe weet Swinnen dat? Omdat hij – dank zij jarenlang minutieus en vasthoudend onderzoek, veel geduld, en een heel delicate aanpak – tenslotte oog in oog heeft gezeten met de vrouw die zowat het brein achter de aanslag was. Lees: met iemand die mee-verantwoordelijk was voor de dood van zijn beide ouders. Dat moet je maar doen … op zo’n moment luisteren in plaats van schelden. En vervolgens de gedachten – én de politieke en menselijke vertwijfeling – van die ‘verantwoordelijken’ later een plaats geven in je boek.

De roman-vorm helpt daarbij wellicht, en is niet zomaar een truukje om je juridisch in te dekken. De roman-vorm is ook uiterst geschikt om te schilderen hoe een knaap van dertien het plotse verlies van beide ouders ervaart, en hoe hij later evolueert. Kortom: het boek is geen “ j’accuse “ maar drijft op heel veel empathie. Daarin onderscheidt het zich van beide andere. Het berust niet alleen op een minstens even gedegen dossierkennis als de andere, en is bovendien doorgedrongen tot de geestelijke wereld van de daders – al had die met de werkelijke wereld rondom hen niet veel meer te maken. Wie alleen belangstelling heeft voor de mysteries rond de catastrofe vindt hier wellicht teveel ‘gepsychologiseer’ of uitweidingen over fotografie (persoonlijke én professionele passie van de auteur) maar die geven de roman juist zijn eigen kleur.

Swinnens sleutelroman verdedigt onverschrokken de stelling van ‘een dramatisch uit de hand gelopen aanslag’; Evens’ boek (oorspronkelijk zijn masterproef geschiedenis) doet hetzelfde met de tegengestelde hypothese, en besluit op grond van deels dezelfde rapporten en getuigenissen dat het wel degelijk om een uit de hand gelopen technisch ongeval ging; maar hij beschikte natuurlijk niet over de krasse getuigenissen die Swinnen wist te bemachtigen. Bij De Vriese en Van Laeken duikt doorheen het hele boek om de haverklap telkens opnieuw één vraag op die door de auteurs terecht als fundamenteel wordt beschouwd: wat was de oorzaak? Zij blijven echter het antwoord schuldig, ondanks veel elementen die de officiële verklaring onderuit halen. Wellicht omdat zij wel met ettelijke mensen hebben gepraat (overlevenden, brandweerlui, Inno-woordvoerders) maar niet of nauwelijks met rechercheurs, laat staan met individuen die van de aanslag werden verdacht. Zij erkennen wel dat het een koud kunstje was (is?) om elementen uit de onderzoeksdossiers te laten verdwijnen.

Conclusie: nadat je nieuwe boeken en oude kranten hebt doorgenomen kan je als lezer moeilijk nog accepteren dat de ware toedracht een ‘open vraag’ blijft.