Als bedriegen, bedreigen en bestelen een beroep wordt

Facebooktwittergoogle_plusmail

Beste lezer, mag ik u iets persoonlijks vragen? Bent u al zover in uw leven dat u dagelijks een aantal door uw huisarts voorgeschreven medicijnen moet slikken? Of bent u klant bij Engie-Electrabel ? Dan moet u zeker het nieuwe EPO-boek ‘Lobbyen in de Wetstraat’ lezen.

Daarin duikt journalist Dominique Soenens onder in de schimmige wereld van hen die op allerlei manieren, onze sympathieke, door onszelf democratisch verkozen dames en heren politici zodanig het hoofd op hol brengen dat zij hun beslissingen niet meer nemen in ons algemeen belang, maar ten faveure van grote industriële belangen. Zoals daar zijn de grote (buitenlandse) energiebedrijven, de (buitenlandse) constructeurs van peperdure gevechtsvliegtuigen en de (buiten- en binnenlandse) farmaceutische bedrijven.

De wereld van de ‘lobbyisten’ dus. De meeste lobbyisten willen echter niet weten van die naamgeving. “Ik zou mezelf nooit een lobbyist noemen” titelt dan ook het tweede hoofdstuk van Soenens’ boek.

Met Baudouin Velge vond de auteur een uitzondering op de regel. “Het woord lobbyist heeft een negatieve connotatie, dat weet ik. Maar niet voor mij. Heel wat partijen doen het werk van een lobbyist – uitleggen, vragen beantwoorden, problemen formuleren en oplossingen aanreiken. Dat blijft niet beperkt tot bedrijven, zoals veel mensen denken. Vakbonden doen het ook, Greenpeace ook.” Aldus Velge die door Soenens omschreven wordt als “een doorwinterde lobbyist, met een adressenboekje dat tot in de hoogste regionen van de politieke en economische wereld in ons land reikt”.

Jeroen Wils dan weer – een voormalige VTM-journalist die nu werkzaam is bij Bepublic dat onder meer Facebook, Uplace en Pharma.be als klanten heeft – omschrijft zichzelf als een communicatie-expert. Iets wat lobbyisten en hun bedrijven wel vaker doen. Als licentiaat communicatiewetenschapen gruwel ik dan weer van die omschrijving want het is de heren en dames lobbyisten allerminst om echte communicatie maar om pure manipulatie te doen.

Dominique Soenens omschrijft het ‘vriendelijker’: “Lobbying is het proberen beïnvloeden van de politieke besluitvorming in functie van bepaalde belangen.”

Volgens Soenens is daar “op zich niets fout mee: vakbonden, milieugroeperingen, middenveldorganisaties, professionele lobbyisten, bedrijven, beroepsfederaties, ngo’s en denktanks, ze doen het allemaal. De een met petities, de ander met studies, nog een ander door rond de tafel te zitten met politici, ambtenaren of kabinetsmedewerkers. Niets mis mee. Andere koek is het als lobbyisten een onevenredig grote toegang hebben tot politici, kabinetsmedewerkers en beleidsmakers. Als bepaalde lobbyisten veel meer middelen hebben en zo andere belangengroepen met fluitend gemak overschaduwen. En als er beslissingen genomen worden waarbij sterkere lobby’s hun invloed weten door te drukken. Een belangrijk deel van dit boek gaat daarover: lobby’s die een buitenmatig grote invloed hebben op de Wetstraat, vaak buiten het zicht van pers en publiek.”

En uiteraard niet alleen op ‘de Wetstraat’, maar ook op ‘de Europese wijk’ of dichter bij huis, het stad- of gemeentehuis. Want gelobbyd wordt er overal. Waarom dan een boek over lobbying in de Wetstraat?

Soenens merkte hoe er veel te doen is rond lobbying naar de EU toe, maar hoe er “veel minder, om niet te zeggen geen aandacht is voor lobbying op Belgisch niveau”. Dus trok hij zelf op onderzoek uit, ook al omdat hij lobbyen “een fascinerend fenomeen” vindt. “Zeker vandaag en zeker in België. Ga maar even na: in ons land is het aantal communicatie- en pr-bureaus dat alle mogelijke vormen van communicatie voor bedrijven voor zijn rekening neemt, in tien jaar tijd verdrievoudigd. Wellicht speelt de ingewikkelde staatsstructuur en juridische omkadering daar een belangrijke rol in: het aantal politici en beleidsniveaus waarmee bedrijven te maken krijgen, is toegenomen. Alleen al domweg weten bij wie je terecht moet, vergt heel wat kennis. Maar het is een vaststelling die ook elders geldt: naarmate de rol van de overheid is gegroeid in de 20ste eeuw is het belang van lobbyen toegenomen en is ook het aantal lobbyisten gestegen. Waar meer belangen op het spel staan, wordt er meer gelobbyd. Logisch. Maar hoe wordt er gelobbyd? Wie zijn de lobbyisten die onze politici proberen te beïnvloeden? Welke middelen hebben ze? En hoe vaak slagen ze erin om hun doel te bereiken?”

Ziedaar enkele van de vele vragen waarop hij antwoorden zocht.

Onze u boeiende farmaceutische industrie: Noemen we haar niet beter ‘farmamaffia’?

“Te koop: patiënten- en artsenlobby” titelt het eerste hoofdstuk van zijn farma-deel. Daarin heeft Soenens het over hoe de farma-lobby in ons land er in slaagt om ook patiënten- en artsenverenigingen voor haar kar te spannen. Soms door zulke verenigingen zelf op te richten … Maar vaker door al bestaande verenigingen zoveel geld toe te stoppen dat die verenigingen niet anders kunnen dan hun mond te houden over hun gulle schenkers.

Soenens vermeldt onder andere de Reumaliga waarvan hij stelt dat die “meegefinancierd wordt door de farmaceutische sector. Net zoals heel veel andere patiëntenverenigingen, zoals de Diabetes Liga, Sensoa, Stichting tegen Kanker, Pink Ribbon en vele andere. In totaal stopten farmabedrijven patiëntenverenigingen in 2015 meer dan 1 miljoen euro (1.046.127) toe.” Officieel. “Het werkelijke cijfer ligt meer dan waarschijnlijk hoger.”

Behalve dokters en patiëntenverenigingen staan ook academici en onderzoekinstellingen op de betaalrol van wat we – anders dan Soenens die de term niet gebruikt – best de ‘farmamaffia’ noemen.

Die farmamaffia gebruikt lobbying vooral om twee doelen te bereiken:

1. Zoveel mogelijk mensen zoveel mogelijk pillen doen slikken zodat de farmabedrijven zoveel mogelijk winst kunnen maken. Of die pillen mensen echt helpen is daarbij bijzaak. Zie Soenens’ hoofdstuk “De strijd om uw cholesterol”. Een hoofdstuk dat verplichte lectuur is voor iedereen die cholesterolverlagers voorgeschreven krijgt. Om het kort te houden: je cholesterol kan je ook verlagen door gezonder te leven. En zo vermijdt je de ziekmakende ‘neveneffecten’ die ‘medicijnen’ haast altijd hebben. Het massaal gebruik van ‘statines’ om cholesterol te verlagen werd door de Amerikaanse cardioloog Peter Langsjoen omschreven als “de grootste massavergiftiging in de geschiedenis.”

2. Lobbying ook om van de overheid zoveel mogelijk subsidies en andere steun te ontvangen en vooral om liefst zo duur mogelijke geneesmiddelen zoveel mogelijk door het Riziv (Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering) te laten terugbetalen. “De in mist gehulde prijszetting in de farma” (Soenens vierde hoofdstuk) komt de pillenproducenten daarbij goed van pas.

Tot slot nog dit over ‘de farmamaffia’: geloof voortaan niets meer van wat je in de media aan positieve verhalen over medicijnen leest.

Ten eerste “gebeuren de meeste studies in de sector met geld van de industrie.” Cardioloog Peter Sinnaeve (UZ Leuven) vervolgt: “Dat farmaceutische bedrijven zelf onderzoek over hun producten sponsoren, is een veel voorkomende praktijk. (…) Ik schat dat het geldt voor 70 à 80 procent van de studies. En zelfs de studies die onafhankelijk lijken, hebben vaak nog een verborgen agenda.”

Ten tweede laten ook de media zich gebruiken voor de agenda van farmaceutische bedrijven die immers ook in die media reclame maken en daar aardige bedragen voor ter beschikking stellen.

Opletten is het verder ook met websites over gezondheid en/of medische kwesties die als men nauwer toekijkt, ook weer door één of ander farmaceutisch bedrijf gesponsord of opgezet blijken te zijn.

Vergeten we tot slot niet dat zoals Dominique Soenens het Test-Aankoop laat stellen, dat “België een land is waar de farmaceutische industrie goed vertegenwoordigd is.” Hoeveel farmabedrijven zijn er hier niet werkzaam? Met zijn allen vormen ze ook qua export en tewerkstelling, een machtige sector. Net als de biersector.

Bier- en farmamaffia. De éérste maakt ons als geen ander – meer nog dan de (buitenlandse) tabakssector die hier wel onder vuur ligt – ziek. Allebei houden ze ons ziek. Waarbij de tweede er wel voor zorgt dat we zo lang mogelijk ziek en dus ‘profiteerbaar’ kunnen zijn. Dat zijn dan voor alle duidelijkheid, niet Soenens woorden, maar ze komen wel in je hoofd op als je zijn onthutsend farma-deel aan het lezen bent.

Defensie blijft een ‘schaduwwereld’

Na het deel over ‘de farmamaffia’, volgt dat over de nucleaire industrie. Maar dat hou ik hier voor het laatst, om eerst het derde deel te kunnen toelichten. Het deel ‘Defensie’.

Daarin draait alles om de vraag: “Welk toestel volgt de F-16 op?” Soenens beschrijft over zo’n 66 pagina’s hoe in België (en daarbuiten) momenteel “Een leger van lobbyisten” aan de slag is om landen die een nieuw gevechtsvliegtuig moeten/willen kopen er van te overtuigen dat hun toestel het beste is.

Concreet gaat het om deze vijf toestellen: “de Saab Gripen E, de F-18 Super Hornet (Boeing), de Eurofighter Typhoon, de Rafale (Dassault) en de F-35, ook gekend als de JSF, de Joint Strike Fighter (Lockheed Martin).” Het zijn” volgens Soenens “vijf verschillende toestellen die aan verschillende doelstellingen tegemoetkomen. De Gripen E is de goedkoopste, de F-35 volgens velen de meest indrukwekkende, maar ook de duurste. En daarom voor sommigen ook het meest omstreden. Vraag is welke ambitie ons land heeft en welke doelstellingen het nastreeft. Een vraag die te maken heeft met de rol die België speelt binnen de NAVO en in Europa.“

Op die vraag gaat Soenens niet al te diep in want het is het lobbywerk voor de vijf toestellen waar het hem om te doen is.

“Met de aankoop is een pak geld gemoeid” schrijft hij. “Kolonel Harold Van Pee zegt op 24 februari 2016 in de Kamercommissie Defensie dat de aankoop van 34 nieuwe gevechtsvliegtuigen zeker 14,97 miljard euro zal kosten over een periode van veertig jaar, inclusief personeelskosten. De aankoopprijs zelf wordt geraamd op 3,6 miljard euro.”

Vandaar dat het niet mag verwonderen dat het kwam tot “lobbygeweld zoals in ons land nog maar zelden te zien was.” Vooral “de machtige lobbymachine van de F-35” (Lockheed Martin) maakt daarbij indruk.

Als gewone burger die niet bepaald dagdagelijks met gevechtsvliegtuigen te maken heeft, blijft dit deel van Soenens’ boek echter een wat “ver van ons bed”-gebeuren. Jammer overigens want van de apathie van de burger voor de technische en industrieel ingewikkelde kwesties die er komen piepen bij de aankoop van een gevechtsvliegtuig, maakt de vliegtuigindustrie handig gebruik.

Ik vroeg mezelf bij de lectuur van Soenens derde deel ook af, hoe je zo’n ‘verhaal’ boeiender zou kunnen brengen. Door er misschien meer de standpunten van de vredesbeweging in te betrekken?

Ik weet het eigenlijk ook niet. Jammer want juist doordat het grote publiek er zo ‘onbetrokken’ bij is, kan heel de wereld van de wapenhandel een schaduwwereld blijven waarin de corruptie welig tiert.

Dominique Soenens: “Bij legercontracten zijn corruptie en andere wantoestanden niet vreemd. Andrew Feinstein, auteur van het uitstekende boek Shadow World over de schimmige wereld van de wapenhandel, zegt dat 40 procent van alle corruptie in wereldwijde handel zich afspeelt in de wapenhandel. ‘En dan moet je weten dat een enorm groot deel van die corruptie onbestraft blijft. De reden? Het gaat om een kleine groep mensen die erbij betrokken is, onder wie een kleine groep politici. Die kleine groep mensen beslist over contracten waar enorm grote bedragen mee gemoeid zijn en weinig of geen transparantie over bestaat. Dat zet de deur open voor misbruik.’ Toeval of niet: ook een van de kandidaten voor de opvolging van de F-16’s komt in opspraak.” (De Saab Gripens met name.)

Twee dingen stipte ik wel met kruis aan in het derde deel.

Eerst dit op pagina 208, dat ons iets leert over de Europese houding van ons land: “Sommige landen vegen hun voeten aan de Europese richtlijn, maar dat kunnen en willen wij niet doen. De Europese Commissie zit in Brussel, wij moeten altijd heiliger zijn dan de paus (glimlacht).” De uitspraak komt van de al vermelde kolonel Van Pee.

En dan dit op pagina 232. Misschien zag je deze manier van aanpakken zelf ooit ook toegepast worden in je werkomgeving, in het onderwijs bv. Ene Christ Klep omschreef “de manier van werken die het beslissingsproces en de lobby” (in Nederland) “typeert: de salamitactiek. Nooit grote stappen in één keer zetten, maar stapje per stapje in de goede richting gaan, tot het onmogelijk geworden is om de beslissing nog om te keren. ‘Als er vragen kwamen over de uitvoerbaarheid zei de F-35-lobby “nee, eerst moeten we stap A bekijken, pas daarna kunnen we verder”. Maak je geen zorgen, er ligt nog helemaal niets vast. We kunnen nog altijd terug. Dat zei onze minister van Defensie tot twee jaar geleden nog in Nederland. Terwijl er natuurlijk helemaal niets van aan was. En bij jullie zal het ook zo gaan. Keer op keer zullen ze zeggen dat er nog niets beslist is, tot er geen weg meer terug is.”

Electrabels nucleaire rommelcentrales

Naast zijn deel over de farma-industrie vond ik Soenens’ luik over de nucleaire sector in België het meest onthutsend.

Nu ben ik al van tijdens mijn humaniora me over kernenergie kritisch aan het informeren en herinner ik me van toen – in de jaren zeventig van vorige eeuw – nog zware klasdiscussies met ene mijnheer Purnelle. Onze superarrogante chemieleraar die me in het begin van een schooljaar eens voor de klas bedreigde dat hij me zeker buizen zou. Waarop ik – nota bene vaak ‘de eerste’ van de klas – hem antwoordde: “dat lukt je niet”. Gelijk kreeg ik. Maar de dag nadat we met de klas een uitstap gemaakt hadden naar het Studiecentrum voor Kernenergie in Mol, kon hij mij ‘pakken’ in de klas omdat ik tijdens dat bezoek mijn mond niet open gedaan had. Ik had toen wellicht een ‘mindere dag’. Maar had ik toen geweten over het SCK wat Dominique Soenens er nu over te weten gekomen is, dan had ik mijn mond zeker wel open gedaan.

Soenens zet met name goed uiteen hoe innig verstrengeld het SCK is met de nucleaire maffia in dit land. (Weerom: Soenens heeft het niet over een maffia, maar de term duikt onvermijdelijk in je hoofd op.)

In hoofdstukken met als titels “Lobbyen met een fluwelen handschoen” en “Op reis met de nucleaire lobby” schetst Soenens een allesbehalve fraai beeld van de nucleaire sector.

Verontrustend – want bedreigend voor én onze portemonnee én onze veiligheid – is hoe de auteur moet vaststellen dat zowel de energiewaakhond als de nucleaire waakhond aan de leiband van politiek en kernindustrie gelegd werden. Met het aantreden van de NVA-MR-regering De Wever 1 (officieel: Michel 1) werd het er niet beter op. MR-minister Marie-Christine Marghem wordt niet voor niets “madame Electrabel” genoemd.

Waar is de tijd dat we dachten dat we over afzienbare jaren van kernenergie verlost zouden worden ? In “De kernuitstap die er niet kwam” beschrijft Dominique Soenens hoe ondanks de nucleaire catastrofe in het Japanse Fukushima – gevolgd door onder andere de Duitse kernuitstap – én ondanks al de scheurtjes en andere problemen in Electrabels Belgische kerncentrales, het in ons land toch niet tot een sluiting van de kerncentrales kwam. Dat dan vooral tot ongerustheid van de bevolking in onze Nederlandse en Duitse buurlanden. Terwijl de rond de centrales wonende Belgen zich van geen kwaad bewust lijken …

Het ‘nucleair deel’ in Soenens’ boek is verplichte lectuur voor al wie zich inzet voor de strijd tegen de kernindustrie én voor de door haar geboycotte hernieuwbare energiesectoren. Een industrie die er niet alleen in slaagt om door middel van veel gelobby haar gevaarlijke oude brol-centrales nog altijd profijtelijk te laten functioneren, maar die ook inzet op peperdure ‘toekomsttechnologieën’ zoals die van de kernfusie.

De nucleaire industrie bespeelt daartoe niet alleen politici – en met name hun kabinetten – maar via de massamedia ook de bevolking; een bevolking die om de haverklap wordt bang gemaakt met gruwelscenario’s van een elektriciteitsuitval.

Afsluiten doet het boek van Dominique Soenens met een dankwoord van de auteur aan al wie hem behulpzaam was alsook met een handig namenregister.

Toch een kritische bedenking: ‘Onze Democratie’?

“Democratie en lobbying horen bij elkaar, als peper en zout” schrijft Dominique Soenens op pagina 9 van zijn boek. En ook: “Lobbying is vergroeid met onze moderne democratie.”

“Onze democratie”: de woorden prijken ook op de achterflap van het boek van Soenens.

Onze moderne ‘democratie’? Zoals geweten is, komt de term democratie van de Griekse woorden ‘dèmos’ (volk) en ‘krateo’ (regeren). Democratie “betekent dus letterlijk ‘volksheerschappij’”, aldus Wikipedia. De online encyclopedie vervolgt: “Dit houdt in dat het volk zelf stemt over de wetten, zoals in het oude Athene, of het volk verkiest vertegenwoordigers die de wetten maken, zoals in België en Nederland.”

Klopt dat laatste wel? Is een ‘representatieve democratie’ waarbij een klein groepje verkozenen mag beslissen over duizend en één zaken zonder het volk daar bij te betrekken, echt een democratie? Een Volksheerschappij? Valt in de ‘moderne massademocratie’ de wil van het volk niet ver te zoeken? Om meerdere redenen.

1. Wat is de wil van een massa? Hoeveel tegenstrijdige ‘willen’ krijg je niet zodra je een groot aantal mensen hebt ?

2. Hoe laat je de massa haar wil uiten? Via verkiezingen voor een beperkt aantal personen en partijen?

3. Hoe garandeer je dat die personen en partijen ook effectief ‘de volkswil’ dienen?

Ik stel het graag vereenvoudigd als volgt voor. Democratie heb je als jij en ik bv. bij een boswandeling voor een splitsing in de weg komen te staan. We kunnen naar boven, naar de heuveltop. Moeilijk maar met het vooruitzicht van een prachtig vergezicht. Of we kunnen naar omlaag, naar de rivier waar we in dat ongerepte bos van ons, zuiver bronwater vinden. We kunnen samen voor de top of de rivier kiezen. We kunnen elk een andere weg gaan of de één kan de ander overhalen om met hem of haar mee te gaan. Als we dan nog allebei echt onafhankelijk van elkaar zijn en niet iets anders van elkaar nodig hebben en daarom zouden ‘toegeven’, dan heb je hier een echt democratische keuze.

Zulke situaties doen zich wellicht zelden voor. Denk aan de ‘assymetrische aspecten’ in onze ‘partnerkeuze’. Vaak is er wel één of andere vorm van afhankelijkheid in het spel.

Maar als 11,5 miljoen Belgen moeten kiezen hoe en door wie ze politiek geleid zullen worden – waarbij een deel van die 11,5 miljoen niet eens stemmen mag of kan (wegens te jong bv.) – dan wordt het een soepje. Zie hoe NVA zich tot grootste partij van het land opwerkte dankzij haar door een man als Theo Francken belichaamd anti-migratiestandpunt. Waarna de partij misbruik maakt van haar macht door het land ook haar separatistisch gedachtengoed op te dringen. Iets waar van de zogenaamde ‘Vlamingen’ maar zo’n 10 tot 15 % voor kiest.

Dominique Soenens ging voor zijn deel over ‘Defensie’ gewoon op bezoek bij NVA-minister Steven Vandeput zonder de lezer ook maar ergens te wijzen op het NVA-volksbedrog waardoor zo’n Vandeput op één van de sleutelposten in de Belgische regering kon belanden. Gewoon de Franstalig Belgische pers over defensie volgen, had hem hier al wat meer op zijn hoede doen zijn.

Maar terug naar het bredere plaatje. Als we tegenwoordig ook in België niet in een echte democratie leven maar eerder in een particratie – waarbij het dan nog binnen elke partij enkele kopstukken zijn die de lakens uitdelen en beslissen welke mannetjes en vrouwtjes waar geplaatst worden – dan werpt dat ook een ander licht op het fenomeen lobbying.

De politiek zelf is hier al een pure achterkamerbedoening. Voeg daar al het lobbywerk aan toe en het wordt echt een schimmige bedoening.

Vaak moet er echter helemaal niet aan lobbying gedaan worden omdat alle topkringen – zowel de politieke alsook de financiële wereld, de binnenlandse en buitenlandse zakenwereld maar ook bv. de gerechtelijke macht – sinds mensenheugenis innig verstrengeld, diep verweven zijn. Zie hoe één van de zonen van de vroegere CVP-minister van Onderwijs Daniël Coens nu havenbaas in Zeebrugge is. Zie hoe Coens’ partijgenoot Jean-Luc Dehaene fortuinen verdiende in de bierwereld. Een wereld waarvan De Morgen ooit schreef dat hij het smeersel is van zowat heel de Belgische politiek. ‘Onze’ huidige Europese commissaris Marianne Thijs zit er bv. ook in. En de Vlaamse minister van Cultuur was directeur van de Belgische bierbrouwersfederatie.

Aan de top is het al eeuwen “ons kent ons” en dat is niet alleen in België maar haast overal zo. Denk bv. aan de banden van het Nederlandse koningshuis met “Royal Dutch Shell.”

Je zou kunnen stellen dat door de opkomst van de socialistische massabeweging en de vakbonden, de elites het spel een stuk ingewikkelder moeten spelen en de schijn moeten ophouden dat ook de mijnwerkersmigrantenzoon premier kan worden. Een prestatie waar Elio Di Rupo daadwerkelijk in slaagde. Maar tegen de tijd dat zo iemand aan de top geraakt is, is hij al zo sterk in het systeem ingekapseld dat hij er geen bedreiging meer voor vormt. (Di Rupo pakte dan ook mee de werklozen aan.)

Maar waarom is er dan nog lobbying nodig als de top toch een gesloten en ééndrachtig geheel vormt? Correctie: gesloten betekent nog niet meteen eendrachtig. Ook aan de top spelen tegenstrijdige belangen – tussen multinationals en KMO’s bv. Door middel van lobbying proberen die belangen het laken naar zich toe te trekken. De uitkomst van hun strijd kan voor de bevolking zelfs geheel irrelevant zijn. Wie het ook haalt van de kandidaat-bouwers van de opvolger van de F16, de Belgische belastingbetaler zal voor de kosten opdraaien.

Als ik bij het lezen van Soenens’ boek één kritiek enkele keren voelde opkomen, dan dus deze: dat hij blijft redeneren binnen het kader van de ‘representatieve democratie’. Binnen een fictie.

Dat gezegd zijnde, kan ik u verder zijn boek alleen maar aanbevelen. Het leest bovendien als een trein. Soenens wist de open val te vermijden van zijn lezers om de haverklap te laten struikelen over een hoop vakjargon. Dat hij veel meestal achter de schermen optredende figuren voor het voetlicht haalt, maakt dat je nieuwsgierigheid er vaak plezier aan beleeft. Als je al niet verbouwereerd wordt door wat hij weet te onthullen. Met name het deel over de farma-industrie is aanbevolen lectuur voor al wie zonder farmatroep gezond oud wil worden. Misschien moeten we dat deel ooit eens helemaal in De Groene Belg aan bod laten komen. Maar dan uiteraard nadat EPO en Soenens de voor hun boek geleverde inspanning bekroond hebben zien worden met goede verkoopresultaten. Dus nu allen naar de EPO-webstek om u het boek er te bestellen. Voila, zo’n verkoopspraat voor een boek: u bent het hier niet gewoon, maar voor één keer past het wel.

Lobbyen in de Wetstraat
Dominique Soenens
Uitgeverij EPO vzw, Berchem
2017
248, € 19,90
Jan-Pieter Everaerts is uitgever van De Groene Belg, Onafhankelijk Belgisch e-zine. Info over dit e-zine, dat per mail wordt rondgestuurd aan abonnés: mediadoc.diva@skynet.be