Het mirakel van Fatima

Antonio Costa, "uit het dwangbuis van bezuinigingen" (foto FraLiss, Wikimedia Commons)
Facebooktwittergoogle_plusmail

In Portugal voltrok zich een bescheiden, ietwat verwarde politieke omwenteling die het land weer ademruimte kan geven. De socialistische regering onder leiding van Antonio Costa is er namelijk in geslaagd de Portugese economie aan te zwengelen door uit het dwangbuis van bezuinigingen te stappen en relatief populair te blijven bij de bevolking. Is het slaperige Portugal een links gidsland voor Europa geworden?

Op 12 en 13 mei bezocht Paus Franciscus het Portugese stadje Fatima, om er mee de zoveelste verjaardag van het Mirakel van Fatima te vieren, samen met ontelbare pelgrims en Portugese katholieken. De plaatselijke middenstand heeft er alle zeilen voor bijgezet en de prijs van logeerkamers steeg tot boven de duizend dollar per nacht. Men zegt dat de paus voor een heel weekend logies het geld niet had.

Het gaat zo goed in Portugal dat Teodora Cardoso, voorzitster van de Conselho de Finanças Públicas, begin maart de Portugese deficit-resultaten ‘in zekere zin een mirakel’ noemde. Dat was een kans die de president van de republiek – de gematigd liberale ex-PSD voorzitter Marcelo Rebelo de Sousa, die de houterige, verstarde conservatief Cavaco Silva opvolgde en zijn best doet om in alles het tegengestelde van zijn voorganger te doen, soms tot schandaal van de goegemeente – niet kon laten liggen. ‘Qua mirakels in Portugal, hebben wij er maar één,’ repliceerde die, ‘dat is dat van Fatima, dat we gaan vieren. Al de rest komt van de huid en het werk van de Portugezen.’

Het evenement

Op 4 oktober 2015 ‘won’ de zetelende centrumrechtse regering van PSD en PP onder premier Pedro Passos Coelho de Portugese parlementsverkiezingen. Passos Coelho, zo bleek al gauw, had wel gewonnen in zetels, maar zijn absolute meerderheid in het parlement was hij kwijt. Begin november werd zijn conservatieve minderheidsregering aangesteld door president Anibal Cavaco Silva, met Passos Coelho als premier. Die werd echter elf dagen later ten val gebracht en – ondanks sterke oppositie van Cavaco Silva – vervangen door een minderheidsregering van de Partido Socialista onder premier Antonio Costa, met de steun van de parlementaire linkerzijde: Communistische Partij en Links blok, die samen met de PS wél een meerderheid hadden.

Het programma van deze ‘linkse’ regering was de politiek van Passos Coelho c.s. stop te zetten en de bezuinigingspolitiek terug te draaien die het land sinds de bailout van 2011 (à 78 miljard euro) in zijn greep had. Het leek een behoorlijk waagstuk. Costa bezwoer dat zijn regering internationale afspraken over Portugals budget en schulden zou blijven nakomen. Van de Europese Unie en het IMF kwamen daaromtrent zeer sceptische geluiden, aangemoedigd door de centrum- en rechtse partijen van de vorige regering en president Cavaco Silva. PS-leider Costa moest de president geschreven garanties leveren dat zijn regering de stabiliteit in het land zou bewaren en de Europese regels zou respecteren.

Hoe dan ook sloot Antonio Costa, voorheen burgemeester van Lissabon, al dadelijk uit dat hij uit de euro zou willen stappen of de Portugese schuld willen herstructureren. Wat hij wilde, zei hij, was ‘een socialistisch programma’ uitvoeren met ‘een langdurige vermindering van deficits en schulden’. Heel ‘gematigd’, maar hij moest het wel zijn linksere gedoogpartners kunnen aanpraten die duidelijke en in dit kader riskante concessies eisten. Zo zou het minimumloon stijgen, de bevroren pensioenen ‘ontvroren’ worden en de geplande loonsvermindering voor ambtenaren geannuleerd. Men voorspelde dat deze monsterachtig linkse regering van Costa het geen maand zou volhouden.

Maar wat doet zich voor? In maart 2017, vijftien maanden later, vroeg de Portugese minister van Financiën Mário Centeno de Europese Unie om Portugal uit de lijst landen te halen die bestraft worden voor het overtreden van de fiscale regels van de Unie. In een interview zei hij dat het fiscaal deficit van vorig jaar ‘heel dicht bij de 2 procent’ van het bbp zou uitkomen, het laagste sinds de invoering van de democratie in 1974. ‘Onze economie groeit al dertien opeenvolgende kwartalen ononderbroken. Als dat niet voldoende is om een land uit de excessieve deficit procedure (EDP) te laten gaan, wat is daar dan wel voor nodig?’ (Financial Times, 13/3/2017)

Ondanks de bezweringen, het gejammer en de onheilsvoorspellingen in binnen- en buitenland, is de PS-regering van Costa en zijn medestanders in het parlement erin geslaagd de Portugese economie aan te zwengelen door uit het dwangbuis van bezuinigingen te stappen en relatief populair te blijven bij de bevolking, die voor het eerst sinds de crisis van 2011 weer een beetje ademruimte kreeg.

Zelfs als men rekening houdt met een natuurlijke neiging om successen te overdrijven, én met de inherente zwakheden van de Portugese economie, beginnen zelfs sceptici te vermoeden dat Antonio Costa en zijn medestanders hun weddenschap tegen de opgelegde bezuinigingspolitiek aan het winnen zijn. Is dat misschien geen mirakel maar economie, in het kader van de Portugese politiek gezien is het wel ei zo na een aardverschuiving.

Het wonder was immers niet dat de Socialistische Partij – Partido Socialista – de regering vormde en dat Antonio Costa premier werd – en het bleef. Sinds de onlangs overleden historische PS-leider Mario Soares in 1975-76 het Portugese ‘revolutionaire proces’ hielp stopzetten, heeft de PS geregeld regeringen gevormd, soms in coalitie met rechtsere partijen zoals de ‘Sociaal-Democratische Partij’ of PSD.

Woordverklaring

Even enige woordverklaring. De ‘Partido Socialista’ is een gewone sociaaldemocratische partij zoals wij die in West-Europa gewend zijn. Evenzo is de PSD of ‘Sociaal-Democratische’ Partij een gewone liberale, dan wel neoliberale Partij. De ‘Partido Popular’, PP ofte Volkspartij daarentegen, voorheen CDS, is een gewone rechtsconservatieve partij met sterke ouderwets katholieke banden. De enige, eigenlijk, van de vier ‘partijen die er toe doen’ in de nu traditionele Portugese politieke wereld, die zonder camouflage onder de eigen vlag vaart, is de PCP. De Portugese Communistische Partij. Maar die mocht nooit mee in de regering.

Andere partijen zijn er natuurlijk ook. Het ‘Linkse Blok’ – Bloco de Esquerda – is een coalitie van diverse groepen die meestal ter linkerzijde van zowel de PS als van de sterk stalinistisch gebleven PCP opereren.

De ‘Groene partij’ – Partido Ecologista ‘Os Verdes – is een in 1982 opgerichte ecologistische partij. Van bij het begin werkt zij nauw samen met de Communistische Partij, waarmee ze bij verkiezingen steevast in coalitie opkomt.

De Communistische Partij is de oudste partij van het land. Gesticht in 1921, verboden in 1926 na een staatsgreep, en verboden gebleven tijdens de hele 48 jaar durende periode van de ‘Estado Novo’, de fascistische dictatuur van Antonio de Oliveira Salazar en zijn opvolger Marcelo Caetano, is dit door de geschiedenis zelf een tot in haar merg ‘geclandestiniseerde’ partij geworden, die onverdroten opgejaagd werd door de politieke politie PIDE, en afgezien van haar kanalen naar Comintern en Moskou, totaal van de buitenwereld afgesloten was. Dat, alleszins, is de genadigste verklaring die te geven valt voor haar hard stalinistisch doctrinair en, voor veel Portugezen, haast versteende karakter dat nog lang na de Anjerrevolutie van 1974-75 en de val van de dictatuur haar kenmerk gebleven is. Van deze, in het Portugese politieke landschap onbetwistbaar linkse, partij met haar reële, zij het afnemende massabasis in de arbeidersklasse en op het platteland, vallen al decennia geen nieuwe ideeën, laat staan creativiteit te verwachten. Dat heeft het des te gemakkelijker gemaakt haar uit alle nationale regeringen weg te houden.

Veel van dit alles is erfenis en uitvloeisel van 48 jaar Salazarisme, met daarin vijftien jaar oorlog in Afrika, en de peripetieën van de revolutie van 1974-75. Een halve eeuw uiterst rechtse, ultramontaans katholieke dictatuur is de Portugezen niet in hun kleren gekropen, maar in hun systeem.

Nog steeds zijn zij niet opstandig, laat staan revolutionair (de Anjerrevolutie was een militaire staatsgreep, het ‘lopende revolutionaire proces’ daarna met wat kwade wil misschien een wat brutaal uitgevallen vlaag van euforie te noemen). Zijn zij daarom tevreden over hun toestand? Natuurlijk niet, hoor je, maar ze zijn ‘geresigneerd’. Gelaten. Een beetje, wellicht, zoals ze berustten in de Estado Novo van Salazar, die na vier decennia voor hen zoiets als de normale ordening der dingen zal hebben betekend. In die wereldorde was het Goed de katholieke regering van de premier, en het Kwaad de sluipende, atheïstische nadering van de Communistische Partij, die ook de antichrist was. Deze grondregels werden alle Portugezen van kleins af aangeleerd. In 1974 waren veel Portugezen bang van de communisten. Nog steeds is die afschuw niet helemaal verdwenen.

De afgeblokte politiek

De ‘normale’ partijenpolitiek in Portugal draaide de afgelopen 35 jaar grotendeels rond de as PS-PSD, waarin de PS soms alleen kon regeren, maar ook vaak in coalitie moest met de liberale PSD. Alternatief was een rechtsconservatieve regering van PSD met de PP van Paulo Portas, de coalitie die ook de vorige bezuinigingsregering van Passos Coelho leverde. Dit partijenspel garandeerde een soort onbeweeglijkheid die slechts af en toe doorbroken werd door een groter of kleiner schandaal. De linkerzijde was afgeblokt door een ongeschreven consensus dat er nooit een coalitieregering mocht komen met de communistische partij, die blijvend gestraft moest blijven voor de haar toegedichte rol tijdens de revolutionaire jaren 1974-75. De PS was veroordeeld tot coalities met de PSD en CDS/PP, behalve wanneer ze sterk genoeg uit verkiezingen kwam om alleen te kunnen regeren – zoals in 1995 en 1999, en in 2005 met een absolute meerderheid, tot de crisis van 2011 premier José Sócrates tot aftreden dwong.

Deze José Sócrates, een talentvol maar behoorlijk eigengereid politicus, trachtte Portugal met een aantal vernieuwingen een centrumlinkse koers in te sturen, maar ontketende daardoor aan conservatieve en katholieke zijde een ware hetze tegen zichzelf – en dus de PS -, zodat hij uiteindelijk de schuld kreeg van de financiële crisis en het drama van de al dan niet noodzakelijke ‘bailout’, die het land in de klauwen van de controlerende ‘Troika’ speelde, het trio van IMF, Wereldbank en EU.

Een proces wegens ‘corruptie’ dat later tegen hem gevoerd werd, en waarvoor hij al vele maanden preventief gevangen zat, is nog steeds niet aan uitspraak toe. Met hem leek de PS voorgoed begraven.

Het politieke ‘wonder’ waarvan boven sprake, was dus niet dat de PS aan de macht kon komen, maar wel dat zij dat nu kon, en wel door het taboe te breken dat op samenwerking met de PCP rustte. Zeker, PCP, Groen en Links Blok zetelen niet in de regering, maar het is wel een heel klein beetje zo goed als… Het is wellicht mogelijk gemaakt door een verandering in de Portugese politieke atmosfeer.

Ik verklaar me nader. In 2011 al was het niet briljant gesteld met de Portugese economie. Een aanslepend lage productiviteit en een notoir slechte organisatie vormden – en vormen nog steeds – een ernstige handicap om de economie tot competitiviteit en groei te brengen. Kan men zeggen dat sinds 1974, de val van de dictatuur, en vooral sinds 1986, de intrede van Portugal in de Europese Unie, de economie vooral gegroeid is dank zij de miljoenen aan EU-subsidies, en dat dit het land veranderd heeft, het lijkt ook waar dat er sindsdien van enig nieuw dynamisme niet veel sprake is. Misschien is dit ook geen wonder, aangezien de oude fortuinen die onder Salazar gedijdden nog steeds veel bestieren in het nieuwe Portugal, samen met het in bankwezen en industrie bijna alomtegenwoordige Opus Dei.

De zuinigheidspolitiek met haar drastische besnoeiingen onder Passos Coelho, die het land zogenaamd economisch weer ‘gezond’ maakten, hebben de Portugezen zo zwaar getroffen dat ze al een tijd ‘op hun tandvlees’ zaten. Het was een uitzichtloze situatie. Van een revolte kon bij die gelaten Portugezen geen sprake zijn, de idee alleen al van een ‘eenheid van links’ riep spot en cynisme op in columns en blogs, maar iets begon misschien te trekken in die richting.

Misschien heeft een dosis frisser politiek talent bij het Linkse Blok de nodige zuurstof in de atmosfeer gespoten, of misschien was het pure wanhoop bij het vooruitzicht van nog eens vier jaar hetzelfde onder Passos Coelho en zijn maat Paulo Portas? Iets heeft het begeven. Het taboe op de Communistische Partij en de ‘gauchisten’ van het Links Blok lijkt opgeheven, en de toekomst zal voor politiek Portugal voortaan minder voorspelbaar zijn. Tenzij ook Antonio Costa op zijn bek gaat.

Dit artikel verscheen eerder in Samenleving en politiek, Jaargang 24, 2017, nr. 04 (april), pagina 83 tot 87. Zie ook: http://www.sampol.be/samenleving-en-politiek/zoeken-in-sampol/2286