Het opborrelen van de rebellie

Facebooktwittergoogle_plusmail

Nick Meynen heeft, zoals Dirk Barrez en Raf Custers al met andere publicaties vóór hem hebben gedaan, een boeiende reis langs de achterkant van de wereldeconomie gemaakt, waardoor niet alleen de vernietigende macht van vele multinationals zichtbaar wordt maar ook het ‘opborrelen van de rebellie’. Ik hoop dat hij met zijn uitgebreide feitenkennis, zijn terreinervaring, analysekracht en goede pen vele mensen zal aanzetten om de frontlijn te gaan versterken van wat hij het hoopvol multinationaal verzet noemt.

‘Als ze CETA ondertekenen is het gedaan met mij,’ zegt de Griekse herder Giorgos Vlachos tegen de auteur van dit boek. Dan komt het Canadese Hellas Gold mijnen in zijn dorp Palechori van de Halkidikiregio en kan Vlachos zijn kudde vergeten en de boeken dichtdoen. De eenvoudige herder wéét welk gevaar CETA inhoudt voor hem en zijn kudde. Dat Canadese bedrijf kan de doodsteek betekenen voor zijn leefmilieu en de plaatselijke economie. Daar ligt de frontlijn voor hem. Dit is slechts één korte passage van de vele gesprekken die Nick Meynen heeft gevoerd op zijn ‘reis langs de achterkant van de wereldeconomie’.

Ideologische frontlijnen

Op die boeiende reis komt de auteur in ‘frontlijnen’ terecht die niet alleen geografisch, maar ook ideologisch van aard zijn. Zo komt hij op een wel zeer concrete manier in aanraking met de achterkant van een economisch en politiek beleid dat gericht is op groei van ontginning, handel, consumptie en bruto nationaal product.

In dat frontlijnenverhaal belicht Nick Meynen de twee partijen die lijnrecht tegenover elkaar staan: dat is aan de ene kant de toenemende macht van multinationals à la Hellas Gold, maar aan de andere kant ontwikkelt zich ook, wat hij noemt, een hoopvol multinationaal verzet tegen milieuverloedering, waanzinnige ongerijmdheden (‘Waarom gaat men zand halen in Australië om de hoogste toren ter wereld in Dubai te bouwen?’) en tegen het arrogante neoliberalisme (‘De Europese Commissie noemt alle wetten ter bescherming van consument en milieu ‘niet-tarifaire handelsbelemmeringen’). Meynen onderzoekt de diepere structuren en machtsverhoudingen omdat, zoals ook Naomi Klein schrijft, de partijen die het meest te winnen hebben nooit opdagen aan de frontlijnen zelf.

Zijn vrij omvangrijk boek – de lezer krijgt heel veel informatie en analyse op zijn bord – bestaat uit vier kloeke delen. In het eerste hoofdstuk ‘Het oogsten van de aarde’ begint hij het frontlijnverhaal bij de ontginning en daarvoor belandt hij voornamelijk in landen van het Zuiden (Sri Lanka, Ecuador, India, Congo, Oeganda, enz.), want, zo schrijft de auteur, ‘Europa hangt aan baxters, gevuld met spul uit andere continenten’ (p. 261)

Dieper graven

Meynen trekt in dit hoofdstuk en in heel zijn boek overigens voortdurend van het Noorden naar het Zuiden en omgekeerd om de lijnen van Expulsions, ‘Uitstoting’ zoals de Nederlandse titel van het gelijknamige boek van de Amerikaanse socioloog en econoom Saskia Sassen luidt, door te kunnen trekken. Onder die term brengt Sassen verschillende processen en omstandigheden samen die doorgaans niet met elkaar verbonden worden, maar die een onderliggende dynamiek vertoont die aan de basis ligt van de verschillende vormen van uitstoting. Het gaat dus in de benadering van Sassen niet alleen over sociale, maar ook over de economische en ecologische uitstoting.
Dat doet ook Meynen in dit boek. ‘Hoe dieper ik graaf, hoe meer verhalen ik tegenkom,’ schrijft hij wanneer hij het over de zandsector heeft en over dubieuze praktijken van de Belgische bedrijven als De Nul en DEME in Indonesië, maar ook over het ontginnen van fossiele brandstoffen in Siberië. Ook in eigen land wordt er veel te kwistig met zand omgesprongen. ‘De ondiepe Noordzee is een zandkoffer. Omdat we er allemaal steeds gulziger in grabbelen komt de bodem van die zandkoffer in zicht.’ (p. 53) Ook over het Hobokense Umicore, de grootste recyclage-eenheid voor edele metalen ter wereld die zogezegd een duurzaam bedrijf is, doet hij een minder fraai boekje open. Met cijfers illustreert Meynen dat in de omgeving van het bedrijf het aantal longkankers dubbel zo hoog is als elders in Vlaanderen.

In het tweede hoofdstuk ‘Dumping’ zet de auteur die werkwijze verder, maar dan kijkt hij vooral naar de eindfase van de pijplijn, het afval, en zo komt hij onder meer terecht bij de ecomaffia van Napels, maar ook in dumpinggebieden, zoals sommige Bengaalse stranden waar afgeschreven tankers met primitieve middelen ontmanteld worden.

Multinationaal verzet

Tijdens zijn reizen aan de frontlijnen in de wereld ontmoet Meynen heel veel boeiende figuren, die behoren tot het ‘multinationaal verzet’ en die hij zelfs ergens, volgens mij onterecht, ‘helden’ noemt, omdat ik vind dat die categorie niet des mensen is. Die ontmoetingen zetten hem in elk geval aan om de hinkstapsprong van het macro- naar het microniveau te maken. Dat voortdurend switchen is zeker een van de grote verdiensten van dit boek. Vanuit eigen ervaringen in de ik-persoon schakelt Meynen over op de groothoeklens en zoemt hij in op de context. Eigen ervaring én kennis sluiten daardoor naadloos bij elkaar aan. Het profiel van Nick Meynen leent zich daar trouwens ook uitstekend toe. Hij is van opleiding fysisch geograaf, maar daarnaast ook reiziger – lees zijn vorige boeken over Nepal en ‘Wandelen met Flora’! – met een scherpe blik op de wereld, journalist o.a. voor MO* én activist, die zijn engagement ook verder kan ontplooien binnen zijn werkkring, want hij werkt voor het European Environmental Bureau (EEB), de grootste federatie van milieu-organisaties in Europa.

Engagement

Meynen brengt en cours de route ook een aantal boeiende ‘verzetspersonen’ in beeld en bevraagt hen naar het ontstaan van hun engagement en hoe ze daarmee proberen om te springen. Het is heel zeker ook een vraag die de auteur bezighoudt. Zo bevraagt hij de Ecuadoraanse advocaat Julio Prieto die als onbetaalde activist al jarenlang de strijd aangaat tegen de vervuilende oliegigant Chevron, maar ook Alexandru Popescu, een Roemeens Jerommeke die om te protesteren tegen de frackingpraktijken van Chevron in zijn dorp van Roemenië naar Brussel stapte. Hij ontmoet ook de Britse activist Geza Tarjanyi, beter bekend als Gazyer Frackman, en natuurlijk ook regisseur en klimaatactivist Nick Balthazar, Roger Cox van ‘Revolutie met recht’, Jan van de Venis, een hyperactieve milieu- en mensenrechtenactivist, Filip De Bodt van Climaxi en ’t Uilekot van Herzele, David Dene, een Britse globetrotter die in de Spaanse Rio de Aguasvallei strijdt tegen de komst van een industriële olijfboomplantage en Tom Troonbeeckx die in het Leuvense met een CSA-boerderij is begonnen (Community Supported Agriculture). De lijst van vertegenwoordigers van de ‘multinationals van het verzet’ is nog veel langer en bevat namen van jongens en meisjes van het Gentse CATAPA, maar ook van Hart boven Hard en van… de huidige paus. Zij vormen intussen al een ‘parallel universum’ die zich hebben losgemaakt uit ‘het beklemmende harnas van het conformerende’.

Wat drijft al die mensen toch en hoe kunnen ze dat engagement blijven volhouden ondanks alle tegenkanting? Nick Meynen geeft een mooi en eerlijk antwoord voor zichzelf: ‘Deelnemen aan de commons-economie en vechten tegen de destructieve mythes van onze tijd zijn voor mij een beetje yin en yang: ze zorgen voor een psychologisch evenwicht. Het leuke en warme individuele en gemeenschapsniveau geeft de positieve energie die nodig is om boosheid over de grotere problemen toe te laten en negatieve energie te steken in het deconstrueren van de grote mythes van onze tijd’ (p. 231)

Moderne mythes

Het derde hoofdstuk gaat over het deconstrueren van moderne mythes waarvan hij er vier onder vuur neemt. Op een deskundige manier weerlegt hij de mantra dat ‘meer wereldhandel, meer welvaart’ zou brengen, waarom TTIP en CETA ‘ons’ zouden versterken, waarom het neoliberalisme de weg naar de vrijheid zou zijn en waarom het bruto nationaal product per se moet groeien (‘Groei heeft naast apostelen ook een inquisitie zoals het ratingbedrijf Standard&Poor’s, dat met plezier de ketters komt opknopen als die tekenen van afvalligheid vertonen’ en ‘de bnp-economie is een wanhopige junkie wiens beste aders al kapot geprikt zijn’). Dit boek lees je niet alleen om zijn relevante inhoud en geëngageerde toonzetting. Meynen ontpopt zich ook tot een puntig formulerende stilist.

In het vierde en laatste hoofdstuk ‘Hoop’ komen de bewegingen, bedrijven en bestuursideeën aan bod die de auteur hoop geven. Zeer uitdrukkelijk verwijst hij naar het ideeëngoed van de degrowth-macro-economen die volgens hem een verbindingsteken maken tussen (transitie)bewegingen in het Noorden en het Zuiden, tussen transitiesteden in het Noorden die zich met de weerbaarheid van hun regio of stad bezighouden en verzet in het Zuiden tegen mijnbouwbedrijven die hun frontlijn van ontginning steeds verder opschuiven. Meyne: ‘In de degrowth-beweging komen die gescheiden werelden samen onder één paraplu. Ze vinden elkaar in een alles overkoepelend alternatief verhaal dat erop gericht is de economie eerlijk en duurzaam te organiseren voor heel de mensheid.’ ( p. 222) In de lange weg naar een sociaalecologische samenleving horen, Noord en Zuid, rood en groen samen te gaan. Op mondiaal vlak hebben inheemse volkeren het voortouw genomen, want hoewel ze slechts een paar procent van de wereldbevolking uitmaken staan ze in bijna alle milieuconflicten in de frontlinie. Dat hoopvol multinationaal verzet heeft niet alleen een ‘klein verzet’ nodig, waarmee Meynen verwijst naar het boek van Tine Hens, maar ook een ‘groot verzet’ en daarvoor is een ‘sterke’ overheid nodig die moet kunnen reguleren en sturing geven.

Opborrelen van de rebellie

In ‘No time, verander nu voor het klimaat je verandert’ schrijft de Canadese activiste Naomi Klein dat er heel weinig geschreven is over ‘hoe het marktfundamentalisme vanaf het begin onze collectieve reactie heeft ondermijnd op de klimaatverandering, waarvan de dreiging opdoemde toen deze ideologie haar hoogtepunt naderde’ (p. 29) Met ‘Frontlijnen’ heeft Nick Meynen dit vacuüm, alvast voor een Nederlandstalig lezerspubliek, voor een stuk weten op te vullen. Misschien is het daarom wel dat Naomi Klein op de cover van ‘Frontlijnen’ uitdrukkelijk meldt: ‘Dit boek verdient een breed en internationaal publiek’. Ik weet niet waarop Klein zich baseert om deze bewering te staven, maar ik wil ze als lezer van deze Nederlandstalige editie graag onderschrijven.

Nick Meynen heeft, zoals Dirk Barrez en Raf Custers al met andere publicaties vóór hem hebben gedaan, een boeiende reis langs de achterkant van de wereldeconomie gemaakt waardoor niet alleen de vernietigende macht van vele multinationals zichtbaar wordt maar ook het ‘opborrelen van de rebellie’. Ik hoop dat hij met zijn uitgebreide feitenkennis, zijn terreinervaring, analysekracht en goede pen vele mensen zal aanzetten om de frontlijn te gaan versterken van wat hij het hoopvol multinationaal verzet noemt.

Boekvoorstelling op 27 april in De Groene Waterman, Wolstraat 7, 2000 Antwerpen, 20 uur met Lieve Van den Bulck (Oxfam), Wouter Hillaert (Hart boven Hard) en Wies Willems (Broederlijk Delen)

Frontlijnen, een reis langs de achterkant van de wereldeconomie
Nick Meynen
EPO, Berchem
2017
288, prijs € 22, 50
Borgerhoutenaar Walter Lotens (°1942) noemt zich een glokale burger. Deze gepensioneerde leraar, mede-oprichter van de Actiegroep Kritisch Onderwijs (AKO), moraalwetenschapper, publicist en Latijns-Amerikawatcher schreef voor LA Chispa, een Nederlandstalig magazine over Latijns-Amerika en de Cariben, het Belgische De Reiskrant en voor de Surinaamse krant “De Ware Tijd” en nu voornamelijk voor de webzine voor internationale politiek uitpers.be, waarin hij niet alleen uitvoerig aandacht besteed aan Latijns-Amerika, maar ook aan het Antwerpse mobiliteitsdossier.