‘Wannabe’ wordt wakker

Facebooktwittergoogle_plusmail

‘Waarom ik de Indianen wil redden’ is een hybride en ironische tekst van een auteur die van zichzelf geen spaander heel laat. Hij noemt zich niet alleen een wannebe, maar ook een geobsedeerde neuroot (p. 276) en een overjaarse linkie-winkie (p. 244) Het is echter die voortdurende zelfspot die dit merkwaardige boek een zeer eigen tonaliteit geeft.

Wannabe?

‘Wij moeten ons hoeden voor een assimilatie van een geïdealiseerde indiaanse authenticiteit aan de verlangens van een vervreemde westerse minderheid. Weliswaar kan vervreemding van de eigen civilisatie onze ogen openen voor de zin van andere culturen, maar het wantrouwen van de ideologiekritiek moet ons ervan weerhouden de Ander te idealiseren of te sublimeren, zoals we trouwens eveneens gereserveerd moeten staan tegenover de verheerlijking door indianen zelf van hun eigen leefwijze en verleden.’

Neen, dit is geen citaat uit het boek van Karl Van den Broeck – zijn proza swingt veel meer – maar van de Nederlandse ecofilosoof en antropoloog Ton Lemaire in zijn ‘De indiaan in ons bewustzijn’ waarnaar de auteur trouwens uitdrukkelijk verwijst. Van den Broeck is zich bewust van het gevaar waarvoor Lemaire waarschuwt: ‘Ben ik een wannabe? Heb ik het virus onder de leden dat door de eeuwen heen zoveel blanken heeft besmet?’ (p. 239) De auteur is zelf een ‘wannabe’ of een blanke indiaan geweest – daar komt hij open en bloot ( maar tevens getuigend van veel verworven zelfkennis) voor uit – en in dit boek probeert hij te antwoorden op de vraag waarom hij nu eigenlijk de indianen wil(de) redden. (In tegenstelling tot van Dale schrijft Van den Broeck Indiaan uit eerbied met een hoofdletter).

Groovology

Daarvoor doet hij met zijn vaardige pen een breed uitgesponnen oefening – het boek telt 326 bladzijden – in groovology, een term die hij aantrof in een werk van de Gentse antropoloog-filosoof Rik Pinxten (die trouwens ook een indianenkenner is). Wat zijn die groeven (grooves) op de ziel die hem gemaakt hebben tot een ‘indianenredder’? De eerste groeven kwamen al heel vroeg, want als kleine jongen stichtte Van den Broeck in zijn speelkamer van de Turnhoutse woning waarin hij opgroeide de dwergstaat Indi die niet meer dan de oppervlakte van zijn schrijftafel had. Zwaar onder invloed van het stickeralbum West dat de tijdgeest van de jaren zestig en zeventig uitstraalde, schreef hij daar als beginnende indianenredder-journalist The Indi Times vol. Een één-kind-onderneming dus. Speelt hier het appel-en-boom-effect misschien? In elk geval was hiermee de basisgroef gelegd en kleine Karl had er de mond van vol, zeker tijdens zijn bezielde en ellenlange spreekbeurten die hij als leerling hield in het Turnhoutse atheneum.

Onder invloed van Jef Nijs, de tekenaar van Jommeke kwam daar al snel ‘De grote zwartrok’ bij. Dat was dan Pieter-Jan De Smet, missionaris, jezuïet, geboren in Dendermonde in 1801 en gestorven in Saint Louis in 1873, maar vaak in Turnhout aanwezig. Pieter-Jan De Smet, bevriend met het jeugdidool van de auteur, Sitting Bull, was voor de nochtans goddeloze schrijver de indianenredder – hij zou namelijk een kruisbeeld geschonken hebben aan de indianenleider (zie de cover van het boek) – en verdiende volgens hem, méér dan pater Damiaan, de titel van ‘grootste Belg’. Voilà, Van den Broeck, weet met superlatieven om te gaan en vooral ze op een ironiserende wijze te gebruiken. ‘Turnhout’, ‘indianen’ (met name vooral Sitting Bull) en ‘paters’ (met name vooral Pieter-Jan De Smet): dat zijn, naast de notoir aanwezige ik-figuur, de drie elementen die telkens weer komen bovendrijven in dit boek waarvoor de auteur zijn volledige schrijverstrukendoos bovenhaalt om ze op elkaar te betrekken én vast te houden, want zijn uitwaaierende indianenkennis gaat heel ver en brengt hem vaak op niet onaardige zijsporen, waardoor de lezer onder meer te weten komt waarom de supporters van de Gentse voetbalploeg AA Gent de Buffalo’s worden genoemd. Alleen Apache, waarvan Van den Broeck nu al enkele jaren hoofdredacteur is, kon hij jammer genoeg niet inlassen in zijn verhaal omdat de onafhankelijke nieuwssite niet naar een indianenstam, maar naar het kunstenaarscollectief met Ravel en Stravinsky in het Parijs van rond 1900 werd genoemd.

De grote zwartrok

Ja, Van den Broeck heeft iets met de grote zwartrok en volgens hem dus ook grootste Belg. Hij, als vrijzinnige, heeft een grote bewondering en fascinatie voor het fenomeen ‘missionaris’. Van den Broeck vraagt zich af ‘hoe jonge adolescenten, tjokvol testosteron, ertoe konden worden gebracht om zich uitsluitend te wijden aan het zielenheil van anderen’ (p. 85) ‘Of,’ vraagt hij zich verder af, ‘werd Pieter-Jan De Smet missionaris omdat dat de énige manier was voor een avontuurlijke jongeman om te ontsnappen aan de grauwe beklemming van België en Vlaanderen?’ (p. 87) In de loop van zijn zoektocht op het Amerikaans continent krijgt die bewondering echter een flinke deuk wanneer hij ontdekt dat de jezuïeten grote sommen hebben moeten betalen aan 450 volwassen indianen die in hun jeugd misbruikt werden door priesters en nonnen.

Indianenredder?

En dan is er natuurlijk het activiteitenpalmares van Van den Broeck als ‘indianenredder’ in eigen land, maar ook zijn zoektocht in Sioux-gebied naar het kruis dat de grote zwartrok aan Sitting Bull zou gegeven hebben. In eigen land steekt hij veel op van BANAI, KOLA en KWIA, actiegroepen die actief zijn of waren rond Free Leonard Peltier, een indiaan die al jaren onschuldig in de gevangenis zit, maar ook van compañeros de viaje zoals Mireille Holsbeke van het MAS en Luc Vints van het Leuvense KADOC-archief, met wie hij samenwerkte voor de tentoonstelling ‘The call of the rockies, Pieter Jan De Smet en de Indiaanse tragedie’, die in 2016 in Gent plaats vond.

In de beschrijving van zijn coming of age is een van de belangrijke groeven zeker ook de invloed van ex HUMO-journalist, auteur en dramaturg Guido Van Meir geweest, die met de TV-serie ‘Terug naar Oosterdonk’ met daarin de hoofdfiguur Pietje de leugenaar een verhaal over de desastreuze gevolgen van de uitbreiding van de haven van Antwerpen voor de dorpelingen, doortrekt naar de Indian Wars van 1868-1876. ‘De slag bij Little Bighorn is een grote overwinning voor de Indianen, maar uiteindelijk worden ze – net als de dorpelingen van Oosterdonk – verdreven.’ (p. 237)

Turnhout of all places

Turnhout of all places krijgt ook een zeer centrale plek in dit boek. Dat is trouwens het geografisch perspectief van waaruit de auteur als kind naar de indianenwereld is beginnen kijken. Daarom legt hij, soms opzettelijk vergezochte, verbanden tussen zijn geboorteplaats en die overzeese gebieden waar volgens de grote zwartrok ooit sprake was van een Turnhout-rivier en een De Nef-meer naar een Turnhoutse zakenman genoemd. Zo ziet hij in de poging in 1851 van de Belgische staat om in de Kempen een landbouwkolonie te stichten eenzelfde paternalistische houding opduiken als ten aanzien van de indianen. Hij citeert een zekere J.J. Constant uit Brussel die stelt dat de Kempenaars bereid zijn ‘om grote opofferingen te doen om nutteloze of schadelijk zaken te bereiken’. Wanneer de auteur in 2012 (toen nog) prins Filip en prinses Mathilde verwelkomde bij een bezoek aan de tentoonstelling Turnhout Terminal Turnhout Centraal verraste hij de prinses met een gekalligrafeerde stamboom waaruit had moeten blijken dat zij ook Turnhoutse roots zou hebben. Is dit waarheid en niets dan de waarheid of een vernuftige link met heel veel haar op en met nog veel meer binnenpretjes bedacht? Artifacts of artifake? Het is een vraag die niet alleen de auteur, maar ook de lezer van dit boek zich voortdurend stelt.

Zelfspot

En dan rijst natuurlijk de vraag bij deze laatste wat voor een soort boek hij nu eigenlijk in handen heeft. Dat is des te moeilijker omdat de auteur het ook zelf niet goed schijnt te weten. Die indruk wekt hij althans, wanneer hij zich afvraagt: ‘Wordt het een roman? Een jongensboek of een reportage? Een pamflet? Een dissertatie?’ (p. 68) En halfweg de tekst wordt het er niet vrolijker op: ‘Dit boek lijkt wel een complete mislukking te worden. Al mijn hooggestemde, romantische verwachtingen worden gefnuikt’ (p. 187)

Moeten we Van den Broeck écht geloven of gaat het om een spielerei die uiteindelijk toch een zeer volwassen boek is geworden? ‘Waarom ik de Indianen wil redden’ is een hybride en ironische tekst van een auteur die van zichzelf geen spaander heel laat. Hij noemt zich niet alleen een wannebe, maar ook een geobsedeerde neuroot (p. 276) en een overjaarse linkie-winkie (p. 244) Het is die voortdurende zelfspot over de groeven die hem tot ‘indianenredder’ hebben gemaakt die dit merkwaardige boek een zeer eigen tonaliteit geven; een tonaliteit die zeker in een van de laatste hoofdstukken ‘De kruisvaart’ zeer sterk aanwezig is. Het is de beschrijving van de reis die hij in 2015 samen met zijn vrouw Astrid onderneemt naar de ‘heilige’ indianenplaatsen. Zijn contact met indianen beperkte zich echter tot een commercieel gesprek met een junkie die hem – veel te duur! – een dream catcher in Wounded Knee verkocht en als klap op de vuurpijl laat hij zich, de grote specialist in indianen & cowboys, stierenkloten voor oesters aansmeren.

Op de terugreis vraagt zijn vrouw hem:
-‘Zou jij eigenlijk een Indiaan willen zijn?’
-Nee, ik zou niet willen dat de Indianen zich over mij moesten schamen.’ (p. 296)
Toch voelt Van den Broeck zich na deze reis, en allicht ook na dit boek, bevrijd. Hij heeft de laatste jeugdillusie van zich afgeschud. Karl May, maar ook de ‘indianenredder’ is naar de achtergrond verdwenen. De ‘wannabe’ is wakker geworden en gaat voortaan als (onderzoeks)journalist op zoek gaat naar de waarheid achter de mythe, maar ook naar zichzelf: ‘Misschien was ik helemaal niet bezig de Indianen te redden. Misschien was ik vooral bezig mezelf te redden.’ (p. 260)

Dat kan allemaal best zijn, Karl, maar ik als lezer heb niet alleen jouw boodschap en die van Ton Lemaire begrepen, ik heb tevens een boek in handen gekregen waarvan het schrijversplezier van elke bladzijde afstraalt en dat tot op de allerlaatste pagina’s waarin je, als ‘Indianenredder’ en allicht gedreven door een bizarre familietrek, een brief schrijft aan Koning Filip, met daarin een warme groet aan je ‘stadsgenote’ koningin Mathilde.

How, ik heb gezegd (en genoten van dit boek.)

Waarom ik de Indianen wil redden, Op zoek naar het kruis van Sittin Bull
Karl Van den Broeck
Polis, Antwerpen
Borgerhoutenaar Walter Lotens (°1942) noemt zich een glokale burger. Deze gepensioneerde leraar, mede-oprichter van de Actiegroep Kritisch Onderwijs (AKO), moraalwetenschapper, publicist en Latijns-Amerikawatcher schreef voor LA Chispa, een Nederlandstalig magazine over Latijns-Amerika en de Cariben, het Belgische De Reiskrant en voor de Surinaamse krant “De Ware Tijd” en nu voornamelijk voor de webzine voor internationale politiek uitpers.be, waarin hij niet alleen uitvoerig aandacht besteed aan Latijns-Amerika, maar ook aan het Antwerpse mobiliteitsdossier.