Honderd jaar voor de Franse Verlichting scheen het Licht al in Nederland

Facebooktwittergoogle_plusmail

We beleven beroerde tijden. ‘Enerzijds neemt de populariteit van en de interesse voor het geloof – christelijk, islamitisch, boeddhistisch of anderszins – weer toe en anderzijds voelen atheïsten zich door diezelfde ‘moderne gelovigen’ bedreigd en zijn ze bang voor een ondermijning van de verworvenheden van de verlichte westerse democratie.’ Dat schrijft Bart Leeuwenburgh in zijn biografie over Adriaan Koerbagh die samen met zijn broer Johannes en hun geestesgenoot Baruch Spinoza in het midden van de zeventiende eeuw in Nederland aan de kar trokken om, zoals de titel van Adriaan Koerbaghs boek luidt, het licht te doen schijnen in duistere plaatsen. Honderd jaar voor de Franse Verlichting probeerden zij de duisternis van de dogma’s te verdrijven door het licht van de rede. [Voor boekenreferenties, zie onderaan]

Dankzij het boek van Geert Mak, ‘De levens van Jan Six’, zullen velen het bestaan ontdekt hebben van de gebroeders Koerbagh: Adriaan (1633-1669) en Johannes (1634-1672). Adriaan was medicus, jurist en filosoof. Johannes was een ‘dissident’ predikant. Adriaan werd bekend (berucht) door zijn drie boeken: ‘Nieuw Woorden-boek der Regten’ (1664), een verklarend woordenboek van de juridische terminologie; ‘Een Bloemhof van allerley lieflijkheyd zonder verdriet geplant’ (1668), een aanklacht tegen de domheid, arrogantie en machtswellust van geestelijken en theologen en ‘Een ligt schijnende in duystere plaatsen’ (verscheen in 1668, maar vrijwel de hele oplage werd op bevel van de Amsterdamse schout vernietigd, waardoor het boek na het overlijden van Adriaan in 1669 in de vergetelheid terechtkwam).

In ‘Bloemhof’ doorprikte Adriaan voor de gewone man en dus in het Nederlands, het jargon van artsen, geleerden en predikanten. Het doet denken aan het ‘Klein lexicon van het managementjargon’ dat onlangs bij EPO verscheen en waarin het hedendaagse managersjargon in mensentaal wordt vertaald en doorgeprikt. Adriaan Koerbaghs andere boek ‘Een ligt schijnende in duystere plaatsen’ was systematischer opgebouwd. En zoals Bart Leeuwenburgh schrijft gebruikte Koerbagh hierin het volle gewicht van de rede, het “gezonde verstand”, om de religieuze dogma’s van de gereformeerde kerk te verpletteren.

Dat was in die tijd niet vanzelfsprekend. De kerk, de godsdienst overheerste alles, ook de politiek. Zo was het stadsbestuur van Amsterdam, waar de Koerbaghs woonden, niet samengesteld uit vertegenwoordigers van politieke strekkingen, maar wel van protestantse sekten. En die waren er bij de vleet: socinianen, collegianten, doopsgezinden, calvinisten, arminianen, quakers. Er waren ook remonstranten en anti-remonstranten en ga zo maar door. Als de kerk oordeelde dat een of andere burger van het ware geloof afweek, werd de brave man of vrouw voor het stadsbestuur en het gerecht gesleept. Er was dus niet alleen geen scheiding van Kerk en Staat, de Kerk stond gewoonweg boven de Staat.

Adriaan Koerbagh maakte zich zeker geen vrienden in kerkelijke kringen door aan te klagen dat geestelijken niet alleen geestelijke wetten en voorschriften maakten, maar ook wereldlijke wetten. Dat zou zijns inziens niet mogen gebeuren, ‘want de overheid heeft die macht en dat recht nog altijd’. Koerbagh ging nog verder. Ook geestelijke wetten en voorschriften moeten door de regeringen worden vastgesteld. Als de overheid de geestelijke wetten en voorschriften aanvaardt die door geestelijken en theologen worden vastgesteld, kan dat volgens Koerbagh bij die geestelijken alleen maar tot machtsmisbruik leiden ‘waaruit zoveel onheil is ontstaan in de vorm van oorlogen, verwoestingen, wrede broedermoorden en vervolgingen’.

Adriaan Koerbagh schrijft al in de eerste zin van ‘Een ligt’ dat het zijn bedoeling was ‘een helder licht te laten schijnen over de misslagen en dwalingen van de geestelijken op het gebied van theologie en godsdienst’. Hij kon alleen maar de toorn van het hele kerkelijke bestel over zich halen door te beweren dat de Bijbel een boek is als een ander en helemaal niet het woord van God; door komaf te maken met de Drievuldigheid (drie personen in één God), met heiligen, engelen en duivels, met hemel, hel, de verrijzenis van de lichamen, orakels, mirakels, en voor de rooms-katholieken met de verandering van een stuk brood in het lichaam van Christus, de maagdelijkheid van Maria, regels over vis en vlees eten enz. En waarom haten de geestelijken van de rooms-katholieke kerk alle andere gezindtes? Voor Koerbagh is dat vanwege ‘het grote genot, de winsten en vruchten die de geestelijken uit de godsdienstige verzinsels halen’. Maar voor de geestelijken van de hervormde (protestantse) godsdienst is Koerbagh niet veel milder: ‘Ook zij lijken meer behagen te scheppen in het vervolgen en onderdrukken van anderen, in lasteren en schelden.’

Onwetendheid is zonde

Tegenover de waanzin en de wandaden van de godsdienst plaatst Adriaan Koerbagh de rede. Hij beklemtoont dat de mens met rede werd begiftigd en dat wij dat vermogen om te redeneren dan ook moeten gebruiken. Wie de rede daarentegen verzuimt ‘vervalt tot onwetendheid en bijgeloof, waaruit alle kwaad ontstaat’. En wie gelooft verzuimt de rede. Zo schreef Koerbagh in ‘Een ligt’ (oorspronkelijke versie): ‘Weeten is seker en wis, en weeten is beter en saliger als gelooven’ en ‘Al schrijft men by ’t geloof nog soo vasten vertrouwen, dat het soo is als men gelooft, so kan men bedroogen worden.’ Voor Koerbagh hield het geloof op waar de waarheid begon en vice versa. Koerbagh schreef zelfs dat ‘de rede de Schrift overtreft’. En wat is de rede? Dat betekent volgens Koerbagh logisch redeneren. Door logisch te redeneren kon men de waarheid ontdekken en wie zich liet leiden door zijn gezond verstand en zich bevrijdde van vooroordelen zou vanzelf die enig mogelijke waarheid ontdekken.

Denkers als Adriaan Koerbagh en Baruch Spinoza konden niet vlakaf zeggen dat de godsdienst moest worden afgeschaft. Ze deden dat op een voorzichtige manier. Zo stelde Koerbagh dat de ware godsdienst moet voortvloeien uit de rede. Ze konden in hun tijd ook niet zeggen dat God niet bestaat, maar zegden ze dat God de natuur is, wat op hetzelfde neerkomt. Voor Koerbagh moest de werkelijk gezuiverde religie een filosofische zijn, gebaseerd op de rede in plaats van op de verbeelding, waarin theologie en natuurwetenschap zouden samenvallen, wat betekent dat alleen die laatste zou overblijven.

Koerbagh verving het woord zonde door dwaling en de dwaling was de onwetendheid. Jezus en zijn leerlingen kwamen het volk onderrichten, dat is tot wijsheid brengen. En als Jezus de mensen opriep zich te bekeren, betekent dit voor Koerbagh dat ze hun gezond verstand moesten gebruiken en dat is een verstand begiftigd met kennis en rede. Vandaar dat hij vooral katholieke gelovigen oproept niet alles te slikken wat geestelijken en leraren hen voorhouden. Neen, ze moeten dat zelf onderzoeken. Hij formuleerde het aldus: ‘Als wat ons geleerd wordt de waarheid is, zal het duidelijk en makkelijk te begrijpen zijn, en het mag daarom worden onderzocht door eenieder die ook maar enig verstand en een kritische blik heeft.’

Filosofie en theologie

Adriaan Koerbagh heeft het in ‘Een Ligt’ ook over de verhouding filosofie en theologie. Eeuwenlang noemde de katholieke kerk de filosofie ‘de dienstmaagd van de theologie’. Koerbagh maakt niet alleen een scheiding tussen beide, zoals Spinoza deed, maar hij zegt zonder omwegen dat de theologie onder de filosofie staat. Het denken staat boven theologische dogma’s en verzinsels. Even duidelijk is Koerbagh over de metafysica, een vak dat aan de katholieke unversiteiten en seminaries werd (wordt) onderwezen. Als meta boven betekent, dan moet men volgens Koerbagh metafysici bovennatuurkundigen noemen. Maar volgens hem betekent meta niet boven, maar na of achter. In ieder geval is het voor Koerbagh duidelijk dat boven, na of achter de natuur niets bestaat. Hij schrijft het in zijn taal als volgt: ‘Dog also daar maar een natuur is, en buyten die niets, so kan daar ook niet meer als als natuurelijke weetenschap zijn en buyten die niets.’

Dat Adriaan Koerbagh in het Nederlands schreef kan niet genoeg worden beklemtoond. In zijn tijd schreven intellectuelen, ook Spinoza, in het Latijn. Maar omdat Koerbagh alle mensen iets wou bijbrengen, vond hij het vanzelfsprekend dat hij ook in de taal van de mensen schreef. Dat werd hem nog kwalijker genomen dan wat hij schreef. Dat ondervond ook zijn broer de predikant Johannes Koerbagh. Die kreeg binnen de kortste keren de grootste problemen met de Amsterdamse kerkenraad. Die verweet hem vooral zijn ideeën onder de ‘gewone mensen’ te verspreiden. Het had de kerkenraad ‘seer bedroeft dat hij, hebbende verscheyde bedenckelyke gevoelens, qualyck had gedaen, deselve onder geringe luyden gemeen te maken’.

Met recht en reden worden Adriaan en Johannes Koerbagh twee van de prominentste vertegenwoordigers van de ‘Vroege Verlichting’ genoemd. Vroege, omdat ze ongeveer een eeuw voor de Franse Verlichting doorbrak. Met deze verdedigers van de rede kon het niet goed aflopen. Na een vlucht naar het graafschap Cuylenburg (nu Culemborg) en na herhaaldelijk verraden te zijn geweest, werd Adriaan in juli 1668 door de Amsterdamse schout Cornelis Witsen er in naam van het christendom toe veroordeeld op een schavot op de Dam te worden vastgezet. Zijn rechterduim moest worden afgehakt, een gloeiende priem moest door zijn tong worden gestoken, al zijn boeken moest worden verbrand en hij moest dertig jaar worden opgesloten in het rasphuis, een gevangenis waar hout werd geraspt voor de ververijen. Omdat dit vonnis buiten proportie werd geacht, werd Adriaan uiteindelijk veroordeeld tot tien jaar rasphuis, tien jaar verbanning uit Amsterdam en een boete van 6.000 gulden. Een jaar later overleed Adriaan in het rasphuis. Zijn broer Johannes werd vrijgesproken, nadat hij eerder een tijd was opgesloten. Hij overleed vier jaar later als een gebroken man.

Maak plaats voor de rede

In 1920 noemde de Rotterdamse spinozist en ‘werkman-filosoof’ Bernard Damme Adriaan Koerbagh ‘een slachtoffer van kerkelijke onverdraagzaamheid… die naast en met anderen den strijd van het denken heeft gevoerd in een tijd, toen de kerk nog als de almachtige was aan te merken’. De filosoof Wim Klever, voormalig hoofddocent van de Erasmus Universiteit Rotterdam, noemde Adriaan Koerbagh in zijn boek ‘Mannen rond Spinoza’ (1997) een humanist, niet alleen omdat hij er in ‘Een ligt’ voor pleitte de mens te bevrijden van elke vorm van onderdrukking, met name door de kerkelijke gezagdragers, maar ook omdat hij probeerde ‘zijn mens- en wereldbeeld rationeel te ontvouwen en te verantwoorden’. Dat mensbeeld was volgens Klever humanistisch ‘voorzover daar niets anders aan te pas komt of voor nodig is dan wat de wetenschappen, vooral de natuurkunde, ons te bieden hebben’.

Besluiten doen we met een citaat uit ‘Een licht dat schijnt in duistere plaatsen’: ‘Duisternis maak plaats voor licht, leugen maak plaats voor de waarheid! Geloof, kerkgezag of Schrift: maak plaats voor wetenschap, wijsheid en rede! Het zou zeer terecht zijn wanneer dit eens gebeurt, en het is nodig dat het licht gaat schijnen in duistere plaatsen, dat de waarheid met volle kracht aan de dag komt en dat wetenschap, wijsheid en rede volop tot bloei komen onder de mensen.’

Boekenreferenties:

Adriaan Koerbagh – Een licht dat schijnt in duistere plaatsen – Hertaling Michiel Wielema – Uitgeverij Vantilt, Nijmegen, 2014, 262 blz.

Bart Leeuwenburgh – Het noodlot van een ketter – Adriaan Koerbagh 1633-1669 – Uitgeverij Vantilt, Nijmegen, 2013, 262 blz.

Geert Mak – De levens van Jan Six – Een familiegeschiedenis – Uitgeverij Atlas Contact, 2016 – 446 blz.