Vergeten figuren in de Kongolese geschiedenis

Facebooktwittergoogle_plusmail

“Kongo, een voorgeschiedenis” is de titel van Lucas Catherines laatste boek. Zijn vijftiende als historicus van Vergeten Zaken, zoals hij zichzelf noemt. Ook nu weer diept hij uit de koloniale en zelfs pre-koloniale periode figuren op die voor het grote publiek, én voor wat meer ingewijden, volslagen onbekend zijn en die toch licht werpen op de relatie tussen een koloniale macht als België en zijn voormalige wingewest, Kongo. Kongo, met een k, ja, zoals we dat vroeger, voor de onafhankelijkheid in 1960, allemaal schreven. Een verre herinnering aan de Bakongo, het volk dat de ruime monding van de Kongorivier bewoont, maar waarvan ik, toen ik Kongo nog met een k schreef, het bestaan niet vermoedde.

Zijn het allemaal relevante figuren die Catherine uit de vergeethoeken van de geschiedenis opspit? Niet echt, daarvoor zijn b.v. Leopold II, Stanley en Joseph Conrad, de Pools-Britse auteur van “Heart of Darkness” te overbekend. Van anderen heeft Catherine wel het stof van de geschiedenis weg moeten vegen om ze ons onder ogen te brengen. Iemand als Pieter van den Broecke, in Antwerpen geboren in dat fameuze jaar 1585, enkele maanden voor de Spanjaarden de calvinisten, onder wie Pieters ouders, uit de stad verdrijven. In Amsterdam maakt Pieter zijn weg in de rangen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Tussen 1608 en 1612 zeilt hij drie keer naar Kongo, op zoek naar ivoor en koper voor de Heeren XVII.  Pieter verzeilt er zelfs tussen de lakens van de koninkszuster, zo noteert hij dat.  Op haar verzoek, let wel. Dat brengt hem een extra rantsoen bananen, limoenen, ananas en boontjes op. Dat de Portugezen al vijfentwintig jaar voor Van den Broeckes eerste reis zoete broodjes bakken met de koning van de Bakongo en zijn zoon naar het Hof in Lissabon uitnodigen, die historie kennen we. Maar Pieter van den Broecke van de VOC?  Nooit van gehoord.

Soms oppervlakkig

Zijn het weetjes, die je in “Kongo, een voorgeschiedenis” leest? Ja en neen. Het is prettig om te vernemen waar in België je monumenten of merktekens vindt, Vergeten Zaken, die naar onze koloniale geschiedenis verwijzen. In “Wandelen naar Kongo. Langs koloniaal erfgoed in Brussel en België” heeft Catherine indertijd verscheidene van die gedenktekens belicht – tot in mijn vaderstad Antwerpen toe -, waarvan ik het bestaan niet kende. Soms ging het hooguit over een ornament in een gevel maar het blijven ontdekkingen.

Nu ook weer. Wist ik veel dat Frans Hals Pieter van den Broecke op een van zijn schilderijen afgebeeld heeft (Waar hangt het, Lucas? Waarom vermeld je dat niet?) en dat er Kongolese sterren te zien zijn op de gevel van het gebouw in de Naamsestraat in Brussel waar nu de filmschool INSAS gevestigd is, de vroegere zetel van de Compagnie du Congo pour le Commerce et l’Industrie. De CCCI was opgericht om de spoorweg tussen Matadi en Leopoldstad aan te leggen, een onderneming uit de stal van industrieel Albert Thys. Juist, die van Thysstad, waar Lumumba gevangen gezeten heeft voor hij aan zijn laatste reis begon, naar Katanga, waar een moordpeloton hem opwachtte. Een van Thys’ medewerkers was Adolphe Stoclet, die het Palais Stoclet liet bouwen aan de Tervurenlaan in Woluwe. Door Art Déco aangetaste Jugendstil, waarvan ik me afvraag of ik het ooit zal kunnen bezoeken. Weetjes, ja. Dat is aangenaam en het gaat ook wel verder. Het maakt je bewuster van het feit welk een impact het koloniale avontuur van Leopold en zijn opvolgers op de Belgische samenleving gehad hebben. Maar toch, het zijn in de eerste plaats weetjes.

Soms diepgravend

Het verhaal van de vergeten Maurice Calmeyn – Van jager tot aanklager – overstijgt die vaststelling. Van liberaal – hij was kandidaat voor de Liberale Partij in De Panne – tot communist evolueert Calmeyn wanneer hij, landbouwingenieur en grootgrondbezitter, in 1908 op zijn eentje acht maanden lang door Kongo trekt. Nu ja, op zijn eentje, met twee Kongolese bedienden, een kok, een verkenner, dragers en flink wat champagne in de kist. Hij jaagt op olifanten maar noteert tussendoor bespiegelingen, die er niet om liegen: “Er zijn zo van die mensen die de zwarten zien als beesten, erger nog, als dingen. Ze mishandelen hen zonder enige reden… Met stelligheid kan ik beweren dat de bevolking nu meer afziet dan in de tijd van de Arabieren…  De bevolking wordt massaal het woud ingestuurd om wilde rubber te oogsten zodat ze geen tijd meer hebben om in hun eigen eten te voorzien. Hele bevolkingsgroepen sterven zo uit…  Hier werd systematisch geplunderd door zowel de Vrijstaat als door commerciële bedrijven die steeds meer en nog meer rubber wilden oogsten.” Vlak voor zijn dood is hij de belangrijkste financier van “Misère au Borinage”, de film waarmee Joris Ivens en Henri Storck het leven in de mijnstreek aanklagen. Calmeyns imposante grafmonument in De Panne is getooid met hamer- en sikkelversieringen.

Racisme en kolonisering

Gelijk heeft Catherine als hij hierop wijst: de geesten evolueren naarmate de kolonisatie van start gaat en op kruissnelheid komt. Met name het racisme neemt hand over hand toe. “Deze historische opkomst en groei van het racisme is ook duidelijk te herkennen bij de figuren in dit boek”, schrijft Catherine. Hij ontwikkelt voorbeelden in “Kongo, een voorgeschiedenis”. Zo probeert tijdens zijn boottocht op de Kongo in 1898 de liberaal Karel Buls, burgemeester van Brussel, in de gedachtewereld van Kongolese vrouwen te kruipen: “Misschien vragen zij zich wel af waarom de blanken, die zo’n grote boten hebben, zo’n trefzekere geweren, prachtige stoffen en veel geld, niet bij hun blanke vrouwen blijven, in plaats van hier de ongerepte zwarten te komen besmetten met hun koortsige activiteiten, hun winsthonger en hun drang naar overheersing.” De kolonisatie roept bij Buls die en andere vragen op, die hij te boek stelt en die we samen met Catherine lezen. Maar dat, zoals de auteur besluit, de burgemeester ervan overtuigd is dat Leopold II het beste is wat de Kongolezen kon overkomen, wel, als we sommige citaten erop nalezen, kunnen we dat alleen maar beamen. Morele overpeinzingen ruimen baan voor steun aan een koloniale onderneming, die zonder racisme nooit zo’n hoge vlucht had kunnen nemen.

Andere uitspraken vinden we bij Albert Thys. In 1887 schrijft hij: “Ik zie geen verschil tussen de negerbevolking en de lagere bevolkingsklassen van Europa. Ze nemen dezelfde houding aan, gedragen zich eender, ze verschillen met andere woorden in niets in hun manier van voelen en denken.” Die edele bedenkingen beletten hem niet om uit te groeien tot een van de grootste Belgische investeerders in Kongo, zeker nadat België Kongo-Vrijstaat van Leopold overneemt.  Zijn Banque du Congo belge wordt dan de nationale bank van de kolonie. Thys heeft m.a.w. zonder verdere bijbedenkingen het koloniale project vorm gegeven.

Wijst Catherine hier op een tendens die ook vandaag de dag geldig is? Ik vraag het me af.  Koestert onze maatschappij populisme, gespierd denken, uiterst rechts ideeëngoed, vreemdelingenhaat, islamfobie en ronduit racisme des te meer omdat we in een onstuitbare golf van door neo-liberaal denken onderstutte globalisering terecht gekomen zijn?  Maakt het bestaan van het ene de totstandkoming van het andere makkelijker, zoals een racistische houding indertijd kolonisering aanvaardbaar maakte? “Kongo, een voorgeschiedenis” roept dat soort vragen op.

Slotbedenkingen

Catherine citeert graag en terecht uit de werken van Vangroenweghe en Delathuy, de ene een amateur-historicus, de tweede een carrièrediplomaat die zich verplicht zag om onder een pseudoniem te publiceren. Dat brengt me bij de begin van de maand overleden Jan Vansina, misschien wel Belgiës meest eminente Afrikanist ooit, Catherine citeert hem één keer. Vansina heeft het grootste deel van zijn loopbaan in de Verenigde Staten doorgebracht. Hij moest wel. De Afrikanisten aan de Belgische universiteiten hebben in zijn ogen nagelaten om specifiek onderzoek te doen naar de kolonisering. Voor hem was er hier geen plaats. Aan de Koloniale Hogeschool in Antwerpen verkochten ze na de onafhankelijkheid hun hele bibliotheek, in Leuven wierpen ze zich op Latijns-Amerika als nieuw studieobject. Met als resultaat dat we de dramatische gevolgen van de winning van Rood Rubber bij Vangroenweghe, en de gang van zaken in De Kongostaat van Leopold II bij Delathuy hebben moeten lezen. Is het overigens normaal dat ik voor Pieter van den Broeckes esbattementen in opdracht van de VOC naar “Kongo, een voorgeschiedenis” van Lucas Catherine moet grijpen? Want – met alle respect – ook dat boek is alweer van de hand van een amateur-historicus, die daarvoor een werk uit 1950, door ene K. Ratelband voor de Linschoten-Vereeniging geschreven, geraadpleegd heeft.

Tot slot. Afrikanen, opgenomen in de Kongolese Weermacht, moesten het gebruik van hun kogels verantwoorden. Een afgehakte hand was zo’n bewijsstuk. Zo konden ze aantonen dat ze iemand gestraft hadden, meestal gedood, omdat die persoon b.v. niet genoeg rubber geoogst had, en niet zomaar op viande de brousse waren gaan jagen. Hoe afzichtelijk de praktijk ook was, er zat een militaire logica achter, een systeem. Jammer dat we dat niet lezen in “Kongo, een voorgeschiedenis”.

 

Kongo, een voorgeschiedenis
Lucas Catherine
EPO
2017
214
Guy Poppe (°1947) is gewezen radiojournalist bij de openbare omroep VRT. Bij het brede publiek is hij vooral bekend als Afrikaspecialist.