Sociaaldemocraten: begeerte heeft hen aangeraakt

Facebooktwittergoogle_plusmail

“De wereld steunt op  nieuwe krachten, begeerte heeft ons aangeraakt”. Zo staat het in De Internationale die op een Eén Meifeest nog wel eens te horen is. Begeerte heeft hen aangeraakt, sociaaldemocraten die de voorbije dagen in ons land aan de schandpaal komen. De sociaaldemocratie zat hier nog niet genoeg in de put,  ze graaft de put zelf nog wat dieper. Transparantie moet haar redden, zegt John Crombez, de voorzitter van de  SP.a. Er zal meer nodig zijn dan transparantie, het is een al lang aanslepende ziekte die wel erger is geworden met de omhelzing van het neoliberalisme.

Het is geen typisch sociaaldemocratisch verschijnsel natuurlijk. De affaires rond François Fillon, presidentskandidaat van rechts in Frankrijk, zijn er een sprekende illustratie van. Zoals de hebzucht van de Democratische presidentskandidate Hillary Clinton die daarmee Trump in de kaart speelde. Er zijn de schandalen rond de Spaanse conservatieven en het Spaanse koningshuis. In eigen land hebben talrijke partijen boter op het hoofd. En het is allemaal minder erg dan de hebzucht van de grote bankiers en speculanten, het stelt allemaal weinig voor vergeleken met de fortuinen aan zwart en misdaadgeld dat in de fiscale paradijzen ligt opgestapeld.

Proces

Maar verder relativeren dan dat, kan niet. In de Internationale staat ook: “De staat verdrukt, de wet is logen. De rijkaard leeft zelfzuchtig voort. Tot ’t merg wordt d’arme uitgezogen. En zijn recht is een ijdel woord. Wij zijn t‘moe naar ander wil te leven. Broeders hoort hoe gelijkheid spreekt…”.  Archaïsche bewoordingen om aan te sporen tot een strijd voor emancipatie. Enkele vertegenwoordigers van de Waalse PS en de Vlaamse SP.a hebben vooral opgekeken naar die rijkaard.

Het zijn geen op zichzelf staande ontsporingen, dit volgt op een lang proces van integratie in het bestaande sociaaleconomisch bestel, het kapitalistische. Van bij het begin zat de arbeidersbeweging met het probleem kaders te vinden voor haar noodzakelijke apparaat. Er waren mensen nodig die konden lezen en schrijven en organiseren. Die vond men in de zogenaamde “arbeidersaristocratie”, geletterden. En die waren ruim aanwezig in de drukkerswereld, de zetters bijvoorbeeld. Zij vormden het apparaat van ontluikende partijen en vakbonden, versterkt door intellectuelen uit burgerij en kleinburgerij.

Commune

Een apparaat is nodig , maar houdt altijd risico’s in. Dat beseften ze al goed met de Commune van Parijs van 1871. De leiders van de Commune namen enkele maatregelen om te voorkomen dat gekozen vertegenwoordigers zouden ‘ontsporen’: hun inkomen mocht niet hoger zijn dan dat van een gemiddeld loon van de arbeiders (beetje het systeem van de PVDA?) en ze moesten permanent afzetbaar zijn. Van cumuls was er toen nog geen sprake.

De Commune werd verslagen, maar het probleem stelde zich snel in alle scherpte bij de groeiende socialistische bewegingen. In het begin ging het om kleinere groepen, maar vooral in Duitsland en België groeiden ze uit tot massapartijen die steeds grotere apparaten nodig hadden. De discussie barstte los over het verband tussen doel en middel, over de rol van een apparaat in de strijd voor een nieuwe maatschappij. Het doel is niets, de beweging is alles, luidde de stelling van Eduard Bernstein, een van de leiders van de Duitse SPD die pleitte voor geleidelijkheid; via hervormingen. De partij moest opkomen voor sociale hervormingen om zo de toestand van de werkende bevolking te verbeteren. Daarvoor was het noodzakelijk de belangen van het apparaat soms te laten voorgaan op de klassenstrijd. Liever geen stakingen of andere acties die de beweging zouden kunnen verzwakken.

Springplanken

De beweging is alles, daarmee bedoelde hij de apparaten van partij, vakbonden en aanverwante. Die moesten zich niet afzetten tegen de maatschappij zoals ze was, maar die van binnenuit hervormen. Regeringsdeelname was de logische stap. In Frankrijk werd de socialist Alexandre Millerand al in 1899 minister (Handel). De grote draai kwam er in 1914 toen de socialisten in alle oorlogvoerende landen bijna eenstemmig – en tegen al hun principes in – de oorlogskredieten goedkeurden. Het was een historische stap naar integratie. Na de oorlog zouden de socialisten in tal van Europese landen ministers, ook premiers, leveren.

Ministers leveren betekent ook massa’s ambtenaren aanstellen, apparaten uitbouwen. De sociaaldemocratische partijen werden springplanken naar een carrière. De arbeidersbeweging bood daarmee zeer ruime kansen op sociale promotie. Het ging niet alleen meer om het apparaat van de partij, soms ook de vakbond, de mutualiteiten, de coöperaties, het ging nu om staatsapparaat. Het partijlidmaatschap bood kansen op een loopbaan in overheidsapparaten, van centrale staat tot lokale besturen. Dat vergrootte de druk om mee te regeren, ook al vergde dat compromissen.

Daarmee konden de socialistische partijen ook een cliënteel uitbouwen, bemiddelen bij aanwervingen tot op lager niveau, deelnemen aan de politieke verkaveling die toeliet benoemingen te doen. Waardoor ze mensen konden aantrekken die via de partij aan een vaste job konden raken.

Smalle basis

Dat cliëntelisme bracht een ander soort leden binnen. De arbeidersbasis van de sociaaldemocratische partijen werd de voorbije decennia in veel landen relatief kleiner, het gewicht van mandatarissen en functionarissen gevoelig groter. De Franse PS is daar een voorbeeld van. Die partij heeft nog nauwelijks leden. Op 1 januari vorig jaar waren slechts 86.171 leden in orde met de betaling van lidgeld. In een bolwerk als le Nord (Rijsel) zijn er nog nauwelijks 5.500 leden. Militanten zijn een zeldzaamheid, de actieve leden zijn gekozenen, hun medewerkers, overheidsambtenaren; de enige nog enigszins relevante arbeidersbasis bestaat uit leerkrachten.

Diezelfde bloedarmoede vinden we in Nederland en België. In Italië verliest de Democratische Partij (verwaterde sociaaldemocratie) op ongeziene schaal leden. De Duitse SPD houdt beter stand, zoals ook het Britse Labour waar een militante basis het haalde op “het apparaat” van nationale mandatarissen.

Hebzucht

Door die massale aderlatingen in veel landen, versmalt de basis van de sociaaldemocratische partijen. Politieke scholing is al lang opgedoekt, het programma (het doel) is al lang geen leidraad meer. Wat voor velen telt is de invloed die de partij kan hebben voor benoemingen, promoties, subsidies. Het gaat minder en minder om carrière en bijverdiensten in de overheidsector, die zetten de deur open voor een sprong naar de privésector, naar lonende deelnames aan de wereld van banken en andere bedrijven. Die partijmensen worden niet gedreven door de drang om de maatschappij te veranderen, maar door simpele hebzucht.

En dat leidt dan tot vervelende situaties als in het Luikse en Gent. Het is allemaal niet illegaal en dat is nog het ergste, het mag allemaal. Ze hebben voorgangers gehad voor wie het wel zonder problemen kon. Het kon voor  prestigieuze figuren als ex-partijleider Karel van Miert die toch ook niet uit socialistische gedrevenheid in de beheerraden van grote firma’s plaats nam? En wat met Luc Van den Bossche voor wie politiek een grote sprong naar een zeer lonende privécarrière was.

Neoliberalen

De cumulards van functies kunnen zich dus afvragen waarom dat erger zou zijn dan cumuleren met allerlei bijverdiensten of carrières bij privéfirma’s. In dat laatste geval is er een duidelijk risico van belangenvermenging, van de verdediging van privébelangen in overheidsdienst. De sociaaldemocratische cumulards kunnen zich ook afvragen waarom zij soms zwaarder worden aangepakt dan anderen. Die anderen zijn mensen die het systeem verdedigen. Van socialisten zou toch moeten verwacht worden dat ze een progressieve emancipatorische visie op de maatschappij hebben. Dat ze ten dienste staan van de samenleving, niet ten dienste van zichzelf.

Het gemak waarmee de sociaaldemocratie zich in het neoliberalisme wentelde, heeft de normen echter verder vervaagd. Hebzucht is de centrale norm van dat neoliberalisme, het is logisch niet af te wijken van die norm. Om deze decadentie tegen te gaan, zouden de sociaaldemocratische partijen moeten breken met dat neoliberalisme. Corbyn probeert het maar wordt binnen zijn Labour zwaar tegengewerkt door “het establishment”, Hamon geeft een aanzet in Frankrijk. Maar ook daar biedt het partij-establishment weerstand, bij een links beleid staan zijn belangen op het spel. De crisis van 2008 had voor de socialistische partijen een kans moeten zijn om het roer om te gooien en een alternatief te bieden voor het neoliberale eenheiddsdenken.

Freddy De Pauw was van 1972 tot 2002 redacteur buitenland bij De Standaard. Hij volgde jarenlang Centraal- en Oost-Europa, een groot deel van Azië (o.m. China) en Italië. Hij publiceerde o.m. bij het Davidsfonds ‘Volken zonder Vaderland’ over de ‘etnische kwesties’ in Centraal- en Oost-Europa; De firma maffia; Italië, moeder van alle smeer; Russische mafija; Handelaars in mensen; Maffia in België en Handelaars in nieuws over trens in de berichtgeving. Werkt sinds de start in 1999 mee aan Uitpers.