Vier vervelende vragen voor links

Links afslaan!
Facebooktwittergoogle_plusmail

Verbijsterd was ik, een goed half jaar geleden, toen een Afrikaanse vriend, behoorlijk radicaal, me schreef dat hij hoopte op een verkiezing van Donald Trump. Kritiek op Clinton, op Obama, ja, waarom niet, maar betekent dit dat Trump beter is?

Nu Trump goed en wel president is en de eerste harde maatregelen uit zijn pen vallen, blijft het verbazen hoe heel wat linkse kameraden zich blijvend bezighouden met het kraken van Clinton en Obama. Nogmaals, die kritiek is grotendeels verantwoord, maar kan dit de prioriteit zijn op een ogenblik dat het proto-fascisme van Trump elke dag duidelijker wordt?

Natuurlijk, sommige programmapumnten van Trump spreken een bepaalde linkerzijde erg aan, economisch nationalisme en antiglobalisme, bijvoorbeeld, we horen dit discours ook in Europa al lang. Maar wie er hier op wees dat dit erg nauw aansluit bij wat ook extreem-rechts te vertellen heeft, werd meestal met banvloeken overladen. Ik heb ervaring. Nu het gaat over een VS-President wiens bedoelingen nog niet voor iedereen duidelijk zijn, valt de schaamte weg. Openlijk, en soms iets minder openlijk, wordt Trump geloofwaardiger geacht dan de ´hypocriete´ democraten.

Vandaar dat ik een paar vragen wil stellen. Om te weten waar we nu staan met onze prioriteiten en met onze alternatieven. Er is overigens nog een bijkomende aanleiding om dit te doen. Afgelopen week-end begon een krant die in Vlaanderen nog steeds als ‘progressief’ wordt voorgesteld met een artikelenreeks over ‘waar het nu naartoe moet met de linkerzijde’. Vreemd genoeg werd die vraag alleen aan centrumlinkse en centrumrechtse auteurs voorgelegd. Het is evident dat hier geen antwoorden van kunnen komen.

Ik neem daarom de handschoen op. Als er duidelijke antwoorden komen op de vier onderstaande vragen, kunnen we misschien weten waar links inderdaad naar toe wil. En kunnen we op die basis concrete alternatieven en prioriteiten bepalen.

De vier vragen hebben te maken met een mogelijke verwantschap met de rechterzijde. Het lijkt me immers dat ook al zien links en rechts eenzelfde soort probleem, hun oplossing daarom niet identiek moet zijn. Het scheiden van het kaf en het koren is daarom van essentieel belang om mensen wegwijs te maken in het politieke landschap.

Vraag één: de Europese Unie

Vraag één heeft te maken met de Europese Unie, een erg oud zeer. Radicaal links slaagt er nog steeds niet in een eensluidend alternatief te formuleren voor het nefaste beleid dat nu wordt gevoerd. Sommigen zijn radicaal tegen dit beleid, zonder daarom het Europese integratieproject zelf te willen verguizen en zonder daarom tabula rasa te willen maken van de instellingen. Anderen zien ook die instellingen niet zitten en beweren dat het beleid in die instellingen zelf zit ingebakken.

Er wordt dan geschermd met soevereiniteit en democratie, met het ontbreken van een Europese demos zodat die democratie per definitie onmogelijk is, eventueel met intergoevernementele samenwerking die te verkiezen valt boven supranationaliteit.

Mijn persoonlijke standpunten zijn gekend, ik wil ze hier niet herhalen. Wel herhaal ik dat beide standpunten legitiem kunnen zijn, maar dat ze helaas ook incompatibel zijn. Zolang men geen kant kiest en op beide benen blijft dansen, valt er van radicaal links geen duidelijk alternatief te verwachten.

Mijn vraag geldt daarom voor al diegenen die denken dat er met de bestaande instellingen geen land te bezeilen valt en voor al diegenen die Europese integratie afwijzen. Dit standpunt sluit nauw aan bij dat van mensen als Nigel Farage van UKIP, bij de voorstanders van Brexit, bij de aanhangers van Le Pen en tot op zekere hoogte van de NVA. We zijn het er over eens dat dit geen bondgenoten van radicaal links kunnen zijn. Mijn vraag is daarom in welk opzicht de oplossingen van radicaal links verschillen van die van extreem rechts. Waar wil radicaal links naartoe met het Europees beleid, als dat al mag bestaan?

Vraag twee: vrijhandel?

Radicaal links voert tot vandaag actie tegen vrijhandelsverdragen zoals TTIP en CETA. Terecht. Deze verdragen bevatten bepalingen die de Europese voorzorgsbepalingen en veiligheidsnormen naar de prullenbak kunnen verwijzen en voeren conflictmechanismen in die te veel macht verlenen aan multinationale bedrijven.

Ook Trump en met hem andere extreem-rechtse politici zijn tegen vrijhandelsverdragen. Met dezelfde argumenten?

De linkerzijde heeft met succes actie gevoerd tegen de WTO, die vandaag niets meer dan een lamme goedzak is. Maar de WTO werd wel met succes omzeild door duizenden bilaterale handels- en investeringsverdragen af te sluiten. De spaghettibowl die daardoor ontstaan is kan al lang niet meer ontward worden door de meest deskundige ngo’s, laat staan door zeg maar de douanebeambten van arme Afrikaanse Staten. Of met andere woorden: onze acties tegen de WTO hadden succes, maar zijn we nu beter af? Hadden we niet langer moeten nadenken over onze alternatieven?

En nogmaals. Waarin verschilt de ideologie van onze acties van die van Trump en consoorten? Wat stellen we in de plaats?

Vraag drie: antiglobalisme

Deze vraag sluit nauw aan bij de vorige. De linkerzijde heeft zich altijd ‘andersglobalistisch’ genoemd, maar we kunnen niet anders dan stellen dat deze opstelling grondig is mislukt. Nooit werd er een concreet alternatief voor de neoliberale mondialisering uitgewerkt. Nooit werd er gezocht naar een weg tussen de fanaten van die neoliberale mondialisering en de miereneukers van het antiglobalisme.

Staan we nu achter dat economisch nationalisme? Betekent dat ook protectionisme? Betekent dat enkel de voorkeur geven aan wat ook nationaal kan geproduceerd worden? Betekent het de fanatieke verdediging van nationale soevereiniteit? Kan dat overigens nog in onze hoogtechnologische wereld?

De vraag is wel zeer belangrijk in het licht van de vele discussies die momenteel plaats vinden over ‘commons’. Velen pleiten voor een terugplooi op locale gemeenschappen, op onderlinge en vrijwillige solidariteit, op locale munten, enz. Een Michel Bauwens meent de oplossing te vinden in ‘nomadische en transnationale stammen’ die locaal werken maar transnationaal met elkaar overleggen. Ik blijf me afvragen hoe dat dan moet met onze telefoons en tablets, waar vliegtuigen zullen vervaardigd worden, en hoe men aan de grondstoffen komt om dit allemaal te produceren. En ik vermoed dat we willen blijven koffie drinken en sinaasappelen eten.

Vandaar: hoe zien wij die mondialisering nu? Gewoon anders? Of moet ze verdwijnen?

Vraag vier: en de moderniteit?

De vraag kan verbazen, maar ze is direct gekoppeld aan wat neo-conservatieven en extreem-rechts in het vizier hebben. En ook hier bestaat twijfel over wat de linkerzijde wil.

Het postmoderne denken heeft reeds komaf gemaakt met een aantal taboes. Links en rechts werden relatieve begrippen. Ontwikkeling en emancipatie zijn vervuild door het koloniale machtsmisbruik, culturen werden vernietigd, de blanke man moet voortaan zijn mond houden. Politiek correct denken geeft de voorrang aan vrouwen en kleurlingen.

De kritiek op de moderniteit heeft er in Latijns Amerika toe geleid dat heel wat intellectuelen ze gewoon afwijzen. Voor hen is moderniteit gelijk aan kapitalisme en gelijk aan kolonialisme en betekent het niet meer dan slavernij. In hun denkwerk over ‘buen vivir’ maakten ze ook duidelijk dat socialisme en kapitalisme gewoon twee keerzijden zijn van die ene medaille die moderniteit heet.

Nu is er inderdaad heel wat kritiek te geven op de manier waarop het Westen zijn ‘normen en waarden’ niet heeft ingevoerd in de veroverde gebieden. En er valt al evenveel kritiek te geven op de manier waarop de natuur werd vergeten in het denken. Vrouwen overigens ook. Of met andere woorden, het zou ons sieren mochten we die moderniteit, misschien samen met de Latijnsamerikaanse critici, even onder de loep kunnen nemen. Schuld bekennen, jazeker, voor wat er fout is gelopen, beseffen dat het denken op sommige punten tekort schiet, maar eveneens om die zaken te verdedigen die vandaag verdedigd moeten worden. Mensenrechten bijvoorbeeld, gelijkheid van alle mensen, scheiding van kerk en staat en scheiding der machten, enz.

Dat dit nodig is, wordt vandaag overduidelijk als we zien hoe extreem-rechts er over denkt. Ico Maly maakte die oefening al voor Vlaanderen. De strekking waartoe Trump en een flink deel van zijn regering behoort, wil maar al te graag komaf maken met een aantal verworvenheden. Hetzelfde geldt trouwens voor de rechts-populistische (zoals ze vandaag genoemd worden) of extreem-rechtse partijen en politici in Europa. Er staat ontzettend veel op het spel. Helaas zijn de linkse kameraden – tot voor kort in elk geval, zoals bleek in de ter ziele gegane Vooruitgroep – niet bereid hierover na te denken. ‘We voelen ons niet aangesproken’.

Hopelijk verandert dit snel. Want wil de linkerzijde überhaupt een toekomst hebben, dan zal dit punt hoog op de agenda moeten komen. Dit komt niet enkel door de traditioneel extreem-rechtse en eeuwig anti-moderne krachten die nu zowat overal ter wereld aan het werk zijn, maar ook door een radicaal islamisme waar al te makkelijk overheen wordt gefietst. Er is een reële bedreiging en ik vraag me af hoe de linkerzijde hierop wil reageren.

Besluit

Radicaal links heeft vaak vergelijkbare punten van kritiek op ‘het systeem’ als extreem-rechts. Toch staan hun waarden lijnrecht tegenover elkaar. Het gaat dus helemaal niet op om, zoals de media het graag voorstellen, te stellen dat ze objectieve bondgenoten zijn en gezamenlijk moeten afgewezen worden.

Om die onzin tegen te gaan is het echter wel nodig om duidelijk te maken waarin de oplossingen van radicaal links en extreem-rechts van elkaar verschillen. Dit kunnen de stapstenen zijn om te werken aan concrete alternatieven en om te vermijden dat mensen, wegens gebrek aan kennis en inzicht, de keuze voor rechts maken.

Ik blijf denken dat de kritiek op Clinton en Obama vandaag volledig misplaatst is. Obama heeft veel migranten uitgewezen, dat klopt, maar hij heeft ook een regularisatie  voorgesteld die door het Congress niet werd goedgekeurd. En vooral, zijn oogmerk was geen racisme. Clinton mag van interventionisme beschuldigd worden, maar het was niet haar doel om de moeizaam opgebouwde en broze multilaterale wereldorde overhoop te gooien. Er mag heel veel fout zijn met de Europese Unie, maar moeten we jubelen als ze straks volledig uit elkaar valt? Daden kunnen op het eerste gezicht verwantschap tonen met elkaar, maar de achterliggende ideologie zal ons vertellen hoe we ze moeten beoordelen en hoe we ons verzet moeten organiseren.

Het zijn ernstige vragen. En ik hoop dat men ze met ernst zal willen beantwoorden. Het is mijn overtuiging dat dit ons een hele stap vooruit kan helpen in het formuleren van aantrekkelijke alternatieven.

 

Francine Mestrum is doctor in de sociale wetenschappen en doet onderzoek naar sociale rechtvaardigheid, ontwikkeling en samenwerking, armoede, ongelijkheid en mondialisering. Zij is voorzitter van het mondiale netwerk van Global Social Justice (www.globalsocialjustice.eu) en werkt momenteel aan een project voor ‘social commons’ (www.socialcommons.eu ) voor een transformatieve en universele sociale bescherming.