Het Havana van een liefhebber

Facebooktwittergoogle_plusmail

‘Havana zonder make-up’ is een boeiend boek over een al even boeiende stad, geschreven met de pen van een minnaar die ‘zijn’ Havana toont zoals het er volgens hem uitziet: een mengsel van extreme zwaarmoedigheid en jeugdige overmoed. Een mooi staaltje van literaire non-fictie.

Al die beelden en nog oneindig veel meer, met al hun anarchie en uitbundigheid en weemoed zijn voor mij het echte Soy Cuba: een vuurwerk van onmogelijke ingrediënten, een film in eigen hoofd, waarin de wandelaar de altijd kwetsbare figurant is, hopeloos verliefd op een Havana zo complex dat zij nauwelijks lijkt te kunnen bestaan. Maar ze is er. (p. 243)

Zo eindigt Herman Portocarero zijn verhaal over Havana. Alleen al de literaire stijl geeft aan dat dit niet het zoveelste boek is van een politieke fellow traveller die zijn politieke waarheid ventileert over dat banaanvormige eiland voor de kust van de Verenigde Staten.

Schrijver-diplomaat

Om verschillende redenen is ‘Havana zonder make-up’ anders. De auteur is een schrijver en diplomaat die al vanaf 1995 beroepshalve in Havana woont en die daardoor de stad niet als een oppervlakkige toerist maar van binnenuit heeft leren kennen en appreciëren. Sterker: hij is er verliefd op geworden en dat laat hij in zijn bloemrijke taal op vrijwel elke bladzijde blijken. Hij woonde in de buitenwijk Siboney ten westen van Havana, waar ook Fidel Castro zich na zijn ziekte in 2006 had teruggetrokken. Ook Juan Formell, de stichter van de salsagroep Los Van Van – onlangs overleden -, verbleef in dezelfde buurt.

Portocarero kan en mag dus spreken als inwoner en dat doet hij ook: ‘Grote delen van de stad zijn elegante ruïnes. Zelfs deze beschrijving is storend, want ze ziet als pittoresk of kleurrijk wat voor gebruikers en bewoners van die buurten niet zo is.’ (p. 15)

Ja, Herman Portocarero heeft iets met Havana, zowel het tegenwoordige als het historische, want één van zijn voorouders, kapitein-generaal Portocarrero, woonde er… maar daar kon zijn verre nakomeling Herman amper fier op zijn, want volgens de geschiedenis was hij het die de stad aan de Engelsen overgaf.

‘Gids’ Portocarero

Het boek over ‘zijn’ Havana is opgebouwd uit 78 korte stukjes die in willekeurige volgorde kunnen worden gelezen, maar die allemaal stukjes uitmaken van de ingewikkelde puzzel die Havana is. Op die manier construeert de auteur een impressionistisch en verwarrend totaalbeeld waarin extreme zwaarmoedigheid, jeugdige overmoed en revolutionair elan elkaar niet voor de voeten lopen, maar elkaar eerder completeren. Op die manier ook komt de lezer dingen aan de weet over die fascinerende stad die hij in geen enkele reisgids zou aantreffen. De lezer kan in de hoofdstukjes rondwalen zoals de auteur dat doet in ‘zijn’ Havana. Beter nog is om je eenvoudig te laten meeslepen door de ‘gids’ Portocarero. Misschien is dat nog de boeiendste manier om dit boek te lezen. ‘Volg me door Centro Havana, langs Belascoáin, naar Cuatro Caminos, en vandaar via Monte naar het belle-époquestadsdeel rond het Capitolio. De trottoirs zijn meestal verlaten, hier en daar wordt luidruchtig een partij domino gespeeld. Een paar passanten te voet of op een krakende fiets dragen bundeltjes van bescheiden smokkelwaar.’ (p. 19) Verken en bestudeer met Portocarero de antieke Chevrolets en andere prerevolutionaire Amerikaanse auto’s die in Havana’s dialect almendrones heten: grote amandelen, vanwege hun afgeronde, langwerpige vormen. Je kunt ook wandelen met Portocarero in Vedado, de betere wijk tussen Centro Havana en de Río Almendares, waar de jonge Fidel Castro studeerde en op een piepklein appartement plannen beraamde om de Moncadakazerne in Santiago de Cuba te overvallen en waar hij op oudere leeftijd vaak naartoe ging om in het appartement van zijn geliefde Celia Sánchez, dat een klein museum is geworden, haar nagedachtenis te eren. ‘In Vedado worden alle contouren omfloerst met weelderige half verwilderde tuinen en door de laurier- en banyanbomen die met hun uitspreidende wortels zelfs de voetpaden doen leven.’ (p. 72)

Op zijn wandeling door de Joodse kolonie schetst de auteur ook even de migratie van de diamantsector uit Antwerpen naar het Havana vanaf 1942. En zo belandt hij uiteindelijk ook in gedachten even in het Spaanse Cádiz dat hij de kleinere zus van Havana noemt en waar Cubaanse rumba zich vermengde met de traditionele flamenco om cantos de ida y vuelta, zangen van komen en gaan, te worden. Maar Portocarero vergeet natuurlijk ook geen bezoek te brengen aan het legendarisch Hotel Nacional waar bijna alle grote der aarde wel eens onder de dure lakens zijn gekropen.

Stad en revolutie

Dit genationaliseerde Grand Hotel nodigt Portocarero uit tot enkele beschouwingen over Havana toen en nu: ‘Tijdens de eerste helft van de twintigste eeuw was de stad een centrum van elegantie en geweld, van commercieel uitgebuite sensualiteit en van corruptie. De Cubaanse revolutie plaatste haar op de wereldkaart op een totaal verschillende manier, als het brandpunt van slogans en vurige redevoeringen. Een halve eeuw later hebben die diverse fasen de stad gekneed en getekend op een unieke manier, tussen extreme utopie en extreme verwaarlozing.’ (p. 14).

Portocarero heeft het ook over de stad en de revolutie en hoe die elkaar beïnvloeden: ‘De revolutie heeft ook hard geprobeerd de realiteit tot geruststellende idealen om te zingen – misschien werkt dat soms en voor sommigen, aan de oppervlakte. Maar eronder zullen de Nacht en de Stad altijd hun eigen regels en rijmen blijven volgen.’ (p. 60) Ondanks de CDR (Comités de Defensa de la Revolución) (‘In Havana is het gehele systeem soms afgegleden naar de wat zielige hinder van klappeien die de buurt bespieden, p. 142)’ en ondanks de CDR-krokodil die nog op talloze muren van Havana staat met een even duidelijk bericht als Gods oog voor de bange katholieke kinderen van weleer: ik zie en weet alles, p. 142)’.

In zijn inleiding schrijft Portocarero dat 17 december 2014 een zeer belangrijke datum voor Cuba was, want op die dag beloofden Barack Obama en Raúl Castro plechtig dat zij een halve eeuw van tropische Koude Oorlog wilden begraven. Intussen is Donald Trump tot president verkozen en is het maar zeer de vraag of die voorzichtige toenaderingen niet radicaal zullen worden teruggeschroefd. In het hoofdstukje over ‘De Plaza de la Revolución’ beschrijft hij zijn nachtelijke wandeling langs dit centrum van de macht en mijmert: ‘De hele stad, rond de verlaten Plaza, ademt op een vreemde manier een mengsel van grootsheid en onverschilligheid uit. Zij werd gedurende een halve eeuw gedomineerd door wilskracht die zichzelf als een titanische, alles omvormende kracht zag – en niet enkele binnen Havana en Cuba, maar tot aan het einde van de wereld.’ (p. 99)

Met de pen van een minnaar

Hoe moet het nu verder met Cuba na Fidel Castro? Hoewel het boek geschreven is vóór de dood van Fidel gaat hij daar toch ook even zijdelings op in – de politiek is echter niet zijn hoofdthema, wel de stad – wanneer hij schrijft: ‘Officieel verwerpt Cuba het etiket van overgangseconomie. We zijn enkel bezig het bestaande socialistische model aan te passen. Het Chinese model gaat ons veel te ver, Vietnam voelt beter. We zullen dus alles redden wat we hebben en het alleen maar verbeteren.’ (p. 51). En wat denkt Portocarero er zelf van? ‘Niet alleen als diplomaat maar ook als minnaar van Havana ben ik ervan overtuigd dat verandering geleidelijk en vanuit de bestaande instellingen moet gebeuren.’ (p. 147)
Deze uitspraak van een getalenteerde schrijver die van diplomaat ook minnaar is geworden van een stad is bij deze genoteerd. Zoals ook de titel suggereert, beschrijft hij Havana zonder make-up, maar door zijn gevoelige personal touch voegt Portocarero er toch nog een extra dimensie aan toe.

‘Havana zonder make-up’ is een boeiend boek over een al even boeiende stad, geschreven met de pen van een minnaar, die ‘zijn’ Havana toont zoals het er volgens hem uitziet: een mengsel van extreme zwaarmoedigheid en jeugdige overmoed. ‘Havana zonder make-up’ is een mooi staaltje van literaire non-fictie.

Havana zonder make-up
Herman Portocarero
Van Halewyck
2016
254
9789461314734
Borgerhoutenaar Walter Lotens (°1942) noemt zich een glokale burger. Deze gepensioneerde leraar, mede-oprichter van de Actiegroep Kritisch Onderwijs (AKO), moraalwetenschapper, publicist en Latijns-Amerikawatcher schreef voor LA Chispa, een Nederlandstalig magazine over Latijns-Amerika en de Cariben, het Belgische De Reiskrant en voor de Surinaamse krant “De Ware Tijd” en nu voornamelijk voor de webzine voor internationale politiek uitpers.be, waarin hij niet alleen uitvoerig aandacht besteed aan Latijns-Amerika, maar ook aan het Antwerpse mobiliteitsdossier.