Een dwarsliggende, halve Indiaan

Facebooktwittergoogle_plusmail

Meer dan 800 pagina’s voor een biografie van Albert Helman: is dat nog wel gepermitteerd en, bovendien, hoe leesbaar is zo’n dikke turf? Ik stelde mij de vraag vooraf bij het wegen van de kanjer. Mijn scepsis viel echter weg bij het lezen, want ondanks al de eruditie en het jarenlange opzoekwerk van de auteur is deze biografie geen omgevallen boekenkast geworden. Daarvoor staat de vaardige en tevens hybride pen in van Michiel van Kempen die zowel uit een academisch als uit een journalistiek vaatje weet te tappen

‘Van alle Surinaamse schrijvers is Helman de enige die al sinds jaar en dag behoort tot de gecanoniseerde Nederlandse literaire keurbende. Over geen enkele andere Surinaamse auteur is zoveel geschreven (al gebeurde dat nooit uitputtend), geen van hen is zo vaak geïnterviewd (maar het was vaak niet genoeg), er is geen tweede die zoveel heeft gepubliceerd (maar zelf zegt hij: noem mij het aantal niet, dan ga ik mij schamen) en hij is de enige die de Vijverbergprijs en een eredoctoraat heeft gekregen (maar voor een man met zo’n oeuvre heeft hij schrikbarend weinig literaire prijzen gehad). Overigens is Helman ook te tegendraads om veel lof ‘van bovenaf’ in ontvangst te willen nemen. Toen koningin Wilhelmina hem na de oorlog vroeg welke onderscheiding hij voor zijn verzetswerk verwachtte, zei hij: ‘O, geen enkele, ik heb het voor de aardigheid gedaan.’ Niettemin heeft hij zijn lintje van Oranje Nassau, hem in zijn vestzakje gestoken door gouverneur Curry met de woorden: ‘Hier, dat kun je tenminste niet meer weigeren.’ De onderscheiding is één van Helmans best bewaarde geheimen.’

Een uitputtende studie

Dat schreef Michiel van Kempen in 1994 in ‘Woorden op de Westenwind’, waarin hij tien portretten schetste van ‘Surinaamse schrijvers buiten hun land van herkomst’. Het eerste portret is dat van Albert Helman op latere leeftijd, mooi in beeld gebracht door fotograaf Michel Szulc-Krzyzanowski, waarvan ook foto’s zijn binnengeslopen in de biografie ‘Rusteloos en overal’.

Deze tekst is slechts een van de vele vingeroefeningen die de Nederlandse literator-academicus Michiel van Kempen maakte – hij is zowel romancier, dichter, essayist als surinamist en bekleedt een bijzondere leerstoel Nederlands-Caraïbische Letteren – om de figuur en het werk van Albert Helman te benaderen.

Van Kempen heeft iets met Suriname en met Caraïbische literatuur, al heel lang. Van 1983 tot 1987 werkte hij in Paramaribo als leraar Nederlands en dat verblijf zal een blijvende stempel drukken op zijn literair en academisch werk. Samen met neerlandica Els Moor – de auteur draagt deze biografie op aan de liefdevolle nagedachtenis van haar – startte hij met een literaire pagina in de Surinaamse krant de Ware Tijd (een pagina die trouwens nog altijd bestaat), waarin zij een bijdrage wilden leveren aan het bekendmaken en kritisch bespreken van Surinaamse en, bij uitbreiding, Caraïbische literatuur.

In zijn inleiding schrijft Van Kempen dat hij al in 1989 dacht aan een biografie over Albert Helman. Voorwaar geen makkelijke klus. Helman werd 93 jaar en op die tijd schreef hij volgens Van Kempen ongeveer 130 boeken – voor de bibliografie van Helmans werken alleen al heeft de biograaf 26 pagina’s nodig – waaronder een kanjer van méér dan duizend bladzijden (‘Waarom niet?’ uit 1933). Waarschijnlijk zijn het er nog wel meer, want Albert Helman is vermoedelijk de auteur met het grootste aantal pseudoniemen in het Nederlands taalgebied. Samen met zijn eerste vrouw, Leni Mengelberg, schreef hij onder de naam Marion Bekker een drietal kookboekjes. Verder schreef hij ook nog onder de pseudoniemen Rolf Keuler, Jo Jaspers, Nico Slob, Joost van den Vondel, Hella Bentram, Beckmesser, Hypertonides, Friedrich Nietzsche en J.B. Ternoten. Dit is een zeer onvolledige opsomming want Van Kempen heeft twee pagina’s nodig voor een lijst van gebruikte pseudoniemen, want zelfs zijn meest bekende nom de plume Albert Helman – zijn werkelijke naam is Lou Lichtveld – is er een van.

27 jaar later en 20 jaar na het overlijden van de schrijver ligt de erg lijvige biografie er dan toch. Het is een uitputtend werk geworden, zowel letterlijk als figuurlijk: 863 pagina’s waarvan meer dan 200 met noten en verwijzingen, verlucht met een groot aantal zwart-witte foto’s waarvan vele baden in een epoque sfeer. ‘Rusteloos en overal’ is een uitgave van In de Knipscheer, een kleine uitgeverij uit Haarlem, waar ook Albert Helman op het einde van zijn leven mee in zee is gegaan. Via dezelfde uitgever ontmoeten biograaf en geportretteerde elkaar ook nog eens op papier.

Van Kempen is niet alleen de ‘kamergeleerde’ die zich alleen maar verdiept heeft in stoffige archieven; hij trok ook voortdurend op pad om literaire sporen te kunnen traceren. Zo heeft hij ook Albert Helman op het einde van zijn lange leven persoonlijk leren kennen. Het klikte blijkbaar tussen beide heren en dat heeft in het begin van de jaren negentig geleid tot een samenwerking voor enkele publicaties waaronder ‘Verdwenen wereld’ en ‘Adyosi/Afscheid’. Van Kempen kende dus de oudere Helman persoonlijk, maar om het leven van deze man dat bijna een volledige eeuw overspande (1903-1996) beter te begrijpen en in beeld te kunnen brengen, zocht hij, in het spoor van de polyglotte wereldreiziger die Helman was, naar personen die stukjes van het beeld van deze gecompliceerde figuur konden helpen completeren.

In achttien forse hoofdstukken probeert de biograaf de belangrijkste periodes in het leven van Albert Helman te schetsen. Helman heette in werkelijkheid Lodewijk ‘Lou’ Alphonsus Maria Lichtveld en werd op 7 november 1903 in Paramaribo geboren. Albert Helman was de achterkleinzoon van een door Hernhutters bekeerde Indiaan en een kleinzoon van een in Nederland katholiek geworden grootvader die zich bij terugkeer in Suriname als smid in Paramaribo vestigde. Biologisch was Helman dus een halve of een kwart Indiaan. Zijn ouders behoorden tot de gegoede middenstand voor wie het normaal was dat hun kind in Nederland zou gaan studeren. De Lichtvelds behoorden tot de stedelijke Surinaamse gekleurde elite. Lou’s vader was koloniale ontvanger en betaalmeester bij het departement van Financiën. Toen hij twaalf was vertrok het gezin voor een jaar naar Nederland. De Lichtvelds keerden terug naar Suriname, maar Lou bleef achter in een seminarie in Roermond waar hij zou worden opgeleid tot priester. De roeping duurde niet lang, want het heimwee ‘naar het land waar zijn navelstreng begraven ligt’ was groot. Het zou hem een leven lang bezig houden.

In Suriname behaalde hij zijn onderwijzersacte en op zijn achttien vertrok hij opnieuw naar Nederland, waar hij in Amsterdam kon beginnen als onderwijzer en organist. Hij werd muziekrecensent bij De Maasbode en kwam ook in aanraking met schrijvers van het progressief katholieke tijdschrift De Gemeenschap. Aangespoord door zijn literaire vrienden schreef de jonge Lichtveld in 1926 het nostalgische ‘Zuid-Zuid-West’, dat niet alleen een lofzang werd op de schoonheid van Suriname, maar ook een felle, Multatuliaanse klacht inhield tegen het Nederlands kolonialisme. Vooral de epiloog werd in koloniaal Nederland slecht onthaald. Deze laatste bladzijde uit zijn prozadebuut kwam Helman duur te staan. Het kostte hem niet alleen een hoogleraarschap in Leiden waar men een leerstoel in de creolentalen wilde oprichten, maar sindsdien stond hij bij de militaire inlichtingendienst bekend als een gevaarlijk antikoloniaal. ‘Ik werd overal uitgeschopt. Die bladzijde is de duurste uit mijn leven,’ zei Helman daarover later.

Anarcho-socialist

Helman was aanwezig als ooggetuige van belangrijke gebeurtenissen uit de 20ste-eeuwse wereldgeschiedenis. Een ervan was de Spaanse burgeroorlog. Helman had zich losgemaakt van het geloof en was als radicaal-linkse socialist betrokken geraakt bij de Spaanse burgeroorlog (1936-1939). Hij werd correspondent voor de NRC en De Groene Amsterdammer en streed aan de zijde van de anarchisten tegen Franco. Over zichzelf sprak wij wel eens als ‘anarcho-socialist’, een partijganger zonder partij, en dat is, zoals Van Kempen opmerkt, natuurlijk een schrijverspositie bij uitstek. Helman leert in Spanje dat zijn sterkste wapen de pen is. Na een tocht, waarbij hij als journalist toch een wapen droeg, schrijft hij: ‘Bij het ontwaken weet ik met de grootste stelligheid: geen geweer meer. Mijn vulpen is een beter wapen!’. In en over die periode schreef hij o.m. ‘De dolle dictator’ (1935), ‘Aansluiting gemist’ (1936), ‘De sfinx van Spanje’ , ‘Beschouwingen van een ooggetuige’ (1937), een bloemlezing Spaanse poëzie ‘De put der zuchten’ (1941) en – veel later – ‘De slagboom’ (1960).

In het verzet

Begin 1940 publiceerde Helman een boek over de tragedie van de Joodse vluchtelingen (‘Miljoenenleed’). In mei 1940 vielen de Duitsers Nederland binnen en Helman dook onder. Gecamoufleerd als ‘Groothandelaar in gezelschapsspelen en aanverwante artikelen, vakgroep papierwaren’, maakte Helman gedurende de vijf jaar van bezetting deel uit van de verzetsgroep, die werd geleid door de beeldhouwer Gerrit-Jan van der Veen. Hij maakte niet alleen verzetspoëzie, maar vervalste ook persoonsbewijzen en verrichtte spionageactiviteiten. Albert Helman schreef in 1945 een boek over die periode: ‘Gerrit-Jan van der Veen, een doodgewone held’. De mens, zoals Helman meende dat Gerrit-Jan van der Veen dit net zo heeft ervaren ‘staat als kind tussen twee werelden en daarom mogelijk overal en nergens’. Het is Helman al lang duidelijk geworden dat leuzen als ‘voor het vaderland’ op onzin berusten.

De atypische politicus

Gedurende een korte periode vertaalde Helman zijn maatschappelijke inzet door in de politieke arena te treden. Hij hield er zeer gemengde gevoelens aan over. Die episode in Helmans leven beschrijft Michiel van Kempen in hoofdstuk 10 ‘Tumultueus ministerschap in Suriname; 1949-1951’. Toen Helman na de Tweede Wereldoorlog naar zijn geboorteland terugkeerde, zagen de Surinamers in hem een toekomstige politieke figuur van bijzondere allure. Helman: ‘In die tijd leek ik wel een soort Messias voor ze, die ze dingen kwam vertellen die ze nog nooit hadden gehoord’. Hij werd lid van de creools nationalistische NPS voor welke partij hij in 1949 minister van Onderwijs en Volksgezondheid werd. De meeste van zijn hervormingen stuitten op heel wat weerstand. ‘Als op een eigen onherbergzame, maar allesbehalve stille plantage had ik daar een voortdurende strijd te voeren om iets van de grond te krijgen en het groeiende te houden tegen alle overwoekering in die mijn bedrijvigheid bedreigde; het ingewortelde, traditionele kolonialisme dat zich ook van mijn eigen mensen had meester gemaakt’, gaf hij jaren later als verklaring voor die weerstand.
Op onderwijsgebied richtte hij in 1950 de eerste middelbare school (AMS) en de eerste kweekschool op. Helman: ‘Volksvertegenwoordigers hadden allemaal maar mulo-diploma’s, dus het heeft mij een heleboel doorzetting gekost. Ik heb ontzaglijk moeten smoezen om de AMS erdoor te krijgen.’

Ook op het terrein van de volksgezondheid ging Helman voortvarend te werk. De minister benoemde gezondheidswerkers die alle huizen en erven in de stad bezochten om muskieten te verdelgen. Hoewel zij geen enkele wettelijke bevoegdheid hadden om huizen binnen te gaan, beval minister Lichtveld: ‘Jullie doen het maar. Als ze niet willen stoot je de deuren open en spuiten.’ Door zijn beleid werd Paramaribo in enkele jaren malariavrij. Hij verwierf zich daardoor ook een bijnaam, die hem als oud-verzetsman pijn moet hebben gedaan: Hitler.

Twee jaar na zijn benoeming kwam hij als minister van Volksgezondheid zwaar in aanvaring met de medici van ’s Lands Ziekenhuis. Nadat hij de invloedrijke gynaecoloog en politicus Van Ommeren ‘wegens insubordinatie en ondisciplinair gedrag’ had ontslagen, kreeg hij politiek veel tegenwind, ook vanuit zijn eigen partij. Er werd uiteindelijk een motie van wantrouwen tegen hem ingediend en op 13 januari 1951 trad hij af.

Albert Helman zei over die periode tegen Van Kempen: ‘Dertien jaar lang heb ik me in Suriname het apezuur gewerkt. ‘s Avonds kwam ik thuis en ik viel op de divan neer en was direct in slaap. Maar natuurlijk hoorde ik altijd: jij bent zo lang weg geweest, jij kent de dingen hier niet meer, altijd werd dat weer gezegd…’

Om hem weg te promoveren uit een functie voor het leven werd de ‘lastige’ Helman in 1961 door de Surinaamse overheid overgedragen aan de Nederlandse diplomatieke dienst. Hij werd gevolmachtigd koninkrijksminister in de Verenigde Staten. Een jaar later overleed zijn tweede echtgenote, Lili Cornils. De klap kwam hard aan. Hij wilde zich volledig terugtrekken uit de diplomatieke dienst. Op aanraden van de Nederlandse regering werd Helman op Tobago (Trinidad) ambassador on call voor Latijns-Amerika, een functie die hij tot aan zijn pensionering in 1967 bekleedde. Vanaf die periode pendelde hij voortdurend tussen Tobago, Amsterdam en het Italiaanse Airole; drie huizen die voor hem ‘een oase zijn onderweg van Ispahan naar Caïro’.

De dwarsligger

Helman was geen makkelijk man. Hij noemde zichzelf een dwarsliggende Indiaan en dat ondervond vrijwel iedereen met wie hij in contact kwam, ook zijn eigen dochter Noni die een Surinaamse vlag had ontworpen waarvan hij publiekelijk zei dat hij het ‘een foeilelijke vlag’ vond. Deze anekdote typeert Albert Helman ten voeten uit. Hij was zeker niet altijd een beminnelijk persoon. Michiel van Kempen schrijft: ‘Hij is geen man van het compromismodel. Wie hem aan zijn kant heeft weet zich verzekerd van een loyaal en fenomenaal werker, hij kan de beminnelijkheid zelve zijn, op en top heer, geestig, energiek. Maar hij kan ook chagrijnig zijn, ongeduldig, frikkerig, nurks en zeker als hij meent dat de rechtvaardigheid in het geding is, neemt het aantal krachttermen in zijn spreken en schrijven met sprongen toe. In de slotregels van zijn verzen ontpopt de dichter zich niet zelden als pugilist, en in interviews kan al wie niet deugt rekenen op Helmans voorraad bijtend vitriool : schobbejakken, uitvreters, geteisem: ‘Het Nederlands heeft veel mooie woorden.’

Zoals het onmogelijk was om al het materiaal over Helman in één boek te proppen – de biograaf belooft nog een aparte Albert Helman website aan te maken met materiaal dat niet werd gebruikt – is het onmogelijk om dit boek samen te vatten. Er is te veel dat deze levenslange workaholic heeft nagelaten. ‘Rusteloos en overal’, de ondertitel van het boek, zegt heel veel over Albert Helman en misschien ook wel een beetje over de biograaf. Ik doe dan ook maar een magere poging om in beeld te krijgen hoe deze duizendpoot als schrijver, maar ook als musicus, organist, filmcriticus, componist, politicus, diplomaat, journalist, linguïst, polyglotte vertaler en als vader en man van vele vrouwen door zijn lange leven is gegaan.

De duizendpoot

Helman was dus een duizendpoot. Michiel van Kempen zegt het zo: ‘Het schijnt dat een duizendpoot maximaal 177 paar poten heeft. Welnu, Lou Lichtveld had er méér. Vind maar eens iemand die een wiskundig-linguïstische ‘phonophotografie van de negerlach’ heeft ontwikkeld, die volksfeesten en campagnes tegen malariabestrijding opzette, die op zijn tachtigste nog een ballonvaart maakte en op zijn 91ste eregast was op het Nederlands Filmfestival vanwege zijn muziek voor de eerste geluidsfilms ‘Philips Radio’ (1931) en ‘Regen’ (1932) van Joris Ivens, die minister van onderwijs en directeur van de Rekenkamer was, die schreef over Maimonides, Abessijnse literatuur en muziek van Siam en Voor-Indië, en meewerkte aan het scenario van Wan Pipel van Pim de la Parra en Wim Verstappen.’

Helman wilde graag een renaissancemens zijn. Met het grootste gemak bewoog hij zich op zeer diverse terreinen: niet alleen de literatuur (poëzie, proza, essay, toneel, vertalingen) waren hem vertrouwd, maar ook de journalistiek, de wereld van de muziek en de wetenschappelijke wereld van de linguïstiek, de archeologie, de etnologie en de historiografie. Deze overwegende autodidact met een grenzeloze nieuwsgierigheid en een eergevoel dat geen enkel intellectueel onderwerp hem te hoog ging, sprak vloeiend acht talen. Daarnaast was hij ook een begenadigd musicus. Hoewel Lou Lichtveld vooral als literator bekendheid verwierf, is de muziek zijn oorspronkelijke interesse en liefde. Lichtveld: ‘Ik heb niets liever gedaan dan componeren en nooit de bedoeling gehad om Albert Helman te zijn. Die figuur is ontstaan uit praktische noodzaak, maar ik heb vóór alles musicus willen zijn’. Hij bespeelde zelf vier muziekinstrumenten, kon pianostemmen en was zeer behoorlijk thuis in harmonieleer, compositie en muziekgeschiedenis. In de jaren twintig schreef hij over muziek en film in De Maasbode, De Groene Amsterdammer en de Gemeenschap.

Hoewel zijn compositorisch oeuvre betrekkelijk klein is, blijft de muziek een belangrijke rol spelen in zijn leven en is zijn literair werk er onlosmakelijk mee verbonden. Helman in een gesprek met de Surinaamse musicus John Helstone: ‘Ik componeer mijn boeken. Ik schrijf een roman zoals je een partituur schrijft. Er zitten ook compositorische begrippen uit de muziek in. Dat die niet opvallen, is maar goed ook. Voor mij zijn ze erin, en ik zou ze zó kunnen aanwijzen.’

Kosmopoliet

Aan al zijn reizen hield Helman een groot aantal culturele contacten over, wat soms leidde tot nieuwe vriendschappen, maar zijn scherpe pen leverde hem ook behoorlijk wat vijanden op. Tijdens de Spaanse Burgeroorlog kwam hij in contact met Georges Orwell, Emma Goldman, Benvenuto Durruti, in Mexico ontmoette hij Diego Rivera en Frida Kahlo, in Prades de Catalaanse cellist Pablo Casals en ga zo maar door.
‘Heel de wereld is het vaderland van de kunstenaar’, schreef hij al in 1945. En aan Michiel van Kempen vertrouwde hij veel later toe: ‘Vanaf het begin ben ik een wereldburger geweest, geen Surinamer, geen Nederlander. Waarschijnlijk is het kosmopolitische karakter van Albert Helman ook niet los te maken van zijn maatschappelijke inzet, waardoor hij soms noodgedwongen, zoals in Spanje, zijn koffers moest pakken. Steeds is hij bijzonder duidelijk geweest in zijn politieke keuzes: hij was een felle tegenstander van het Francoregime, van het nazi-Duitsland, van het kolonialistische Nederland en van het Suriname van Bouterse.

Zoals uit de uitvoerige levensschets van Michiel van Kempen blijkt, voelde Helman zich op vele plaatsen van de wereldbol thuis. Rusteloos en overal: Paramaribo, San Cugat del Vallès, Prades, Tobago, Airole, Amsterdam, allemaal plaatsen waar Helman min of meer langdurig verbleef. Hij was kosmopoliet van geest en hechtte daarom ook geen geloof aan nationale letterkunde. Zijn werk is daar een goed voorbeeld van: hij schreef ‘Surinaamse’,’Indiaanse’, ‘Nederlandse’, ‘Mexicaanse’ en ‘Spaanse’ romans, maar het waren in de eerste plaats Helmanproducten. Zijn hart bleef een rusteloos kompas. Daardoor voelde hij zich eigenlijk nergens op zijn plaats. Helman bleef voor altijd de balling, die aangetrokken en afgestoten werd door Suriname. De toonzetting in een aantal van zijn werken getuigt van grote ambiguïteit ten opzichte van zijn geboorteland. Hij wilde ermee afrekenen, maar hij ging er toch weer steeds naartoe. Albert Helman: ‘De slapeloze nachten die ik over Suriname heb gehad: het is niet mooi meer. Suriname is net als malaria, het is een virus. Zo af en toe krijg je koorts en dan gaat ’t het weer weg, maar je krijgt ’t nooit helemaal uit je lijf. Ik ben altijd met Suriname bezig geweest, al bracht ik dat niet steeds naar buiten toe.’

Literaire tussenfiguur

In die zin had Helman eenzelfde haat-liefde verhouding met zijn geboorteland als andere Surinaamse literaire figuren die te veel andere horizonten hebben verkend: ik denk dan bijvoorbeeld aan Astrid Roemer, Ellen Ombre en zeker Anil Ramdas met wie hij op het einde van zijn leven een goed contact onderhield. ‘Paramaribo wordt gekenmerkt door de cultuurloosheid van een negorij, – als in de dagen van de West-Indische Compagnie’, schreef Albert Helman en ook Anil Ramdas verwisselde in zijn laatste boek (‘Paramaribo, de vrolijkste stad in de jungle’) zijn pen vaak voor een zware voorhamer (‘Paramaribo was de vrolijkste stad in de jungle. Een vrolijkheid die zichzelf overschreeuwde. Zo veel rumoer, zoveel herrie. En daardoor juist zo’n stilte.’(p. 254)).

Michiel van Kempen en Elisabeth Leijnse schrijven in ‘Tussenfiguren, schrijvers tussen de culturen’ over ‘literaire tussenfiguren’, die zich zelden verbinden aan naties, etnische groepen of collectieven. ‘De schrijvende tussenfiguur is bij uitstek iemand die als bedreigend wordt ervaren niet alleen door conservatieve krachten, maar door elke collectiviteit die zichzelf helder en eenduidig gedefinieerd wil vinden. Tussenfiguren zijn bij uitstek representanten van breuklijnen in de geschiedenis.’ Albert Helman, maar ook Salman Rushdie, Hanif Kureishi, V.S. Naipaul, Anil Ramdas, Astrid Roemer, Frank Martinus Arion, Hafid Bouassa, Abdelkader Benali, Tahar Ben Jelloun, Nasim Khaksar, Edward Saïd, Khaled Hosseini, Kader Abdolah, Michael Ignatieff, Amin Malouf, Ben Okri, André Aciman, Fouad Laroui en zovele andere auteurs zijn daarvan een goed voorbeeld. Het zijn, zoals Van Kempen en Leijnse ze noemen, ‘nestbevuilers, vervellers, kameleons die hangen tussen een definitief verlaten verleden en een slecht omlijnde toekomst’.

Een halve Indiaan?

De 130 boeken van Helman heb ik niet gelezen. Wie wel? Michiel van Kempen misschien. In een aantal ervan ben ik wel begonnen, maar ook snel geëindigd: te breedvoerig, onvoldoende spankracht. Wat doe je bijvoorbeeld met een boekje als ‘Crusoe’s only isle?’ waarin Helman betoogt dat alleen Tobago het eiland kan zijn waar Defoe zijn verhaal situeert? Grapjasserij of een manier om het toerisme te bevorderen? Toen ik in 2002 de grot bezocht in het zuiden van Tobago waar Robinson Crusoe zou verbleven hebben, moest ik entreegeld betalen voor iets dat nooit bestaan heeft. Met een knipoog van Albert Helman.

En toch zijn er werken van hem die stand houden tot op vandaag. Ik denk dan voornamelijk aan publicaties waarin zijn gedeeltelijk Indiaan-zijn, wat dat ook mag betekenen, aan bod komt. ‘Het einde van de kaart’ dat ook in de ogen van Michiel van Kempen genade vindt, is er daar een van. In dat boek, een reisverslag dat hij in 1955 maakt, maar dat pas in 1980 verscheen, gaat de Europeaan én Indiaan, die Helman is, op expeditie naar het onbekende binnenland van Suriname, tevens het land van zijn voorouders. Hij exploreert twee binnenlanden: het zuiden van zijn geboorteland én de diepe lagen van zijn eigen ziel. Op het einde van het boek schrijft hij: ‘Ik ben geen auteur en ik ben geen zielepeuteraar of navelkijker. Ik ben een ander mens geworden, in wie het laatste restje bijgeloof in al de fraaiigheden van westerse beschaving, van geleerdheid of techniek, van sociale en economische functies zoals die me van jongsaf aan zijn gepraat, volledig vernietigd zijn. Restloos verdwenen. Ik heb mij overgegeven aan de magie van het oerwoud.’

Hetzelfde thema wordt opnieuw breed uitgesponnen in Helmans roman in vijf redevoeringen ‘Hoofden van Oayapok!’ – ook voor toneel bewerkt – waarin de auteur de literaire mogelijkheden van de orale vertelkunst verkent. ‘Waarom verliet ik mij zelf toen ik uw plaats verliet?’ Dat is de vraag die de hoofdfiguur Malisi zich voortdurend stelt. Malisi, een Oayampi-Indiaan uit het brongebied van de Oayapok, de grensrivier tussen Frans Guyana en Brazilië, keert na een afwezigheid van vijftien jaar terug naar zijn dorp. In vier redevoeringen bepaalt hij zijn positie ten opzichte van zijn voorouders. Zo probeert de migrant die kosmopoliet is geworden, opnieuw contact te leggen met ‘de Indianen wiens bloed ook door mijn aderen vloeit…’

Het is dan ook niet toevallig dat Helman op gevorderde leeftijd nog een grootscheepse poging doet tot herschrijving vanuit niet-westerse optiek van een deel van de Zuid-Amerikaanse geschiedenis, met name een kroniek van de vijf Guyana’s waarin hij de geschiedenis schetst van inheemsen, veroveraars en post-kolonialen in het landschap omsloten door Atlantische Oceaan, Amazone en Orinoco. Dat werd dan ‘De foltering van Eldorado’ dat volgens mij kan worden beschouwd als zijn magnum opus én politiek testament. Michiel van Kempen maakt zelfs een vergelijking met Eduardo Galeano’s ‘Kroniek van het vuur’ en Edgar Cairo sprak van een ‘uniek en wreedaardig mooi boek’.

En toch kreeg het boek niet de aandacht die het verdient. Michiel van Kempen vergelijkt het onthaal ervan met ‘Wij slaven van Suriname’ van Anton de Kom dat in 1934 verscheen. ‘Het boek is vijf keer zo omvangrijk als De Koms boek, heeft ook een vijf keer groter geografisch bereik, is tien keer zo goed gedocumenteerd en honderd keer beter geschreven. Maar toch kreeg Helmans geschiedschrijving nog niet een fractie van de aandacht die het boek van De Kom uit 1934 ten deel is gevallen. Helman was ontegenzeggelijk de betere schrijver, maar De Kom de meer aansprekende figuur.’ (p. 601)

Een hybride pen

Meer dan 800 pagina’s biografie: is dat nog wel gepermitteerd en, bovendien, hoe leesbaar is zo’n dikke turf? Ik stelde mij de vraag vooraf bij het wegen van de kanjer. Mijn scepsis viel echter weg bij het lezen, want ondanks al de eruditie en het jarenlange opzoekwerk is deze biografie geen omgevallen boekenkast geworden. Daarvoor staat de vaardige en tevens hybride pen in van de biograaf die zowel uit een academisch als uit een journalistiek vaatje weet te tappen zoals, om maar één voorbeeld te geven, wanneer hij over Anton van Duinkerken schrijft die ondervoorzitter van de Raad van Bijstand van Sticasu (Stichting voor Culturele Samenwerking) was, ‘god mag weten waarom, want voor de Nederlandse koloniën had de bierbrouwerzoons evenveel affectie als voor een glas water’ (p. 412).

Michiel van Kempen heeft zich uitstekend en ‘uitputtend’ gekweten van zijn taak als biograaf om het leven van een bijzondere figuur die bijna een eeuw overspant in woord en beeld te brengen. Kritiekloos? Nee, hoor, Van Kempen heeft zeker geen hagiografie geschreven, want op verscheidene plaatsen klinkt zijn kritische stem door (bijvoorbeeld wanneer hij schrijft ‘Dit soort geneuzel maakt nogal wat van Helmans teksten overbelast en gedateerd’, p. 253) om de mens Helman-Lichtveld ook met zijn smalle kanten niet onbelicht te laten.

En wat zou Helman nu zelf vinden van ‘Rusteloos en overal’? Zou hij het zonder meer goed vinden? Dat betwijfel ik ten zeerste, zeker na lectuur van deze biografie. Helmans as werd uitgestrooid aan de monding van de Surinamerivier, maar misschien blijft zijn geest daar rusteloos ronddobberen op de golfslag van een verleden tijd, alweer kauwend op een korzelig bon mot om Michiel van Kempen nog ultiem van repliek te dienen.

Rusteloos en overal, het leven van Albert Helman
Michiel van Kempen
In de Knipscheer
2016
863
9789062659258
Borgerhoutenaar Walter Lotens (°1942) noemt zich een glokale burger. Deze gepensioneerde leraar, mede-oprichter van de Actiegroep Kritisch Onderwijs (AKO), moraalwetenschapper, publicist en Latijns-Amerikawatcher schreef voor LA Chispa, een Nederlandstalig magazine over Latijns-Amerika en de Cariben, het Belgische De Reiskrant en voor de Surinaamse krant “De Ware Tijd” en nu voornamelijk voor de webzine voor internationale politiek uitpers.be, waarin hij niet alleen uitvoerig aandacht besteed aan Latijns-Amerika, maar ook aan het Antwerpse mobiliteitsdossier.