Johan Swinnen, ambassadeur van een land zonder plan

Facebooktwittergoogle_plusmail

“Zijn verhaal” staat op papier en het is een turf van op de kop zeshonderd bladzijden.  Johan Swinnen schuwt het woord niet, zo ken ik hem wel, niet als hij spreekt, dat doet hij graag en veel, en dus ook niet als hij zijn gedachten op schrift zet. In “Rwanda, mijn verhaal” beschrijft hij van naaldje tot draadje hoe hij zijn ambassadeurschap in Rwanda beleefd heeft, vanaf het ogenblik dat hij zijn benoeming verneemt tot wanneer hij vierklauwens het land verlaat, enkele dagen nadat op 7 april 1994 de genocide er een aanvang neemt.

Een periode van pakweg vier jaar die ongeveer samenvalt met de burgeroorlog die er begin oktober 1990 uitbreekt, wanneer rebellen vanuit Oeganda Rwanda binnenvallen. Een periode, waarin de door Hutu gedomineerde eenpartijstaat onder president Habyarimana zich gedwongen ziet om onderhandelingen aan te knopen met het door Tutsi gedomineerde Patriottisch Front, over machtsdeling, democratisering, de invoering van een meerpartijenstelsel, een staakt-het-vuren, een overgangsregime en vrije verkiezingen.

Kortom, Swinnen beleeft als bevoorrechte getuige een tijdvak dat over kronkelende paden leidt tot een volkenmoord, die in de geschiedenis zijns gelijke niet kent. Nooit hebben op zo’n korte tijd, een maand of drie, militairen en milities, met nauwelijks meer middelen dan machetes en andere steekwapens, honderdduizenden mensen afgeslacht, louter en alleen omdat ze behoorden tot de etnie die op hun identiteitskaart vermeld staat, “Tutsi”. Voeg daarbij de Hutu die het regime vakkundig vermoord heeft, omdat ze de kant van de oppositie gekozen hadden, de door de rebellen doelbewust over de kling gejaagde Hutu en de Rwandezen die van ziekte, honger en ontbering gestorven zijn, en je eindigt 1994 met een dodentol van zeker een miljoen of zelfs wat meer.

Op basis van zijn persoonlijke notities en de rapporten die hij Buitenlandse Zaken in Brussel bijna dagelijks toegestuurd heeft, heeft Swinnen “Rwanda, mijn verhaal” neergepend, zijn persoonlijke getuigenis. Het is een document, waarnaar voortaan elke onderzoeker moet verwijzen, als hij zinnige dingen wil schrijven over wat er zich tussen 1990 en 1994 in Rwanda afspeelt in de kringen rond Habyarimana en de politieke oppositie die er in die jaren het licht ziet. Swinnen zit er met zijn neus op, heeft zo goed als dagelijks contact en indringende gesprekken met alle spelers, neemt initiatieven om zowel de democratisering als de vredesgesprekken op het goede spoor te houden en geeft gevraagd en ongevraagd advies.

Zo hebben we meteen de sterkte van het boek aangestipt: één van de acteurs van het drama, een belangrijke bijrol en soms souffleur, schrijft van zich af. Die benadering heeft natuurlijk zijn beperkingen. Ten eerste vernemen we veel minder over de andere kant. Af en toe maar ontmoet Swinnen de leiders van het Patriottisch Front en zijn onbetwistbare numero uno, de huidige president van Rwanda, Paul Kagame, zodat de lezer veel minder vertrouwd geraakt met de strategie en de tactische plannen van de rebellen. Dat is nu eenmaal inherent aan de aanpak waarvoor Swinnen gekozen heeft. Bovendien schrikt hij er niet voor terug om in verregaande bijzonderheden te treden, wat de lectuur van het boek voor iemand die niet minstens een behoorlijke basiskennis heeft van Rwanda en wat er zich daar begin van de jaren negentig voorgedaan heeft, behoorlijk lastig maakt.

Geen onthullingen

Grote onthullingen bevat het boek niet.  Dat was al duidelijk op de voorstelling van “Rwanda, mijn verhaal” in de Bozar in Brussel, een society event, waarop iedereen aanwezig was die in die tijd met Rwanda bezig was, diplomaten en ontwikkelingswerkers, geestelijken en journalisten.  Een iets te prettig weerzien misschien, doorspekt met gesprekken over die fatale jaren, waarvan niemand de afloop in vorm van een genocide van een dergelijke omvang aan had zien komen. Aan de marketingstrategie van de uitgeverij is het ook al te merken: ze spitst zich toe op de persoonlijkheid van de topdiplomaat en niet op de dekseltjes die hij van een of ander potje licht.

Dat betekent niet dat je als betrokken journalist niets op te steken hebt, integendeel.  Ook al ben ik tussen oktober 1990 en maart 1994 een flink aantal keren op pad gegaan in het binnenland van Rwanda, ben ik er op slachtingen in Tutsi-gemeenschappen gestoten die tot dusver onbekend gebleven waren, heb ik onderweg dode rebellen zien liggen en met een verontwaardigde broeder gesproken over de schade aan de omgeving die duizenden ontheemden veroorzaakten, heeft een kolonel me tegengehouden, omdat de weg verderop bezaaid was met door de rebellen gelegde mijnen, en heb ik veertien dagen voor het begin van de volkenmoord deelgenomen aan een seminarie over politieke berichtgeving in de media.

Neen, Swinnen daalt af in de cenakels van de machthebbers en de opposanten en maakt me vertrouwd met achtergronden waarvan ik nauwelijks weet had. Nu pas snap ik echt hoe aartsmoeilijk, en bijna onmogelijk, het geworden was om een regering te vormen die voldeed aan de in 1993 gesloten vredesovereenkomst en waarin alle partijen, inclusief de rebellen, een in hun ogen rechtmatige vertegenwoordiging hadden. Als ik een week of twee voor de aanslag op het vliegtuig van Habyarimana, de steekvlam die de genocide op gang brengt, op de nationale radio naast Faustin Twagiramungu zit, de aangewezen eerste minister, die de samenstelling van zijn regering voorleest – ik neem het live op, want hoe kom ik anders later aan een kopie? -, dan besef ik niet welke feitelijk op niets uitgedraaide finale gesprekken daaraan voorafgegaan zijn.

Een geplande genocide?

Bijgevolg ben ik in “Rwanda, mijn verhaal” op zoek gegaan naar verhelderende elementen.  Er mogen dan geen onthullingen te lezen zijn, ik wil wel preciezer weten hoe de vork aan de steel zit. De voorbereiding van de volkenmoord op de Tutsi b.v. “Evenmin kan ik bewijzen aanvoeren van een vooraf geplande genocide”, schrijft Swinnen in zijn epiloog. Maar je mag niet stilstaan bij die ene zin, dat zou pas intellectueel oneerlijk zijn. In dezelfde paragraaf voegt hij eraan toe dat massale slachtpartijen actief voorbereid zijn, “zelfs aan de hand van vooraf opgestelde lijsten”, en dat het hem “een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid lijkt” dat “die wreedheden zich eventueel op grote schaal zouden vermenigvuldigen”. Het is nu eenmaal heksenwerk om onweerlegbare bewijzen op tafel te leggen dat er ooit, ergens, een groep(je) mensen bijeengekomen is om plannen voor een genocide uit te dokteren en op een bepaald moment het startsein voor die moordpartijen te geven. Beter dan wie ook beseft een diplomaat als Swinnen dat, ook al staan er flink wat verwijzingen in zijn boek naar een nakende genocide. We zetten ze op een rij.

Op 27 januari 1993, ruim een jaar voor de genocide losbarst, neemt Swinnen in een zes bladzijden lang rapport aan Buitenlandse Zaken de (voorlopige) conclusies van een internationale onderzoekscommissie op: “Zij bevestigen de strekking van vorige, minder omvangrijke enquêtes: selectieve volkerenmoord, met medeplichtigheid van lokale autoriteiten en zelfs gendarmerie en leger. De verantwoordelijken moeten ook in hogere kringen gezocht worden, zelfs indien de bewijzen nog niet voldoende vaststaan”. Dat laatste blijft een struikelsteen en naar verluidt heeft de commissie haar conclusie in haar definitieve rapport afgezwakt. Maar wat er op het terrein te constateren valt, laat de Antwerpse hoogleraar Filip Reyntjens, al in de herfst van 1992, gewag maken van doodseskaders en het réseau zéro, het netwerk rond de president, zijn vrouw en andere familieleden, dat voor het vuile werk instaat.

Eerder dat jaar, op 12 maart, krijgt Swinnen een nota op zijn tafel van de gewezen gouverneur van de Nationale Bank, Birara. Daarop staan er acht namen uit de onmiddellijke omgeving van de president. De titel luidt: “Voici l’équipe chargée par le président pour organiser la terreur et les massacres dans le pays”. Op 27 maart stuurt Swinnen Buitenlandse Zaken een anoniem vlugschrift door dat een lijst van leden vermeldt van de “geheime état-major, die belast is met de uitroeiing van de Rwandese Tutsi’s”. Het woord “genocide” valt niet, dat is juist, maar niettemin liegt de verwoording er niet om.

Met de regelmaat van een klok vinden we telkens weer nieuwe aanwijzingen in “Rwanda, mijn verhaal” terug, die aangeven dat er grootschalige slachtpartijen van Tutsi in de maak zijn. Op 18 september 1992 schrijven 25 Rwandezen uit Kibuye een open brief aan het diplomatieke corps, waarin ze ervan melding maken dat “een minutieus voorbereid plan voor de uitroeiing van voornamelijk de Tutsi-bevolking in werking was getreden”. Ze geven 36 namen op van mensen die dicht bij de president of zijn partij staan maar – alweer – ontbreken onomstootbare bewijzen, schrijven ze zelf. In 1993 getuigt journalist Janvier Afrika over de rol van de president bij de doodseskaders. Zijn uitspraken leveren hem geen gehoor maar gevangenisstraf op. Begin 1994 verschijnt Jean-Pierre ten tonele.  Hij brengt de informatie aan dat er illegale wapendepots bestaan in Kigali. Als voorman van de Interahamwe, de militie van Habyarimana’s partij, kan hij het weten. Jean-Pierre is nog van meer op de hoogte.  Van de opleiding van militieleden, hun gebruik van militair communicatiemateriaal en hun plan om Belgische blauwhelmen te vermoorden. Maar niemand neemt er concrete stappen en enkele dagen later zijn de wapens spoorloos verdwenen.

Bij al die informatie ontbreekt de smoking gun. Er blijft altijd wel een zweem van twijfel hangen, a shadow of a doubt. Birara leeft in onmin met de president (en heeft dus een motief om met hem af te rekenen?), het vlugschrift is anoniem, Jean-Pierre is misschien een mol van het Patriottisch Front (dat staat niet in het boek maar dat verhaal doet achteraf de ronde) en verdwijnt zelf spoorloos, en, hoe dan ook, dat enige harde, onomstootbare, onweerlegbare bewijs van het genocideplan ontbreekt telkenmale.

Zelfs wat er in de nacht van 6 op 7 april gebeurt, biedt geen sluitend bewijs. Meteen na de aanslag houden op initiatief van kolonel Bagosora, de kabinetschef van de minister van Defensie, en generaal Ndindiliyimana, de stafchef van de gendarmerie, een stuk of tien officieren crisisberaad. Onder militairen, er zitten geen burgers aan tafel. Als Ndindiliyimana de aanwezigen niet verzekerd had dat het niet om een staatsgreep gaat, zou je zweren dat…  ’s Anderendaags, vanaf het ochtendkrieken, trekken militairen moordend rond en maken ze de eersten van vele Tutsi af. Maar het moet gezegd worden dat het Internationale Rwandatribunaal later Bagosora vrijgesproken heeft van bendevorming, zo moeilijk is het wel om het bestaan van een plan te bewijzen. Maar nogmaals, wat Swinnen in zijn epiloog schrijft, “Evenmin kan ik bewijzen aanvoeren van een vooraf geplande genocide”, mag je niet zomaar citeren en de overige 600 bladzijden van “Rwanda, mijn verhaal” onder de mat vegen.

Ook in Brussel leeft het idee

Genocide spookt op Buitenlandse Zaken in sommige hoofden en niet bij de minsten. Op 25 februari 1994 laat Lode Willems, kabinetschef van minister van Buitenlandse Zaken Claes, het woord “volkenmoord” uit zijn pen vloeien. Hij schrijft de Belgische ambassadeur bij de VN aan en stelt dat “het voor de publieke opinie onaanvaardbaar (is) dat Belgische blauwhelmen in Rwanda passieve getuigen van een volkenmoord zouden kunnen worden”.

Als de kabinetschef van Claes zoiets schrijft, zes weken voor aanvang van de genocide, en de ambassadeur ter plaatse om de haverklap waarschuwingen krijgt die niet in de wind te slaan zijn, dan stel je je voor dat het beleid daarmee in die mate rekening houdt dat het een plan B ontwikkelt, “wat te doen als het ergste bewaarheid wordt?”. Dat is niet zo. Swinnen is zijn hele verhaal lang bezig met diplomatieke inspanningen om democratie en vrede vorm te geven, ondanks de talrijke signalen dat er binnen Habyarimana’s omgeving grote weerstand is tegen machtsdeling en tegen de vredesovereenkomst die de afspraken bezegelt (Zou het aan de andere kant, in de schoot van het Patriottisch Front, anders geweest zijn? Weinig waarschijnlijk). Engagementen zijn vodjes papier.

Dat is in mijn ogen de vaststelling bij uitstek na het lezen van het boek: flagrante schendingen van akkoorden en bloedbaden bij nacht en ontij (want die wàren er, al lang voor 7 april 1994) leveren de president of zijn naaste medewerkers hooguit een zoveelste sermoen op van de Belgische ambassadeur, dat erin bestaat dat ze de mensenrechten moeten eerbiedigen. België voert een mensenrechtenbeleid dat op zijn limieten stuit. Rwanda is al lang die grens voorbij, mensenrechten zijn van geen tel meer als voor machtsbehoud alles moet wijken. Als je nu – met meer dan twintig jaar afstand, dat is zeker waar – “Rwanda, mijn verhaal” leest, dan spat die conclusie van het papier. Rwanda was ontegensprekelijk op weg naar een ontiegelijk drama en er was geen plan om dat af te wenden. Als de ene moordpartij op de andere volgt en genocide in de lucht hangt, waarom dan geen plan B uitgewerkt, voor als het allerergste zich voordoet?  Ik heb Swinnen gevraagd hoe zoiets mogelijk is maar hij bleef me het antwoord schuldig.

Het gebrek aan afdoend antwoord is geen verwijt dat we in de eerste plaats aan de ambassadeur moeten richten.  De hele internationale gemeenschap heeft de hele tijd zijn kop in het zand gestoken. Niemand heeft er ernstig rekening gehouden met de mogelijkheid van een genocide en toen het eenmaal zo ver kwam, stond iedereen erop te kijken. Swinnen maakt het overduidelijk hoe hij betreurt dat België ervoor ijverde om de hele VN-blauwhelmenmissie terug te trekken en dat Claes daarvoor persoonlijk secretaris-generaal Boutros-Ghali in Bonn op ging zoeken, want opdoeken “zou vrij spel geven aan de extremistische krachten”. In de praktijk is het erop neergekomen dat de volkenmoordenaars ongehinderd hun gangen konden gaan. Ook schrijnend is het gesprek dat Swinnen, vanaf juli 1994 aan de slag op het kabinet van premier Dehaene, met zijn baas voert over het vervolg van de vredesoperatie. “Er viel geen peace meer te keepen”, luidde het antwoord in het Dehaenees.  Daarmee was de kous af.

Slag om de arm

Laat Swinnen het achterste van zijn tong zien?  Waarschijnlijk niet. Nadat hij afscheid genomen had als woordvoerder van Buitenlandse Zaken heb ik hem ooit op het hart gedrukt dat hij soms te veel woorden gebruikte om te verdoezelen dat hij niets wou of kon zeggen. Zo ken ik hem dus ook. Graag had ik via “Rwanda, mijn verhaal” wat meer vernomen over hoe Frankrijk en zijn ambassadeur in Kigali vaak cavalier seul spelen. Het komt af en toe ter sprake maar blijft grotendeels marginaal in het boek. Wanneer, enkele dagen nadat de genocide losgebarsten is, zijn Franse evenknie Swinnen belt om hem de samenstelling van de nieuwe regering mee te delen, die volgens hem getuigt van een “logique vendable”, laat Swinnen zich “eerder sceptisch” uit, zo schrijft hij.  Maar is het niet zo dat de Franse ambassadeur gewag maakte van de vorming van “mon gouvernement“. Of is dat ook een apocrief verhaal, zoals er zovele de ronde doen?

Overigens begrijp ik ook niet waarom Swinnen, als hij zijn eigen boek ter harte neemt, tijdens de voorstelling ervan erop stond om te beklemtonen dat Habyarimana geen dictator was.  Maar goed, dat gezegd zijnde, wie een beter zicht wil krijgen op het meanderen van de Rwandese politiek in de aanloop naar de genocide, moet vast en zeker “Rwanda, mijn verhaal” lezen. Daar kun je niet buiten.

Rwanda, mijn verhaal
Johan Swinnen
Polis
2016
616
978-94-6310-001-4
Guy Poppe (°1946) is gewezen radiojournalist bij de openbare omroep VRT. Bij het brede publiek is hij vooral bekend als Afrikaspecialist.