Zwalpend tussen krekel en mier

Facebooktwittergoogle_plusmail

In de ‘proloog’ tot hun ‘Economische geschiedenis van België’ leggen historici Buyst en Smeyers meteen de vinger op de wonde: “Resolute verandering is in België al langer een uitgehold concept, dat niet in praktijk wordt gebracht. België bevindt zich in crisis, zo klinkt het met de regelmaat van een klok. Die klok slaat al honderd jaar hetzelfde uur”. Hoe is zoiets mogelijk ? En waarom werd er niets aan gedaan?   Dat onderzoeken de auteurs in een omvangrijke studie, steunend op nog omvangrijker materiaal, en op een indrukwekkend aantal genadeloze commentaren. Het zou weinig moeite kosten vele pagina’s te vullen met citaten, die één lang “j’accuse” vormen aan het adres van het “gestolde land” België, concluderen Buyst en Smeyers naar het eind van hun geschiedenis. Ettelijke van die vele citaten illustreren niet alleen hun geschiedenis; ze vormen vaak ook een vlijmscherpe samenvatting van vele bladzijden uiteenzetting.

Want vrolijk wordt de lezer niet van dit boek. Integendeel. Hoezeer beide auteurs ook hun best doen om zich op de objectief beschrijvende vlakte te houden, precies door het schetsen van de ene mislukte hervorming na de andere, wordt deze geschiedenis ook een heuse aanklacht.  “De belastingen op ondernemingswinsten die als inkomsten terugvloeiden naar de overheid brachten ongeveer evenveel op als de subsidies die naar de bedrijven gingen” is een van de talloze bittere vaststellingen, die nuchter – en waar nodig ook genuanceerd – worden naar voren geschoven, en precies daardoor meer indruk maken dan traditionele slogantaal.   De bekoring is groot om die vaststellingen aan elkaar te rijgen, en te concluderen dat met name sinds de jaren ‘vijftig van vorige eeuw de politieke klasse in dit land keer op keer haar onvermogen heeft bewezen om grondige – en vooral: noodzakelijke – hervormingen in het sociaal-economische bestel van dit land door te voeren. Zo eenvoudig is het uiteraard niet, en ook dat maken de auteurs duidelijk.

De behoudsgezinde reflexen van alle grote belangengroeperingen – zowel aan werkgevers- als aan werknemerszijde – hebben ervoor gezorgd dat (op een of twee uitzonderingen na) hervormingen uiteindelijk slechts halfslachtig werden doorgevoerd. Zodat ze telkens opnieuw “te laat en te mager” bleken om een zo open economie als de Belgische in staat te stellen de uitdagingen van de toekomst het hoofd te bieden. Het ‘gestolde land’ wou nooit voluit krekel of mier zijn; het probeerde zichzelf van de boze buitenwereld af te schermen achter een wal van zandzakjes, gevuld met compromissen. Pas als het dan toch tot een dijkbreuk kwam, werden ingrijpende hervormingen wel mogelijk, maar slechts zelden ook ingrijpend doorgevoerd. Nu de globalisering de concurrentiedruk razendsnel opvoert, is dergelijk “knutselbeleid” geen optie meer. Maar dat besef blijkt nog steeds niet door te dringen, zo valt meer dan eens tussen de regels te lezen.

Een somber beeld inderdaad. Terwijl het toch allemaal zo veelbelovend was begonnen.  Na de turbulente start was het nieuwe koninkrijk snel omhoog geschoten in ‘de vaart der volkeren’. Het introduceerde de industriële revolutie op het Europese continent en kon putten uit een onvoorstelbaar rijke kolonie in Afrika. De geografische ligging bevorderde in- en uitvoer, naast kolen en staal kregen nieuwe en vernieuwende technologieën de ruimte, ‘zuivere’ en toegepaste wetenschappen stonden in hoog aanzien. Belgische ondernemers bouwden overal ter wereld spoorwegen of zelfs een hele stad. Rond 1910 was België de vijfde grootste economie ter wereld.   Een liberaal succesverhaal, dat echter niet alleen een schandalige sociale keerzijde vertoonde, maar ook een budgettaire. In de verheerlijking van dat ondernemende verleden komt het cijfer zelden voor, maar in 1913 bedroeg de overheidsschuld ruim 60 procent van het bruto binnenlands product. Ook op dat gebied was België dus toen al ‘primus inter pares’ merken de auteurs fijntjes op: de (zacht uitgedrukt) slordige manier waarop Belgische bewindslieden omgaan met de overheidsfinanciën wordt trouwens een steeds terugkerend thema in dit boek.   In 1914 maakten de Duitse inval en vier jaar bezetting brutaal een einde aan het sprookje. Voor Buyst en Smeyers betekent de Eerste Wereldoorlog een trauma waarvan België zich – alleen al sociaal-economisch – nooit heeft hersteld. Na 1918 wist de financiële en politieke elite opeenvolgende crisissen niet anders het hoofd te bieden dan door zo lang mogelljk de ogen te sluiten voor de onafwendbare problemen, tegen beter weten in te doen alsof er niet echt iets aan de hand was, en alleen wanneer het echt niet meer anders kon toch schoorvoetend enkele hervormingen door te voeren die dan wel even soelaas brachten maar telkens toch weer ‘te laat en te mager’ bleken om het land weerbaarder te maken tegen de volgende crisis.   Bovendien bleken kortstondige heroplevingen vaak evenzeer (of zelfs meer) te danken aan internationale conjunctuur dan aan Belgisch beleid, en werden (al dan niet verdiende) meevallers  door de beleidmakers liever besteed aan electoraal  rendabele douceurtjes dan aan financiering van noodzakelijke reserves.     Wie deze bijna vijfhonderd bladzijden economische geschiedenis heeft doorploegd, zal daarbij meer dan eens hebben teruggedacht aan het verhaal van Saidjah en Adinda in Multatuli’s ‘Max Havelaar’ en meer bepaald aan die stijlfiguur die het verhaal extra schrijnend maakt: “Ik heb u gezegd, lezer, dat mijn verhaal eentonig is”. Het is bijna verbazend dat de auteurs van “Het gestolde land” – tussen de vele citaten waarmee ze hun boek opfleuren – nooit naar die zin hebben gegrepen.  Hun verhaal is overigens allesbehalve eentonig, maar wel bijzonder schrijnend als schets van een slepende ziekte die heet: gebrek aan politieke moed bij politieke leiders, en stoer maar kortzichtig eigenbelang bij uiteenlopende belangengroeperingen.   Geen vrolijke lectuur dus, maar wel erg boeiende. De talrijke anecdotes en citaten doen niets af aan het sérieux van dit boek, net zoals de vele cijfers, goed ingebed in de tekst, de vlotte lectuur niet schaden. En aangezien economie en financiën – en in dit geval vooral: staathuishoudkunde – zich niet in een vacuüm afspelen, is ook bij elk van de grote periodes die de auteurs onderscheiden (zes tot en met nu) een inleidend breed fresco van de socio-culturele achtergrond voorzien.   Niet zonder reden grijpen Buyst en Smeyers in de slotbladzijden van hun omvangrijke economische geschiedenis van België in de voorbije honderd jaar terug naar de fabel van de krekel en de mier, omdat die de ‘belgitude’ van ons economisch beleid perfect samenvat: “nooit echt krekel, nooit echt mier, maar steeds allebei willen zijn”.   Dat heeft ertoe geleid dat de nu opgroeiende generaties worden opgezadeld met een land als een werf die al jaren stilligt, en met ‘gestolde’ machtsverhoudingen die betekenisvolle hervormingen van het sociaal-economische én financiële bestel verstikken tot onbetekenende details.

Tegelijk geven de auteurs ruiterlijk toe dat die ‘krekel noch mier’- optie er ook voor heeft gezorgd dat ondanks opeenvolgende zware crisissen geen sociale kaalslag plaatsvond, en de doorsnee-burger tot dusver zelfs nauwelijks iets hoefde op te geven van de zegeningen van de verzorgingsstaat. Wat dan weer tot gevolg heeft dat de noodzaak van – jawel: pijnlijke – hervormingen nog steeds niet of nauwelijks wordt beseft.

Op dit punt vraagt de kritische lezer zich af of het ‘lamento continuo’ van de auteurs niet een ietwat eenzijdig beeld ophangt, omdat hun geschiedenis vooral oog heeft voor twee thema’s: de competitiviteit van de Belgische economie en de zorg om de openbare financiën en dito schuld. Niemand zal ontkennen dat die elementen van vitaal belang zijn voor een beleid dat zelfs maar de schijn van vooruitziendheid wil hooghouden. Maar een rechtsstaat annex verzorgingsstaat die zichzelf respecteert mag zich daartoe niet beperken, en moet te allen tijde ook de sociale (en culturele en ethische) noden het gewicht geven dat ze verdienen. Dat is in tijden van meedogenloze kapitalistische globalisering geen eenvoudige opgave; maar ze is wel dwingender dan ooit.   Om de geschiedschrijving van Buyst en Smeyers aan te vullen (indien al niet te corrigeren…) valt het dus zeker aan te bevelen ook naar die andere kanjer te grijpen,  waarin Jaak Brepoels honderdvijfentachtig jaar arbeidersbeweging in België beschrijft en analyseert: “Wat zoudt gij zonder ’t werkvolk zijn”. Het ene inzicht sluit immers het andere niet uit.

Zwalpend tussen krekel en mier
Erik Buyst & Kristof Smeyers
Polis
2016
509
978-94-6310-137-0