Het voortschrijdend inzicht van Hans Achterhuis

Facebooktwittergoogle_plusmail

Met deze nieuwe publicatie komt Hans Achterhuis tot veranderende inzichten in verband met zijn benadering van het utopisch denken. Hij kant zich nog steeds tegen de grote utopie van een totaal andere samenleving die onder meer geleid heeft tot Pol Pot-achtige toestanden, maar hij staat open voor kleinere utopische experimenten en ideeën ‘want anders dreigt de kapitalistische utopie ons te verlammen’. Alweer een boeiende publicatie van Hans Achterhuis die de recensent uitnodigde tot enkele beschouwingen.

Voortschrijdend inzicht

De Nederlandse filosoof en theoloog Hans Achterhuis(°1942) was van 2011 tot 2013 de eerste ‘Denker des Vaderlands’. Van die titel ben ik niet zo erg onder de indruk, maar wel van de eerlijkheid waarmee Achterhuis al wel vaker heeft toegegeven dat hij het bij het verkeerde eind heeft gehad. Auto-kritiek dus. ‘Het is voor mij vanzelfsprekend dat een filosoof zich niet alleen kritisch verhoudt tot de tijdgeest, maar ook tot zijn eigen denken,’ schrijft hij in ‘Zonder vrienden geen filosofie’. ‘Tegendenken’ is niet toevallig de titel van zijn gesprekken met Peter Henk Steenhuis, de filosofieredacteur van Trouw.

Dat ‘tegendenken’ is manifest aanwezig in zijn benadering van het fenomeen ‘utopie’, een thema dat hem al levenslang boeit. Dat begon eigenlijk al in 1975 met zijn boek ‘Filosofen van de derde wereld’ waarin de jonge Achterhuis, in overeenstemming met de toenmalige utopisch revolutionaire tijdgeest, portretten van o.a. Mao en Che Guevara schetste. Op latere leeftijd kwam hij hierop terug. In ‘De erfenis van de utopie (1998) en onrechtstreeks in ‘Met alle geweld’ (2008) nam hij afstand van wat hij toen de gevaarlijke utopische bevlogenheid noemde waardoor de utopie, zoals in de romans van Aldous Huxley (Brave New World) en George Orwell (‘1984’), tot een dystopie verworden. In ‘Utopie’ van 2006 sloeg Achterhuis een heel andere toon aan: hij constateerde dat, in tegenstelling tot zijn sombere voorspellingen, de utopische traditie nog steeds springlevend was.

Hoewel Achterhuis theoretisch heel goed wist dat elke ideologie zichzelf als een onontkoombare en natuurlijke visie op de werkelijkheid presenteert – het is de bril die bijna iedereen draagt – gaf hij ruiterlijk toe, nogmaals, dat hij zich in een van zijn eerste boeken ‘De markt van welzijn en geluk’ (1979) deerlijk had vergist van vijand. Hij nam in dat werk niet de vrije markt op de korrel, maar wel het welzijnswerk. In zijn zeer succesvolle ‘De utopie van de vrije markt’ (2010) doet hij dat wel en zeer uitdrukkelijk. Hij constateert daarin dat steeds meer mensen ervan overtuigd zijn dat het neoliberalisme, ondanks de vele wetenschappelijke Nobelprijzen voor Chicago-economen als Friedrich von Hayek en Milton Friedman, toch vooral een ideologie is, een kapitalistische of, zoals Achterhuis het ook noemt,  ‘de gerealiseerde utopie van de vrije markt’. En dan verschijnt er nu ‘Koning van utopia’, een nieuw boek dat alweer een nieuwe etappe is in het voortschrijdend inzicht van Hans Achterhuis.

Naar aanleiding van de vijfhonderdjarige herdenking van het verschijnen van ‘Utopia’ van Thomas More verdiepte hij zich niet alleen voor de zoveelste keer in dat cultboek, maar ook in de figuur van Thomas More en zijn bewogen levensloop. Dat nieuw onderzoek leidde tot verrassende resultaten waardoor de utopia-scepticus Achterhuis merkwaardig genoeg zelf opnieuw inspiratie kreeg om utopisch te gaan denken. Alweer voortschrijdend inzicht dus. Achterhuis kant zich nog steeds tegen de grote utopie van een totaal andere samenleving die onder meer geleid heeft tot Pol Pot-achtige toestanden, maar hij staat open voor kleinere utopische experimenten en ideeën ‘want anders dreigt de kapitalistische utopie ons te verlammen’. Tot zijn eigen verbazing vond Achterhuis in de ‘Utopia’ inspiratie voor deze mini-utopieën. Dat leidde op de boekpresentatie in Antwerpen tot een meningsverschil met auteur Frank Albert, die deze mini-utopieën niet als utopieën beschouwde omdat zij volgens hem alleen maar tot Kurieren am Symtom kunnen leiden.

Koning van Utopia

Vijfhonderd jaar geleden verscheen een zeer waardevol boek niet minder nuttig dan aangenaam, over de beste der republieken uit het nieuwe eiland Utopia door de beroemde Thomas Morus, burger van London en vice sheriff, voor het eerst uitgegeven door M. Pierre Gillis te Antwerpen en gedrukt door Dirk Martens van Aalst, typograaf bij de achtbare universiteit van Leuven. Zo werd ‘Utopia’ van Thomas More in 1516 aangekondigd. Zoals dat wel meer gebeurt met cultboeken wordt er gretig naar verwezen, méér dan dat ze echt gelezen worden. Dat is ook het geval met ‘Utopia’. Het boekje bestaat uit twee delen, maar vrijwel alle verwijzingen hebben betrekking op het tweede deel dat de schets van het onbekende eiland ‘Utopia’ bevat, zoals de reiziger Rafaelo Babellario (in de oorspronkelijke Latijnse tekst heet hij hythlodaeus of , vrij vertaald, onzinverkoper) het aan Thomas More vertelde. Het eerste deel, veel minder gelezen, bevat vooral een tafelgesprek bij Lord Chancellor John Morton waarin Rafaelo de degens kruist met juristen en geestelijken. Centraal daarin staat de grote economische crisis die volgens Rafaelo voortkomt  uit de enclosure of the commons, de omheining van de gemeenschappelijke gronden waarvoor Hans Achterhuis de oud-Nederlandse term ‘meent’ gebruikt. Het is vooral dat maatschappijkritisch stuk over de toestand in het toenmalige Engeland dat Hans Achterhuis nu op de voorgrond plaatst, terwijl hij het tweede deel niet langer ziet als een utopische blauwdruk voor de ideale maatschappij ziet, maar eerder als een satire in de lijn van ‘Lof der zotheid’ van zijn humanistische vriend Erasmus. In plaats van een spotternij kreeg ‘Utopia’ in latere eeuwen het statuut van een utopie. ‘Marx en Engels zagen Thomas More als voorloper van hun communistische heilsleer. Nog steeds staat er een gedenksteen voor More op het Rode Plein in Moskou.’ (p. 61) Hans Achterhuis is zeer duidelijk: ‘Een “koning van Utopia” mag er niet komen, of hij nu “De Weldoener” of “Big Brother” heet, zoals in de literaire dystopieën van Zamjatin en Orwell, of wordt aangesproken als “Kameraad” (Stalin), “Grote Roerganger” (Mao Zedong) of “Geweldige Leider” (Kim Jong-un), zoals in de gerealiseerde utopieën.’ (p. 99)

Mini-utopieën

Achterhuis blijft dus, ook na die hernieuwde lezing van ‘Utopia’, waarschuwen voor het gevaar van een grote utopie die kan omslaan in een dystopie want het verabsoluteren van maatschappelijke idealen kan leiden tot het legitimiseren van gewelddadigheid bij de politieke realisatie van de utopie.

Achterhuis heeft er echter geen moeite mee om het begrip ‘utopie’ kleinschaliger en partiëler op te vatten. Á la Albert Camus en het existentialisme schrijft hij mooi: ‘Het utopisch streven naar perfectie leidt tot voortdurend teleurstellingen, het laat mensen blijvend falen. Maar wanneer dit laatste ingecalculeerd wordt als een opdracht om mee om te gaan, telt een mislukking minder zwaar en kan ze een nieuw begin mogelijk maken.’ (p. 155) L’homme revolté verzet zich niet alleen tegen de beperktheid van de menselijke existentie, maar ook tegen onrechtvaardige maatschappelijke struc­turen. Hij houdt een stukje concrete utopie open, omdat hij zichzelf anders veroordeelt tot een kritiekloos aanvaarden van de bestaande werkelijkheid, tot een plat realisme zonder idealen.

Volgens Achterhuis verzetten utopisten zich tegen het ‘reformisme’ dat alleen maar bepaalde elementen wil verbeteren of losse ideeën wil toepassen. Utopisten willen de gehele samenleving radicaal op de schop nemen op basis van een blauwdruk of een groots plan. Achterhuis wil echter het begrip ‘reformisme’ dat in de jaren zestig van vorige eeuw als een scheldwoord werd beschouwd, terug in ere herstellen. Linkse mensen moeten hun gepolitiseerde neus niet ophalen voor mini-utopieën, die hij ook ‘de zusjes van Utopia’ noemt. Dat zijn dan voor hem incomplete utopieën die kunnen leiden tot partiële maatschappelijke verbeteringen en niet tot de totale en totalitaire utopie. Gelukkig maar. Geen bruuskerende revolutie dus, maar eerder een ‘revolte’ zoals Albert Camus dat bedoelde of zoals de Nederlandse politicoloog Remko van Broekhoven het mooi verwoordde: ‘Wil een utopie werkbaar en leefbaar worden, dan moet ze paradoxaal genoeg bescheiden zijn: ze heeft duidelijk vast te stellen wat precies de samenleving als geheel vermag, en wat alleen door individuen zelf kan worden verricht.’(1)

Martin Buber en …Jan Fabre

Achterhuis pleit dus voor feilbare mini-utopieën en daarvoor verwijst hij met instemming naar het werk van Martin Buber (‘Paden in Utopia’) en naar Searching for utopia van de Belgische kunstenaar Jan Fabre, het beeld van de met goud beklede reuzegrote schildpad die op de Piazza della Signoria in Florence staat. Op de schildpad zit een berijder en die is volgens Fabre op zoek naar Utopia. Dat is het beeld dat volgens Achterhuis het beste uitdrukking geeft aan de menselijke zoektocht naar Utopia en dat is dan ook de coverfoto van dit boek geworden.  Achterhuis ziet dat er ‘rondom deze schildpad, die qua formaat meer weg heeft van een olifant, allerlei ‘olifantenpaadjes’ gebaand worden waarop hij zich kan oriënteren in zijn zoektocht naar utopia.’ De inhoud van de revolte, zoals Camus het bedoelde, kan zichtbaar worden gemaakt in kleine utopieën die concreet laten zien hoe het anders en beter kan. ‘Zoeken’ en ‘kleinschaligheid’, dat zijn de sleutelwoorden in die nieuwe benadering van Achterhuis. ‘Het enthousiasme bij het gemeenschappelijk beleven van de nieuwe commons, is niet onmiddellijk verbonden met een groot doel. Het gaat eerder om het op pad gaan zelf, om het genieten van het olifantenpaadje dat je maakt.’ (p. 177)

Achterhuis en Bloch

Dat benadrukken van het onderweg-zijn op zich is geen nieuw inzicht. Velen gingen Achterhuis voor in deze benadering. De Gentse filosoof Leo Apostel drukte het ooit zo uit: ‘De enige doelen van een menselijk zelfbewust wezen moeten utopische doelen zijn, die per definitie niet bereikbaar zijn. Om dat te verdragen moet er één doel altijd in ieder ander utopisch doel aanwezig zijn, namelijk de weg ernaartoe. Die weg moet even hoog staan als het utopische doel zelf. Anders is het menselijk leven een zinloze tragedie.’(2) Het verbaast mij  dat Hans Achterhuis in dit boek amper – op een ietwat snerende passage na over zijn Utopia-interpretatie –  het werk van de Duitse marxistische filosoof  Ernst Bloch vermeldt die in zijn monumentaal werk ‘Das Prinzip Hoffnung’ onderzoek doet naar wat hij de ‘concrete utopieën’ noemt. Het ‘beginsel hoop’ noemt Bloch de ‘warme golfstroom’  op een mogelijke menselijke bevrijding. Het is die onderstroom van het streven naar ‘het nog niet zijnde’ die Bloch probeert boven te halen. Het ‘nog niet’ houdt de hoop levend en maakt de kern uit van een utopisch bewustzijn. In de woorden van de Duitse filosoof: ‘De werking van de hoop vereist mensen die zich actief storten op het wordende, waartoe ze zelf behoren. Hopen is jezelf aan de toekomst geven, en dat engagement met de toekomst maakt het heden leefbaar.’ Maar daarvoor is ook geduld nodig, veel geduld. Te veel optimisme op korte termijn moet worden getemperd, zeker als je radicale doelen voor ogen hebt, waarvoor een langere horizon nodig is. De Tsjechische dissident, auteur en politicus Václav Havel schreef: ‘We hebben geen enkele reden om ongeduldig te zijn, op voor­waarde dat we goed zaaien en begieten. Het wachten heeft een zin, omdat het uit hoop voortkomt en niet uit wanhoop, uit geloof en niet uit radeloosheid, uit nederigheid tegenover de tijd van deze wereld en niet uit vrees.’

De utopische meent

Naar mijn aanvoelen staat Achterhuis met zijn pleidooi voor mini-utopieën zeer dicht bij het begrip ‘concreet utopisch denken’ dat gemunt werd door Ernst Bloch. Alleen baseerde Bloch zich niet op één literair geschrift dat tot verschillende en tegenstrijdige lezingen kan leiden, maar onderzocht hij om de concreet utopische onderstroom te vinden de sociale, politieke, wetenschappelijke, technologische, geneeskundige, architectonische en artistieke dromen die de mensen van alle tijden en samenlevingen geïnspireerd en gemotiveerd hebben. Ook voor Bloch betekent  dat echter niet dat ‘het rijk der vrijheid’, het eschaton zou staan te wenken aan de einder. Er is geen terminus genaamd communistische maatschappij, waar de vermoeide krijgers van de proletarische of anti-imperialistische revolutie zich eindelijk kunnen gaan nestelen. Er is evenmin het stralende licht van een spirituele utopische toekomst dat vanuit het New-Agevooruitgangsgeloof door een of andere Celestijnse Belofte wordt aangekaart. Het emancipatieproces spiraalt naar een open einder. Niet de geëmancipeerde, maar de zich emanciperende samenleving dient nagestreefd. ‘Laten wij een socialisme verdedigen dat bevrijd wordt van het eschaton; laat ons uit naam van het socialisme de emanciperende, ontvoogdende en bevrijdende praxis plaat­sen tegen het eschaton,’ schrijft de Gentse moraalfilosoof Ronald Commers. (3)

Ook Hans Achterhuis is op zijn hoede voor de uitdragers van het verlossingsparadigma. Het komt mij voor dat de utopie te weinig verbeeldingskracht bezit, wanneer het beeld slechts een afbeelding van de feitelijke werkelijkheid vormt. Zij bezit echter te veel verbeeldingskracht wanneer de werkelijkheid vanuit het beeld wordt afgeleid. Dat kan zeer gevaarlijk worden en kan de utopie doen omslaan in een dystopie met killing fields tot gevolg. Daarom verwerpt Achterhuis die ambitieuze maar gevaarlijke maatschappelijke macro-utopieën en pleit hij, zoals naar mijn inzicht ook Ernst Bloch, voor mini-utopieën, voor kleinschalige en partiële projecten die zich tussen staat en markt bewegen. Hij pleit ook voor ‘doendenken’, voor een direct maatschappelijk en politiek handelen dat in experimenten de aantrekkingskracht van een utopisch ideaal zichtbaar kan maken. Achterhuis breekt ook, zoals ook in zijn ‘Erfenis zonder testament, filosofische overwegingen bij de tien geboden’ een lans voor the reconquering of the commons want, zo eindigt hij zijn hoopvol boek: ‘De utopische meent is de aangewezen plek om de wereld een beetje beter te maken – met oog voor traditie, op lokaal niveau – en daarmee tegenwicht te bieden aan de alomtegenwoordige utopie van de vrije markt. Daar hebben we geen koning van Utopia voor nodig.’ (p. 183)

(1) Remko van Broekhoven, Staat van tederheid. Tussen beest en supermens,2007,  p.95

(2) Leo Apostel, Afbraak en opbouw, 1984, p. 10. Ik verwijs hiervoor ook graag naar de uitspraak van de Uruguayaanse auteur Eduardo Galeano: ‘Utopia ligt aan de horizon. Als ik twee stappen vooruit zeet, zet het twee stappen terug. Ik zet tien stappen en het is tien stappen verder weg. Waar dient Utopia voor? Hiervoor: om onderweg te zijn.’

(3) Ronald Commers, Praxis tegen eschaton: kritiek op Blochs bijdrage tot het socialisme. In: Van den Enden, H. (red.) Marxisme van de hoop – hoop van het marxisme, 1980, p. 149

Koning van Utopia, nieuw licht op het utopisch denken
Hans Achterhuis
Lemniscaat
198
9789047708742
Borgerhoutenaar Walter Lotens (°1942) noemt zich een glokale burger. Deze gepensioneerde leraar, mede-oprichter van de Actiegroep Kritisch Onderwijs (AKO), moraalwetenschapper, publicist en Latijns-Amerikawatcher schreef voor LA Chispa, een Nederlandstalig magazine over Latijns-Amerika en de Cariben, het Belgische De Reiskrant en voor de Surinaamse krant “De Ware Tijd” en nu voornamelijk voor de webzine voor internationale politiek uitpers.be, waarin hij niet alleen uitvoerig aandacht besteed aan Latijns-Amerika, maar ook aan het Antwerpse mobiliteitsdossier.