Mossoel, Turkse begeerte

Mossoel, Turkse begeerte
Facebooktwittergoogle_plusmail

“Blijf op uw plaats. Ge zijt geen gesprekspartner voor mij, ge zit onder mijn niveau. Wat kan het ons schelen wat ge vanuit Irak roept, wij zullen doen wat wij als onze plicht beschouwen. Het Turkse leger moet van u geen lessen krijgen”. Deze ondiplomatieke termen komen uit een toespraak van de Turkse president Recep Erdogan aan het adres van Haider Al-Abadi, premier van Irak. Al-Abadi is woedend omdat Turkije ongevraagd troepen heeft gelegerd in de buurt van Mossoel, de stad die al meer dan twee jaar in handen is van Daesh (IS). De Iraakse premier weet maar al te goed dat Turkije liefst van al Mossoel onder zijn gezag zou willen plaatsen.

Turkse voogdij

Erdogan windt er echt geen doekjes rond. Mossoel is niet alleen de zaak van Bagdad. Er zijn al jaren Turkse troepen actief in het noorden van Irak. De minstens 2000 militairen die er nu zijn, doen dat met instemming van de autonome regio Iraaks Koerdistan. Ankara heeft daarbij verscheidene oogmerken. Van oudsher wil het in het noorden van Irak ageren tegen de Koerden van de PKK (met wie de regeerders  van de autonome regio in concurrentie zijn), en wil het zich ook opwerpen als beschermer van de Arabische soennieten in deze streek.

In de strijd om Mossoel, heeft de basis van Bashika, ten noordoosten van die stad, groot belang. Op die basis zitten enkele honderden Turkse militairen, samen met een plaatselijke soennitische militie, en met Koerdische peshmergas. Bagdad spreekt over Turkse bezettingstroepen, vooral nadat het Turkse parlement eerder deze maand het Turkse leger de vrije hand gaf voor operaties in Syrië en Irak.

Het laat Erdogan koud. Hij heeft al de etnische kaart van Mossoel na het verdrijven van IS getekend. Na IS is er in Mossoel alleen plaats voor soennitische Arabieren, Turkmenen en soennitische Koerden – dus geen Koerdische yezidi, de groep die zo door IS is gemarteld. En ook geen Arabische sjiieten. Ankara wil dus beslissen wie er in Mossoel mag leven.

Troeven

Ankara denkt dat het enkele belangrijke troeven heeft om blijvend invloed in het noorden van Irak te vestigen.

Mossoel was vier eeuwen lang, tot een eeuw geleden, onderdeel van het Ottomaanse rijk waarbinnen het meestal een ruime autonomie had.  Na de instorting van dat rijk met Wereldoorlog Een bleven veel banden behouden.

Ankara maakt tevens gebruik van de angst van veel Arabische soennieten voor het Iraakse leger, waarin de sjiieten eerste viool spelen, en vooral voor de sjiitische milities die in op IS veroverde steden vaak zeer brutaal te keer gingen. IS haalde een  deel van zijn sterkte uit het feit dat veel Arabische soennieten meer schrik hebben van de sjiitische milities dan van IS. Turkije werpt zich nu op als verdediger van de bange Arabische soennieten in het noorden van Irak.

Turkmenen

Een derde troef is de Turkmeense bevolking in het noorden van Irak. Hun aantal ligt naargelang de bron tussen een half miljoen en drie miljoen. Etnisch zijn ze verwant met de Turken uit Klein-Azië. Onder het Iraakse Baath-regime werden ze slachtoffer van de Arabiseringspolitiek van Bagdad. Ze zijn onderling wel verdeeld, onder meer tussen sjiieten en soennieten,  maar ook tussen voor- en tegenstanders van Turkse invloed.

In 1995 werd met de zegen van Ankara een Iraaks Turkmeens Front opgericht, ook het jaar van de eerste grootscheepse Turkse militaire operatie in het noorden van Irak. De Turkse bemoeienissen in Irak  dateren dus wel van voor de oorlog van 2003 en lang van voor Erdogans bewind. Niet alle Turkmenen zijn opgezet met een voogd in Ankara, een deel heeft liever banden met o.a. de Autonome Koerdische regio. Het ITF eist de oprichting van een autonome Turkmeense regio met o.m. Mossoel, Kirkoek en Tal Afar- alleen in die laatste is er een Turkmeense meerderheid.

Ook bij IS zitten Turkmenen. Verscheidene Turkmeense officieren uit Saddams leger, allemaal afkomstig uit Tal Afar, speelden en spelen een zeer grote rol in de strijdkrachten van het Kalifaat van IS. De intussen omgekomen Abou Muslim Al-Turkmeni was als Fadel Ahmed Abdullah Al-Hiyali een hoge officier van de Iraakse inlichtingendiensten en later van Saddams Republikeinse Garde; hij was tot aan zijn dood een kopstuk van IS, samen met enkele collega’s eveneens afkomstig uit Tal Afar. Een gewezen generaal-majoor van Saddam, Abou Ali Al-Anbarai, staat ook aan de top van IS.

Mossoel – en verder

Om IS uit Mossoel te verdrijven, sloot Bagdad allianties met lokale Arabisch-soennitische milities, maar ook Ankara doet dat. Op de basis van Bashika traint het Turkse leger enkele duizenden militieleden van de tot ‘Garde van Ninive’ (de provincie met Mossoel) gedoopte groep. Die wordt geleid door Astheel Nujaifi, de in 2015 door Bagdad afgezette gouverneur van de provincie die eerder al goede banden had met Ankara. De commandanten van de Garde van Ninive waren ook al allemaal eerder officieren van Saddams leger.

Voorlopig hebben ze allemaal tot  doel IS uit Mossoel weg te jagen. Maar eenieder kijkt al verder. De omliggende gebieden worden zowel door Bagdad als door de Koerdische regio opgeëist – de Koerdische peshmergas die er nu zijn, willen die na de slag om Mossoel beslist niet opgeven. De grootste twistappel is de stad Kirkoek en zijn olierijke omgeving. Turkmeense nationalisten beweren dat de stad historisch gezien Turkmeens is, een stelling die Ankara graag bijtreedt. Niets van, door en door Koerdisch, zeggen de Koerden. Waar de Arabieren het dan weer niet mee eens zijn.

Mossoel is nog lang niet ontdaan van IS en daar zijn al zoveel elementen voor verdere conflicten. Arabische soennitische milities die elkaar onderling bekampen, Koerdische peshmergas, Arabische en Turkmeense sjiitische milities, het Iraakse leger, het Turkse leger… allemaal hebben ze een eigen agenda. Mossoel, de strijd kan zeer lang duren: na maanden gevechten is IS nog altijd niet volledig uit het Libische stadje Syrte verdreven. En als het dan zover zou zijn, Mossoel zonder IS, zullen de wapens nog lang niet zwijgen en zal het Turkse leger zich niet goedschiks terugtrekken.

Freddy De Pauw was van 1972 tot 2002 redacteur buitenland bij De Standaard. Hij volgde jarenlang Centraal- en Oost-Europa, een groot deel van Azië (o.m. China) en Italië. Hij publiceerde o.m. bij het Davidsfonds ‘Volken zonder Vaderland’ over de ‘etnische kwesties’ in Centraal- en Oost-Europa; De firma maffia; Italië, moeder van alle smeer; Russische mafija; Handelaars in mensen; Maffia in België en Handelaars in nieuws over trens in de berichtgeving. Werkt sinds de start in 1999 mee aan Uitpers.